Ik mag mijn eigen foto’s niet publiceren?!

Een boze lezer vroeg me:

Onlangs heb ik een fotograaf ingehuurd om een setje mooie foto’s van mij en mijn gezin te maken. Die zette ik vervolgens trots op de familieweblog, maar wie schetst mijn verbazing toen ik daarna vrolijk een factuur van 200 euro wegens “ongeautoriseerd hergebruik” kreeg van die fotograaf! Ik heb de fotografenfederatie gebeld en die zeggen dat ik blij mag zijn met “maar” 200 euro, omdat hij in zijn recht zou hebben gestaan om nog veel meer te vragen! Dit kan toch niet waar zijn?!

Ik ben bang van wel. Het grootste misverstand bij fotoauteursrechten is dat je als opdrachtgever alles mag doen met de foto’s die in jouw opdracht zijn gemaakt. Dat is niet zo. De fotograaf heeft alle rechten, en jij hebt alleen die rechten die je in de offerte of apart zijn toegekend. Je mag er niet vanuit gaan dat enkel omdat je de fotograaf betaalt, je alles mag doen met de foto.

Dit is met alle auteursrechtopdrachten zo, denk aan de discussie enige tijd terug over eigendom van websites. Maar het wringt wel bij niet-professionele opdrachtgevers, die staan hier zelden bij stil – en weinig fotografen die dit vooraf uitleggen. (In mijn cynische buien denk ik dan, ja, omdat ze zo achteraf lekker kunnen cashen met extra factuurtjes.)

Speciaal voor portretfoto’s in opdracht zit er ietsiepietsie meer ruimte. De Auteurswet bepaalt namelijk dat de geportretteerde het recht heeft (artikel 19 lid 1) om kopietjes (verveelvoudigingen) te maken van zijn portret. De foto scannen en uitprinten voor bij dochterlief aan de muur is dus toegestaan. Maar publicatie valt niet onder dit speciale recht.

Voor publicatie (openbaarmaking) is er de uitzondering van lid 3 nog:

Ten aanzien van een fotografisch portret wordt mede niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd het openbaar maken daarvan in een nieuwsblad of tijdschrift door of met toestemming van een der personen, in het eerste lid genoemd, mits daarbij de naam des makers, voor zoover deze op of bij het portret is aangeduid, vermeld wordt.

Hier wordt dus héél specifiek toegestaan om een foto-portret (niet een schilderij of tekening) te publiceren in een “nieuwsblad of tijdschrift”. Ik kan nergens ontdekken of ook een website eronder zou vallen. Dat zou wel moeten m.i., ik zie het verschil niet tussen een nieuwsblad/tijdschrift en een weblog of Facebookpagina. Maar dit artikel is ouder dan het internet(tm) en er lijkt nooit over te zijn geprocedeerd vanuit de internetcontext.

Ook kun je je wellicht beroepen op artikel 12 lid 4: verspreiding binnen de familiekring is geen openbaarmaking. Je zou een afgeschermd Facebookprofiel of een weblog achter wachtwoord wellicht hieronder kunnen rekenen, maar ik zou zeggen dat zodra de fotograaf met TinEye de foto kan vinden het niet meer de familiekring is.

Het beste is dus om vóóraf met de fotograaf af te spreken wat je mag doen met de foto, en dat ook nog eens expliciet vast te leggen.

Arnoud

Wie klikt er op mijn knopjes?

ie-aagree-ezel“Dan moet je nu op ie aag-ree klikken”. Met die woorden legde het zoontje van een bevriende jurist ooit een vriendje uit hoe hij zich kon registreren bij een spelletje. Gelukkig was vader er nog net op tijd bij om deze rechtshandeling te verhinderen, maar de vraag “wat gebeurt er nu juridisch bij zo’n klik” bleef wel hangen. Wat te denken van een IT-er die onderhoud pleegt bij een klant en dan bij een gedownloade update op “ie aag-ree” moet klikken?

Met een druk op de knop “Ik ga akkoord” wordt een overeenkomst gesloten. Daarvoor is immers niet meer nodig dan dat iemand een aanbod doet (u mag dit, tegen deze voorwaarden) en een ander aangeeft daarmee akkoord te zijn. En klikken op een knop die zégt “Ik ga akkoord” lijkt mij een evidente manier om een akkoord aan te geven.

De vraag is dan, wíe heeft die overeenkomst gesloten. In principe is dat de persoon die klikt, maar afhankelijk van de situatie kan dat anders zijn. Een werknemer gaat bijvoorbeeld eigenlijk nooit in eigen naam akkoord met zulke licenties, als de software iets met het werk te maken heeft. Hij handelt dan namens de werkgever. Voor een ingehuurde IT-er geldt hetzelfde: als deel van de opdracht (redelijkerwijs) is dat hij die software moet installeren voor de klant, dan gaat hij dus namens de klant akkoord met die voorwaarden.

Natuurlijk kan een werkgever of opdrachtgever altijd achteraf zeggen dat hij dat niet gewild heeft, maar zo makkelijk komt hij er naar de leverancier niet onderuit. Als de ‘achterman’ (degene die nu ineens aan de licentie vastzit) de indruk heeft gewekt dat de werknemer/opdrachtnemer de licentie mócht sluiten in zijn naam, dan zit hij eraan vast. Ook als dat volgens de interne regels niet mocht. Verder is een werknemer eigenlijk nooit aansprakelijk voor wat hij doet, dus als werkgever gaan roepen dat je niet gebonden bent aan die licentie is onverstandig, want je erkent auteursrechten te schenden en je kunt de schadeclaim van de leverancier nergens op verhalen.

Freelance IT-ers die bang zijn toch claims te krijgen, kunnen iets als dit in hun algemene voorwaarden (je hébt toch algemene voorwaarden?) opnemen:

Leverancier is gerechtigd alle redelijkerwijs benodigde licenties af te sluiten uit naam van Opdrachtgever. Wanneer de voorwaarden gebruikelijk zijn en/of niet onderhandelbaar, zal Opdrachtgever hiertegen geen bezwaar maken.

Bij een kind ligt het iets lastiger, die installeert meestal niet namens zijn ouders die software maar wil dat zelf. Dat ligt juridisch lastig, want een kind kan niet zomaar zelfstandig rechtshandelingen (zoals akkoord gaan) verrichten. De ouders kunnen dat tegenhouden, tenzij het “gebruikelijk” is dat iemand van die leeftijd zulke rechtshandelingen verricht. Dus dan zou de vraag zijn, hoe normaal is het voor leeftijdsgenoten van dat zoontje om op “ie aag-ree” te klikken bij dat soort EULA’s?

Arnoud

Gastpost: Mosterd na de maaltijd voor gamers

game-voucher.jpgOmdat ik met vakantie ben deze week nog enkele gastblogs. Vandaag een gastblog van Tim van Maarseveld over de gamingindustrie en hoe deze (in tegenstelling tot zekere andere contentindustrieën) wél snel omgaat met veranderingen in de markt.

Arnoud heeft er eerder over geschreven op zijn blog: de volgens ITenRecht baanbrekende uitspraak van het Hof van Justitie inzake tweedehands verkoop van software. Volgens het Hof is het toegestaan gedownloade software door te verkopen. Voor tweedehands softwareverkopers is dit ongetwijfeld fijn nieuws. Maar de software branche bestaat uit meer dan operating systems en office pakketten. Games zijn ook een groot onderdeel van de softwaremarkt. Kopers en verkoper van tweedehands games zullen in eerste instantie verheugd zijn, maar de praktijk is echter een stuk weerbarstiger.

Games worden nog steeds via fysieke gegevensdragers (dvd’s/blu-ray) aangeboden, maar er is ook een stijging in het aantal games dat via digitale distributieplatforms zoals Steam, Origin en Xbox Live wordt aangeboden. Naast de reguliere retail verkoop van games is er ook een levendig handel in tweedehands spellen. Ondanks dat de prijzen van eerstehands games na ongeveer een jaar met 50% afnemen, blijft dit voor veel jeugdige gamers (10 tot en met 25 jaar) toch nog een behoorlijk hoog bedrag. Daarom zoeken deze gamers hun heil op de tweedehands markt, waar de games, vaak met wat vertraging, een stuk goedkoper te verkrijgen zijn.

De gamesindustrie is groot en nog steeds groeiende. Men beweert zelfs dat de gamesindustrie groter is dan Hollywood. Met een omzet van 6 miljard dollar voor een van de bekendste game-franchises dit niet moeilijk te geloven. De gamesindustrie claimt al een aantal jaar dat het verlies ondervindt van deze tweedehands handel.

Nu er zoveel geld mee gemoeid is, heeft de industrie een paar jaar terug als reactie op de tweedehands markt vouchers bij haar spellen gevoegd. Deze voucher krijgt een koper bij zijn nieuw aangeschafte game. Zo’n voucher geeft recht op extra content of toegang tot online functionaliteit om gezamenlijk met andere gamers via internet te kunnen gamen). Deze vouchers zijn eenmalig bruikbaar en kopers krijgen er maar 1 van bij hun spel. Bij tweedehands doorverkoop van een spel is een gebruikte voucher nutteloos.

Naast de tendens tot het uitgeven van vouchers is er een andere tendens te zien in de gamemarkt. Games worden meer als dienst in de markt gezet dan als product. Tegenwoordig zijn er namelijk steeds meer spellen waar je voor een bepaalde speeltijd, extra content of bepaalde voorwerpen (micropayments) in het spel geld betaald. Het traditionele business model van eenmalig betalen en onbeperkt gebruiksgenot is langzaam aan het verdwijnen. Daarvoor in de plaats wordt ‘gaming’ meer als dienst in de markt gezet, dan als product.

Uit het bovenstaande valt te concluderen dat de industrie snel en adequaat reageert op veranderingen in haar omzet en de markt.

Juristen zullen op basis van de uitspraak van het Hof beargumenteren dat deze voucherconstructie tegen het wettelijke gebruiksrecht van de tweedehands koper ingaat, omdat de game in zijn totaliteit (voucher en game) gekocht is voor een vast eenmalig bedrag wat recht geeft op onbeperkt (qua tijd) gebruik.

Toch denk ik dat deze uitspraak weinig effect voor de tweedehandsmarkt voor games zal hebben. Ten eerste is het voor de consument penny wise, pound foolish om te procederen over het kunnen doorverkopen van een game. Ten tweede heeft de gamesindustrie al laten blijken snel en adequaat te kunnen reageren op veranderingen in de markt. En als laatste zijn al alternatieve modellen voor de voucherconstructie in de vorm van micropayments en het aanbieden van games als diensten.

Zetten deze tendensen voort dan zal, naar mijn mening, de vraag naar tweedehands spellen dalen en als resultaat de tweedehandsmarkt voor games krimpen tot een nichemarkt voor verzamelaars voor de koop en verkoop van oude spellen.

En om in de stijl van Arnoud af te sluiten met een vraag:

Hoe zien jullie de toekomst van de gamesindustrie en de rechten van de gamer?

Tim van Maarseveen is Consultant bij Thauris BV. Als jurist afgestudeerd in informatierecht, maar ook als IT’er en gamer volgt hij de gamesindustrie op de voet.

Waarom zit er een Weens Koopverdrag in mijn softwarelicentie?

uncisg.pngIn 2010 blogde ik dat het Weens Koopverdrag regelmatig uitgesloten wordt in allerlei algemene voorwaarden. Het duikt echter nog regelmatig op, ook in softwarelicenties. En daarover vroeg een lezer me waarom dat überhaupt nodig is: software is toch niet iets dat je kunt ‘kopen’?

Nou, daar heeft die lezer dus helemaal gelijk in. Software koop je niet maar neem je in licentie. Het is dan ook vooral een stukje copypastejuristerij, al dan niet om de tekst er wat gewichtiger te laten uitzien. De klant verwacht immers een uitgebreide juridische tekst, en een alinea “U mag deze software binnen uw bedrijf gebruiken maar niet verspreiden naar derden, en wij zij niet aansprakelijk voor fouten” voelt niet als een tekst waar je 950 euro voor betaalt. Dus dan maar wat extra uitsluitingen, herformuleringen van wettelijke rechten en beperkingen en opsommingen van dingen die onder “alles” gerekend moeten worden.

Specifiek over het Weens Koopverdrag vond ik echter nog een interessant artikel bij TechEye (waar ik de titel schaamteloos van gejat heb) dat laat zien dat het soms echter nog net iets meer betekent. Men had een stukje software van Broadcom gevonden, waarvan de licentie de bekende clausule bevatte dat

The parties expressly stipulate that the 1980 United Nations Convention on Contracts for the International Sale of Goods shall not apply.

Enig graafwerk van TechEye leidde tot de ontdekking dat er wel iets meer achter zit dan alleen copypastewerk. In Duitsland met name leeft er serieuze discussie of en wanneer dit verdrag relevant is voor software. Daar lijkt de conclusie te zijn dat als je standaardsoftware (geen maatwerk) op fysieke drager verkoopt, er sprake is van een ‘koop’ in de zin van het Koopverdrag. Iets dat ons Arnhems Hof in 2010 ook leek te oordelen, hoewel in een iets andere context. Ook dit paper uit Japan van de Japanse overheid lijkt dit standpunt te onderschrijven.

Ergens wel terecht ook: standaardsoftware wordt verkocht alsof het een fysiek ding is – Borland had al heel lang geleden de opvatting dat hun software was “sold like a book”, oftewel je had één licentie, die mocht je best doorverkopen of weggeven zolang je maar niet ging kopiëren. De nieuwe Consumentenrechtenrichtlijn zal digitale goederen op bepaalde (maar niet alle) punten gelijkstellen met fysieke goederen.

Eigenlijk vind ik het nog jammer dat de Europese Unie niet heeft doorgepakt en gewoon software of digitale goederen algemeen als ‘zaak’ heeft aangemerkt. Dan kun je gewoon alle regels over verkoop van producten ook toepassen op digitale producten. Het Weens Koopverdrag blijft uitsluitbaar in dat geval, dat wel. Maar waarom het maatschappelijk wenselijk is dat software niet kan worden verkocht maar alleen in licentie mag gegeven, heeft nog niemand me kunnen uitleggen.

Arnoud<br/> Afbeelding: Drafting Contracts Under the CISG, Flechtner, Brand en Walter Oxford University Press, USA (December 31, 2007)

Is jouw mobiele foto je auteursrechten waard?

scoopshot-download.pngDagblad Metro gaat als eerste krant in Nederland lezers op een regelmatige basis betalen voor foto’s, las ik in de Metro (joh). Men werkt samen met het Finse Scoopshot, dat een Android/iPhone app uitbaat waarmee je foto’s aan kunt leveren, en een site waar journalisten of kranten foto’s kunnen kopen. Leuk bedacht, maar hoe zit dat met de rechten?

Scoopshot brengt het netjes: in eerste instantie geef je alleen een licentie, en wel beperkt tot het aanprijzen voor de verkoop in de winkel van Scoopshot. Komt er dan iemand met interesse, dan kan deze de foto kopen en dan moet je je auteursrechten overdragen:

If the photo is bought, Scoopshot gets exclusive rights for copyright transfer. Scoopshot will then ensure that you get the agreed compensation for the publishing rights. If your photo is not bought within 48 hours, all rights will be returned to you.

Ik weet niet of ze nu hier “exclusive rights” en “copyright” door elkaar halen, maar dat je auteursrechten overgaan door het insturen van een foto is dus gewoon juridisch onjuist. Auteursrechten draag je alleen over door een stuk papier te ondertekenen of door ingewikkeld te gaan machtsverheffen (modulo een groot getal) op een hashcode.

De algemene voorwaarden formuleren het iets anders: een exclusieve licentie voor uitsluitend redactionele doeleinden (nieuwsillustratie) en wel voor maximaal drie dagen na aankoop. Dat lijkt me een nette deal. En licenties, ook exclusieve, kun je wél in algemene voorwaarden regelen.

Scoopshot faalt daarbij ook op het bekende punt dat de voorwaarden downloadbaar moeten zijn. Zoals je wel vaker ziet, zetten ze die in een floepvenster en dat is gewoon niet rechtsgeldig.

Nieuw voornemen voor 2012: bij iedere site waar ik dat zie, een mailtje richting de webmaster dat ze onjuist bezig zijn. Of, misschien leuker, een haha-lijstje hier als pagina neerzetten?

Arnoud

Mogen ze bij mij aankloppen als mijn licentie niet klopt?

Een lezer vroeg me:

Wat gebeurt er als ik een werk gebruik dat onder een Creative Commonslicentie wordt aangeboden, en de licentievermelding blijkt onjuist? Kan de originele maker mij dan aanklagen, of mag ik hem verwijzen naar de persoon die mij het werk onder Creative Commons heeft geleverd?

Als je een werk gebruikt zonder toestemming van de rechthebbende, dan kan deze je aanspreken voor auteursrechtinbreuk (tenzij een wettelijke uitzondering geldt natuurlijk). Je kunt tegenover die rechthebbende geen beroep doen op een licentie die je door een ander gegeven zou zijn. Dit is een risico bij Creative Commons, maar ook bij commerciële beeldbanken of willekeurig welke andere bron natuurlijk.

De enige uitzondering is als je mocht denken dat die ander een vertegenwoordiger was van de rechthebbende, en je daarbij een handeling van de rechthebbende kunt aanwijzen die die gedachte ondersteunt (art. 3:61 BW). Als een fotograaf bijvoorbeeld op zijn site meldt Creative Commons te gebruiken en je vindt een foto van hem onder een Creative Commonslicentie, dan denk ik dat je wel kunt stellen dat je mocht vertrouwen op de juistheid van de licentie.

In het algemeen heb je dus een probleem als een fotograaf (of andere rechthebbende) zich meldt wanneer je een werk van hem gebruikt en jij niet kunt bewijzen dat hij de licentie heeft gegeven. Je hebt dan auteursrechtinbreuk gepleegd en hij mag dan zijn schade claimen (maar geen wordfeud-, eh scrabbleclaims natuurlijk). Wél kun je dan de schade verhalen op degene die ten onrechte meldde dat deze licentie gold (art. 3:70 BW).

Je kunt niet als inbreukmaker volstaan met verwijzen naar die onterechte licentiegever. Het mag wel, en als de rechthebbende liever hem aanpakt dan kom je goed weg, maar juridisch heb je geen verweer als de rechthebbende erop staat bij jou de claim neer te leggen.

Mensen vragen me wel eens waarom de wet deze constructie hanteert. Is het wel fair dat jij moet opdraaien voor andermans opzettelijke valse voorstelling van zaken? Dat snap ik wel, maar het alternatief is dat iedereen dan gaat claimen een licentie te hebben gehad van een onbekende man met grote baard die nu zeven jaar in Tibet op retraite is. En om rechthebbenden allemaal naar Tibet te laten sjouwen dan gaat me ook weer wat ver.

Arnoud

Zitten fabrikanten Android zonder GPL-distributierecht voor Linux?

android-open-source.pngOmdat de code van besturingssysteem Android niet (volledig) openbaar is en gepubliceerd wordt, vervalt het recht voor veel fabrikanten om Androidtoestellen te verkopen, meldde Nu.nl gisteren. Men baseert zich op Florian Mueller, die het weer uit de VS haalde.

Het pijnpunt zit hem in artikel 4 van de GPL:

You may not copy, modify, sublicense, or distribute the Program except as expressly provided under this License. Any attempt otherwise to copy, modify, sublicense or distribute the Program is void, and will automatically terminate your rights under this License.

Op zich geen gekke clausule: je moet je aan de licentie houden, en doe je dat niet dan vervalt de licentie en mag je helemaal niks meer.

Mueller’s zorg is gebaseerd op de boude statement dat “virtually every Android OEM … was out of compliance at some point”, oftewel iedereen die Android uitlevert heeft ooit wel een keer een hoekje van de GPL geschonden en is daarmee zijn licentie kwijtgeraakt. Waar hij dit op baseert, weet ik niet. Het gaat me wat ver om te zeggen “iedereen zal wel een keer de licentie geschonden hebben”, hoewel het me zou verbazen als de meerderheid van Android-leveranciers zich perfect aan de GPL houdt.

De lastige consequentie van de GPL schenden is wel dat je het distributierecht kwijt bent totdat je van alle relevante auteursrechthebbenden hernieuwde toestemming hebt gekregen. Dat zegt in ieder geval de Sofware Freedom Law Center, de handhaver van de GPL. En bij Linux is het zo goed als onmogelijk die toestemming te vragen, want er zijn honderden zo niet duizenden auteurs met minstens één regel creativiteit in de Linuxkernel.

Dit principe is echter nog nooit bij de rechter getest, en eerlijk gezegd gaat het me wel érg ver. Volgens mij kun je gewoon opnieuw de Linuxkernel downloaden, en dan krijg je daar een nieuwe licentie bij. Die nieuwe licentieverlening staat los van je eerdere schending. En als dat al te bijdehand klinkt: wacht dan eventjes tot er een nieuwe major release uit is en ga dan netjes daarmee werken. Ik kan me níet voorstellen dat een rechter zal zeggen “u had de licentie op versie 2.3.12 geschonden, dus versie 2.6 mag u niet gebruiken”. Die twee licenties zijn weliswaar inhoudelijk identiek maar gaan over duidelijk verschillende programma’s.

Oh, en open source is nu echt mainstream: GPL-licentieruzies halen Nu.nl.

Arnoud

Open source licenties in de codering

plaatje-it-purple-pigeon.jpgAls je afspreekt dat je software alleen mag verspreiden in versleutelde vorm, maar er zit open source in, schend je dan de licentie door toch broncode vrij te geven? Jaja, het lijkt er zowaar op dat we een vonnis hebben over de ‘virale’ werking van open source. Maar dat valt vies tegen: de rechtbank doet geen uitspraak (via) over de bindendheid van de ‘open licenties’ omdat de licentienemer deze er eenvoudig uit had kunnen slopen.

Het bedrijf Purple Pigeon had software (‘Eigen Chatbox’, ‘WebAgenda Multi-User’, ‘WebEnquete PRO’, ‘Web to Go Personal’ en ‘Web To Go Professional’) ontwikkeld, en met Quinarx een exclusieve distributieovereenkomst gesloten. Die werd later omgezet in een nieuwe overeenkomst, waarbij afgesproken werd dat de broncode te allen tijde gecodeerd (versleuteld) zou moeten worden met een pakket als SourceCop. Ook moest altijd het copyright van Purple Pigeon worden vermeld.

In 2010 constateerde Purple Pigeon dat de software nog steeds werd verkocht, en ook nog eens met vrij beschikbare broncode en zónder auteursvermelding van PP. Volgens Quinarx was daar geen sprake van, waarop Purple Pigeon naar de rechter stapte en een terughaalactie (recall) eiste plus een schadevergoeding.

Eén van de verweren van Quinarx was dat het programma open source bevatte, en dat het daarom niet zomaar versleuteld verspreid mocht worden. Op zich een terecht verweer: de GPL bijvoorbeeld verbiedt zulke distributie, de broncode moet er echt bij zitten (of op verzoek nageleverd worden). Maar de rechter oordeelt dat je als licentienemer niet zomaar eenzijdig mag besluiten om dan de broncode maar openbaar te maken. Als je zo’n compliance probleem signaleert, moet je de rechthebbende benaderen en ze daarop wijzen.

Terecht, maar jammer dat dit punt niet nader is uitgewerkt. Ik had wel eens willen zien wat de rechter zou zeggen van het verweer dat Quinarx (en ook Purple Pigeon) gewoon gebonden was aan de GPL en daarom wel moest handelen op deze manier.

Arnoud

Een interne mail als bewijs van een overeenkomst

exact-compact.pngAls een offerte belooft dat je “meerdere gebruikers kunt aanmaken”, hoe veel zijn dat er dan? En als je dan achteraf hoort dat je maar met 2 gebruikers tegelijk ingelogd mag zijn, ben je dan bekocht? Een klant die Exact Compact 2003 voor hun hypotheekadviesbureau had aangeschaft, vond van wel en ontbond de licentie op die gronden. Exact was het daar niet mee eens en stapte naar de rechter om betaling van een kleine tienduizend euro aan licentiekosten plus wettelijke rente te eisen. De rechter vonnist dat Exact gelijk lijkt te hebben, en baseert zich op een interne mail van de klant als bewijs (via).

De klant, een hypotheekadviesbureau, had bij Exact een offerte opgevraagd voor een multi-user boekhoudpakket. De verkoper had een maatwerkofferte gestuurd, met daarop deze zinnen:

Naast de voordelen die Exact Compact 2003 Factuur biedt kunt u nu ook met meerdere gebruikers tegelijkertijd in de software werken. In Exact Compact 2003 kunt u hiervoor meerdere gebruikers aanmaken waarvan u kunt aangeven of ze al dan niet toegang tot Exact hebben.
In bijgevoegd orderformulier kunt u zelf aangeven met hoeveel extra gebruikers u tegelijkertijd in de software wilt werken.
Voor plaatsing van de order verzoeken wij u vriendelijk een ondertekende orderbevestiging tesamen met een ondertekende licentie- en onderhoudsregistratiekaart (laatste pagina van het boekje Exact-voorwaarden voor uw licentie en onderhoud) retour te sturen of te faxen naar Exact

De klant had de offerte voor akkoord getekend en geretourneerd, en ook een registratiekaart ingevuld waarop bij “Aantal gebruikers” het aantal “4” ingevuld was. Maar uiteindelijk (na onderhandelen over een korting) bleek dat maar twee gebruikers de software van het pakket gebruik konden maken, wat niet was wat de klant had verwacht. (Ik snap de licentiestructuur van Exact niet, maar dat zal wel aan de uitleg in het vonnis liggen.)

Het bedrijf had in eerste instantie gezegd dat er geen licentieovereenkomst was gesloten, omdat zij een licentie voor 4 gebruikers wilde en die niet had gekregen. Maar dat verwerpt de rechtbank. Het is misschien niet duidelijk wat er precies besteld is, maar dát er iets besteld is, staat vast. De vraag is dus: is geleverd wat er is besteld?

Exact krijgt de bewijslast: omdat zij zegt dat er keurig geleverd is en betaald moet worden, moet zij bewijzen dat het geleverde voldoet aan de wens van de klant. Dat was het geval volgens ExcelExact. Zij had een maatwerkofferte opgesteld op basis van wat de klant had aangegeven, en bij de constructie daarvan had de klant niet gezegd dat vier gebruikers tegelijkertijd de software hadden moeten kunnen gebruiken. De zinnen hierboven waren niet meer dan een standaardfrase. De klant zette daar tegenover dat mondeling herhaaldelijk was aangegeven dat vier mensen tegelijkertijd de software moesten kunnen gebruiken.

De rechtbank neemt de offerte en de registratiekaart als uitgangspunt, en constateert meteen dat deze “geen enkele duidelijkheid” opleveren over wat er nu precies afgesproken is. Maar men vond in het dossier nog een interne mail van de interim-manager van de klant die verslag doet van zijn gesprek met Exact (“lekker commercieel bij Exact””). En daar schrijft deze:

Ik heb zojuist met Exact contact gehad over het gebruik maken van Exact Compact door 2 gebruikers. Het zou zo moeten zijn dat je dan 4 x het pakket aanschaft (2 x 4 administraties en 2 x voor 2 gebruikers).

De klant had nimmer betwist dat deze mail correct zou zijn. Natuurlijk is dit een interne mail en geen toezegging aan of van Exact, maar de rechtbank gebruikt de mail heel slim: dit is bewijs van hoe de klant dacht dat het contract in elkaar zat. En deze samenvatting is precies zoals Exact het voorspiegelde. Daarmee lijkt Exact dus gelijk te hebben over dat de verkochte licenties voldeden aan de verwachtingen van de klant.

Omdat dit toch wat sneu lijkt, krijgt de klant nog de gelegenheid om tegenbewijs te leveren. Ik ben heel benieuwd waar men mee komt.

Arnoud

Waarom hebben licenties altijd zulk moeilijk taalgebruik?

wtf-stempel.jpgEen lezer vroeg me:

Omdat ik gezeur met softwarelicenties vrij zat ben, ben ik van plan m’n eigen code te publiceren onder de WTFPL (Do What The Fuck You Want To Public License). Ik vraag me alleen af hoe serieus een rechter een licentie als deze zou nemen. Er staan immers geen juridische frases in, en bovendien is er sprake van grof taalgebruik. Loop ik dan een risico als ik die licentie gebruik?

Er is geen regel in de wet die zegt dat een licentiecontract moet voldoen aan welke taaleis dan ook. Zo ongeveer de enige eis is dat de partijen bij het contract kunnen bepalen wat hun rechten en plichten zijn. En je hebt ook niet per se een advocaat, notaris of jurist nodig om een licentiecontract “rechtsgeldig” te krijgen, behalve in een paar héél bijzondere gevallen zoals de koop van een huis.

Er is dus op zich niets tegen een licentie in gewone taal. Ik heb zelf ooit een standaardreglement voor forums gemaakt waar volgens mij ook nauwelijks jargon in staat. Als je echter ál te ludiek bent in je teksten, zou een rechter in theorie kunnen oordelen dat je licentie niet als serieus aanbod bedoeld was.

De Do What The Fuck You Want To Public License (WTFPL) komt neer op:

You just DO WHAT THE FUCK YOU WANT TO.

En inderdaad is dat wel erg kort – hoewel heel veel meer strikt gesproken niet nodig is. Misschien nog een “Don’t FUCKING SUE ME FOR ANYTHING” als disclaimer, maar verder lijkt me intentie en strekking vrij duidelijk: ga je gang met die software en ik wil er niets over horen.

Waarom dan toch vaak dat moeilijke taalgebruik? Tsja, dat is een goeie. Voor een deel is het vaak een kwestie van onbewust jargon gebruiken. In de wandelgangen met collega’s spreek je als jurist eerder van “exoneratie” dan van “beperking van aansprakelijkheid”, en als je niet uitkijkt komt dat ook in de documenten voor je klanten terecht.

Ook speelt mee dat je graag 100% correct wilt formuleren. Als je zegt “ik ga niet programmeren als jij me onbruikbare input geeft”, dan krijg je wellicht discussie over wat “onbruikbaar” is en hoe je dat meet. En wat is “input”? Elke onbegrijpelijke mail? De specificaties? Ook zou je je nu kunnen afvragen of dat niet-aan-de-slag-gaan een verplichting is of alleen maar een recht van de ontwikkelaar. Als je daar als jurist een correcte en dichtgetimmerde formulering van wilt maken, dan krijg je zoiets (artikel 2.3 van de ICT~Office voorwaarden, module Ontwikkeling van programmatuur):

Leverancier is gerechtigd, doch niet verplicht, de juistheid, volledigheid en consistentie van de aan hem ter beschikking gestelde gegevens, specificaties of ontwerpen te onderzoeken en bij constatering van eventuele onvolkomenheden de overeengekomen werkzaamheden op te schorten totdat cliënt de betreffende onvolkomenheden heeft weggenomen.

Ik geef toe, het is minder leesbaar dan “ik ga niet programmeren als jij me onbruikbare input geeft” maar het is wel minder vatbaar voor discussie.

Soms is het helaas meer een kwestie van niet duidelijk kunnen formuleren of niet genoeg weten van de business van de klant om een toegesneden clausule te maken. En dan copypasten we maar het vorige contract want dat zal dan wel goed genoeg zijn.

Arnoud<br/> Foto: mjaysplanet, Flickr.com CC-BY 2.0