Over bewijs in het recht

De term ‘bewijs’ en wat bewijs bewijst, kwam vorige week in de whatsappvonnisdiscussie langs. Daarbij kreeg ik een gevoel dat ik al vaker had: mensen lezen iets over “bewijs”, constateren dat wat de rechter zegt niet per se 100% altijd juist is en concluderen dat de rechter dús digibeet is, dat het vonnis geen stand zal houden en/of dat de rechtspraak belachelijk is. Ehm.

De term “bewijs” kennen we uit de wetenschap. Als iets bewezen is, dan is het zo. Daar kan geen twijfel over zijn; wie het wil verifiëren kan zijn gang gaan want een wetenschappelijke stelling moet falsifieerbaar zijn. Ik werd vroeger aan de TU doodgegooid met discussies over dat je van software kunt bewijzen dat deze foutloos is. Of dat kan, weet ik nog steeds niet, maar ik heb er wel een onbedwingbare neiging aan overgehouden om bij elke IT-gerelateerde kwestie te gaan zoeken naar foutjes, afwijkende situaties, uitzonderingen en bijzondere gevallen.

En volgens mij doet elke IT-er dat. Er is een flauwe grap over wat voor antwoord je krijgt als je een formule op het bord tekent. De wiskundige: “Wat mooi!” De natuurkundige: “Wat betekent dit in de praktijk?” De econoom: “Hoe kun je daar geld mee verdienen?” De IT-er: “Als je X=-5/8 invult, deel je door nul.” (En, oké, extra flauw: de taalwetenschapper: “Wilt u daar frietjes bij?”)

Het recht is echter geen wetenschap (maar een kunst) en hanteert dan ook niet die wetenschappelijke definitie. Iets bewijzen in het recht komt neer op de rechter mee laten gaan in jouw standpunt, meer niet. Hij moet er redelijkerwijs van overtuigd zijn dat je gelijk hebt. Of nou ja, in het civiele recht – wat wij hier meestal bespreken. Dus wanneer is er sprake van een contract, wanneer is er schade aangericht, wie is aansprakelijk voor welke handeling, etcetera. In het strafrecht (foei je gaat de cel in als je dat doet) geldt een strengere regel: wettig en overtuigend bewijs. De rechter moet ervan overtuigd zijn dat de verdachte schuldig is, er mag geen redelijke twijfel meer zijn.

Een bijzonder aspect daarbij is dat de rechter eigenlijk alleen mag werken met het bewijs dat de partijen hem aandragen. Plus, als partijen het ééns zijn over een bepaald feit, dan moet de rechter daarin meegaan. Hij mag niet zomaar dat feit zelf ter discussie stellen. Dus in de Whatsapp-situatie van vorige week: stel de werkgever had gezegd “ja dat bericht zal ongetwijfeld zijn binnengekomen maar in het arbeidscontract staat duidelijk dat je moet béllen” dan is bewezen dat het bericht is aangekomen. De rechter mag dan niet zelf zeggen “hoor eens, we wéten helemaal niet of dat bericht is aangekomen want twee vinkjes zegt niets”, ook niet met een beroep op Danny Mékic 😉 De partijen zijn het dan eens en dús moet de rechter mee.

Uitzondering daar weer op is als de partijen er niet over gáán, over dat feit. Als eiser en gedaagde samen zeggen dat ze getrouwd zijn, maar uit het bevolkingsregister blijkt van niet, dan zijn ze toch niet getrouwd. Maar dat is zelden aan de orde.

Verder zijn -in tegenstelling tot in de IT- theoretische problemen geen issue. Pas als er aanwijzingen zijn dat het probleem zich wérkelijk voordoet (in de telefoon van werkgever is het berichtje niet aanwezig) dan gaan we kijken waar dat door kan komen. Ik vind dat ook wel zo praktisch: waarom problemen erbij gaan zoeken als je al met een groot probleem (namelijk een rechtszaak) zit?

Bewijs in het recht heeft dus niets te maken met bewijs in de wiskunde. Het is niet meer dan “wie klinkt het meest geloofwaardig”. Dat mag je een risico vinden, maar in de zaak kunnen beide partijen dat prima betogen (al dan niet met deskundigen erbij) en een oplossing zoeken. Als ze daar behoefte aan hebben.

Arnoud

Het bewijs wordt geleverd door het controlepaneel

Een lezer vroeg me:

Bij mijn webhoster heb ik een controlepaneel waarmee ik mijn domeinnamen en sites kan beheren. Laatst bleek er echter ineens een domeinnaam verdwenen uit de lijst. Deze was opgeheven volgens de provider, en dat had ik goedgekeurd via het controlepaneel, zo bleek uit hun logs. En die waren “dwingend bewijs”, zeggen ze. Maar ik heb niets gedaan! Hoe kan ik nu bewijzen dat hun controlepaneel het fout heeft?

Hoofdregel uit het bewijs is dat degene die een bepaald gevolg claimt, de oorzaak moet bewijzen. In dit geval zegt de provider dat ze de domeinnaam niet meer actief hoeven te houden, dus moeten zij bewijzen dat er een opdracht tot opheffen gekomen is.

De provider beroept zich op het controlepaneel, waarmee de klant de opdracht tot opheffen kan geven. Op zich is dat een prima manier: de logs van zo’n paneel leggen objectief vast wat er is gedaan, en daaruit kun je (rechts)gevolgen afleiden.

Veel providers versterken hun situatie nog meer door in de algemene voorwaarden te bepalen dat bepaalde logs of registraties dwingend bewijs zijn. Dat wil zeggen, wat daarin staat is de enige waarheid. Je kunt zelfs zo ver gaan om tegenbewijs uit te sluiten.

Mag dat? Niet snel. Bij consumenten staat dit op de zwarte lijst:

[een beding] dat de bevoegdheid van de wederpartij om bewijs te leveren uitsluit of beperkt, of …

Bij zakelijke contracten geldt de zwarte lijst niet, maar ook bij zakelijke contracten kan een algemene voorwaarde worden aangevochten als deze al te evident onredelijk is. En dat zal hier snel wel opgaan denk ik. Want de wet bepaalt al (art. 151 Rv) tegen dwingend bewijs tegenbewijs openstaat.

Het wordt alleen wel moeilijk want meestal ís er niets, afgezien van de logs van dat controlepaneel. Dus hoe ga je dan bewijzen wat er is gebeurd?

Gelukkig kwam men er hier snel uit: de bug bleek reproduceerbaar en met een schermfilmpje van hoe ineens de domeinnaam verdween was de provider snel overtuigd. Maar als zoiets er niet is, of als het een eenmalig freak incident was, dan wordt het toch moeilijk.

Arnoud

Kun je echt zomaar willekeurige contracten sluiten via internet?

Een lezer vroeg me:

Voor veel tijdschriften kun je tegenwoordig een abonnement nemen via internet, door slechts een formuliertje in te vullen, zonder handtekening of telefonische toestemming. Stel dat een grapjas mijn gegevens invult, is zo’n contract dan bindend en rechtsgeldig? En zoniet, hoe beschermen uitgeverijen zich dan tegen klanten die achteraf ontkennen ooit een abo te hebben genomen?

Het is eigenlijk een wonder dat dit goed gaat elke keer. Want inderdaad het systeem is zo lek als een mandje en volstrekt triviaal te misbruiken.

Voor een overeenkomst (contract, abonnement, hoe je het maar wilt noemen) is niet meer nodig dan dat de ene partij een aanbod doet waar de andere partij akkoord op geeft. Dat aanbod en het akkoord mag op elke manier worden gedaan. De wet stelt daar geen vormvereisten aan, behalve bij enkele speciale contractsvormen zoals de aankoop van een woonhuis of een concurrentiebeding in een arbeidscontract – die moeten schriftelijk.

Een contract via een bestelformulier op internet is dus volstrekt rechtsgeldig, en je kunt er niet onderuit met de stelling dat je niets getekend hebt of dat er niet geverifieerd is of jij het wel was. Natuurlijk kan een grapjas niet jou aan een contract binden. Iemand die dus jouw gegevens invult op zo’n formulier, schept geen verplichtingen voor jou.

Praktisch gezien krijg je wel wat gedoe, want het proces bij zo’n uitgever is dat je na invullen van het formulier automatisch het tijdschrift krijgt en ook een en ander moet gaan betalen. En wie niet betaalt, die krijgt een incassobureau op zijn dak. Er is zelden ruimte voor “ja maar dat was ik niet, ik wil dat abonnement niet” in dat proces, dus je moet dan moeilijk doen om gehoord te worden.

Formeel-juridisch is het echter de uitgever die moet bewijzen dat jij het abonnement hebt afgesloten. En “uw gegevens staan in ons bestand” is natuurlijk volstrekt onvoldoende daarvoor. Men kan nabellen, of eerst een acceptgiro sturen en pas na betaling daarvan het eerste nummer opsturen. Als die naar het opgegeven adres gaat en vervolgens betaald wordt, dan lijkt me dat wel bewijs dat de bewoner daar het abonnement wil.

Dus inderdaad, er is potentieel voor misbruik. Maar ik denk dat de meeste mensen dit te puberaal vinden zodat het in de praktijk wel meevalt.

Arnoud

Wie is aansprakelijk voor verloren bestellingen bij particuliere verkoop?

Eén van mijn controversieelste blogs is Is een particuliere verkoper aansprakelijk voor kwijtgeraakte bestellingen? uit 2010. Daarin leg ik uit dat bij verkoop tussen particulieren onderling er geen expliciete wettelijke regel is die bepaalt wie aansprakelijk is voor een verloren gegane bestelling. Er zijn wel algemene regels waar je op terug kunt vallen, maar hoe je die moet duiden is nogal een discussie.

Bij verkoop van bedrijf aan consument is het simpel: de verkoper is aansprakelijk, dat staat letterlijk in de wet (art. 7:11 BW). Maar bij verkoop tussen consumenten onderling (art. 7:9 BW) staat er niet meer dan dat de verkoper moet zorgen dat de gekochte zaak wordt afgeleverd bij de koper.

De vraag is dan, wat houdt “afleveren” hier precies in? Ik meen dat artikel 6:41 BW het antwoord biedt: tenzij er iets anders is afgesproken, moet aflevering gebeuren “ter plaatse waar [het gekochte] zich bij het ontstaan van de verbintenis bevond”. Bij de verkoper dus, zoals ook uit de Tekst & Commentaar te halen valt (“de plaats van aflevering wordt bepaald aan de hand van art. 6:41“). De verkoper moet op die plaats leveren. En daarmee komt het vervoer naar een andere plaats vervolgens voor rekening van de koper.

Daarbij negeerde ik echter één belangrijke situatie: als er nu wél iets anders afgesproken is, wat dan? In veel gevallen zal er in de advertentie staan “ik stuur het op” of iets dergelijks, waar je uit mag afleiden dat de verkoper het zijn taak vindt om het product te versturen. In die situatie is de verkoper aansprakelijk: ten eerste omdat de plaats van aflevering dan “ter plaatse van de koper” is, en ten tweede omdat contractueel afgesproken is dat de verkoper gaat bezorgen en het niet-aankomen dan wanprestatie is.

Alex vond hierover nog een mooi arrest:

aflevering van het bed ingevolge art. 6:41 BW diende te geschieden op de plaats waar het bed c.a. zich bevond op het moment van (het ontstaan van) de verplichting tot afgifte. Nu de vrouw naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen partijen een afspraak is gemaakt dat de man het bed bij haar zou afleveren, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vrouw het bed bij de man moest ophalen (rov. 4.2).

De man weigerde vervolgens het bed te bezorgen bij de vrouw, maar schond daarmee niet de afspraak omdat hij immers niet verplicht was tot bezorgen.

Wanneer er helemáál niets is afgesproken, en men pas na sluiting van de koop bij het punt komt “hoe komt ie nu bij de koper”, dan blijft het dus lastig. De wet biedt dan twee mogelijkheden om het risico te verleggen: wanneer het product feitelijk in bezit komt van de koper, of wanneer men achteraf samen afspreekt dat het product nu van de koper is en later opgehaald wordt (art. 3:115 BW). En dat is waarbinnen mijn redenering tot de conclusie kwam “vervoer is voor risico van de koper”. Maar dat is dan een vrij uitzonderlijke situatie, en mijn blog wekte de indruk dat dit de hoofdregel is.

Dus hoe dan ook, die blog krijgt een grote vette <s>-tag. En ik hoop dat deze blog de situatie verduidelijkt:

  • Bij een verkoop van bedrijf aan consument is het bedrijf altijd aansprakelijk voor het kwijtraken.
  • Bij een verkoop tussen consumenten onderling waarbij in de advertentie is vermeld dat de verkoper het product zal verzenden of bezorgen, is de verkoper aansprakelijk voor het kwijtraken.
  • Echter als de verkoper expliciet “op eigen risico van de koper” in de advertentie zet, dan verschuift daarmee het risico naar de koper want je mag als consumentkoper en -verkoper contractueel dat risico bij de consumentkoper leggen.
  • Als de advertentie expliciet vermeldt dat de koper het moet komen ophalen, en de koper vraagt achteraf of het toch opgestuurd kan worden, dan is dat op eigen risico van de koper.
  • Als de advertentie niets vermeldt over versturen of ophalen, dan is het juridisch een grijs gebied. Als aspirant-koper kun je dan maar beter zelf even navragen hoe de verkoper zich de aflevering had voorgesteld. En wel graag vóórdat je de koop sluit.
  • Als er niets vermeld is en geen navraag is gedaan, dan wordt het moeilijk als het product verloren blijkt te zijn gegaan. Ik zou dan beginnen met nagaan waarom de verkoper het product zomaar heeft verzonden (dat was immers niet expliciet gemeld). En ik hoop dat er dan eens wordt geprocedeerd zodat we weten waar we aan toe zijn.

Arnoud

Is e-mail rechtsgeldig?

Héél, héél veel vragen krijg ik over de rechtsgeldigheid van e-mail. Die variëren van “heb ik een contract als er in e-mail ‘akkoord’ staat” tot “kan ik met deze e-mail aangifte doen van bedreiging/stalking/smaad”. Nou, heel kort: ja, e-mail is rechtsgeldig – behalve in een paar uitzonderlijke gevallen. En, als ik zo vrij mag zijn, die zijn niet relevant voor mijn vraagstellers.

De focus op “rechtsgeldigheid” heeft me altijd verbaasd. Er is nooit discussie geweest of bijvoorbeeld een mondelinge toezegging rechtsgeldig zou zijn. Afspraak is afspraak, zeggen juristen dan. Alleen bewijzen wat er mondeling is afgesproken, ja dat is lastig. Maar bij e-mail schiet ineens iedereen in een juridische stuip want oh jee zou de rechter dat niet categorisch afkeuren omdat het triviaal vervalsbaar is?

Ik vermoed dat dit te maken heeft met een vaag onthouden discussie over de rechtsgeldigheid van faxen. Daar was de vraag of een faxbericht geaccepteerd mocht worden als akte, of dat echt alleen het origineel voor dat doel geschikt was. Ja, ook de akte telt in die situatie, bepaalde de Hoge Raad begin jaren negentig. Een faxapparaat produceert een letterlijke kopie, en indien gewenst kan het papieren origineel altijd worden opgevraagd en vergeleken. Misschien is daaruit het idee ontstaan dat een elektronisch document alleen rechtsgeldig is wanneer er ook een papieren origineel is.

Die rechtspraak ging echter specifiek over ‘aktes’, ondertekende geschriften die bedoeld zijn als bewijs van bijvoorbeeld een koop of erkenning van een schuld. Daarvan eist de wet inderdaad dat ze schriftelijk zijn, maar sinds een paar jaar kan dat ook elektronisch. Het grote probleem bij elektronische akten zit hem dan ook meer in de handtekening, want een elektronische handtekening zetten is een heel gedoe.

Wanneer de wet geen akte eist, dan mag alles als bewijs worden gebruikt. De rechter kijkt niet naar het middel waarin dat bewijs vervat zit, maar kijkt naar wat het bewijs bewijst. Pas als er iemand gaat roepen dat het bewijs vervalst is, dan wordt er gekeken naar hoe waarschijnlijk dat is in dit geschil. Je komt dus niet ver met “dit is mail, iedereen weet dat dat te vervalsen is” – nee, je moet bewijzen dat deze mail vervalst is.

Ook in strafzaken is het geen probleem om e-mail als bewijs te gebruiken. Daar ligt het iets lastiger, want de wet (art. 339 Strafvordering) noemt een beperkt aantal bewijsmiddelen en “e-mail” staat niet in die lijst. Er staat wel “schriftelijke bescheiden”, en dit mag volgens de Hoge Raad worden gelezen als “zolang er maar letters te zien zijn”. Een spandoek en sms-bericht zijn “schriftelijk” verklaard volgens dat oordeel, en e-mail valt er natuurlijk ook onder. In de strafrechtspraak hebben rechters dan ook weinig moeite met bijvoorbeeld bedreigingen per e-mail “schriftelijk” noemen.

Bij digitalisering van officiële stukken gelden er soms ook nog specifieke regels. Als een proces-verbaal schriftelijk moet zijn, mag men dit dan als gescande PDF opslaan en het originele stuk papier shredden? Daar zijn de geleerden het geloof ik nog niet over eens.

Maar in de dagelijkse praktijk durf ik met stelligheid te zeggen: ja e-mail is rechtsgeldig. Waar de meeste mensen e-mail voor gebruiken, gelden geen specifieke regels over het middel e-mail als zodanig. Een koop gesloten per e-mail is rechtsgeldig. Een mededeling per e-mail mag je de rechter laten lezen, en die mag daaruit conclusies trekken. Een e-mail met strafbare inhoud mag je aan de politie geven, en die kan daarmee een strafrechtelijk onderzoek opstarten. En uiteindelijk kan de afzender veroordeeld worden voor het versturen van die mail.

En dat e-mail triviaal te vervalsen is, is volstrekt irrelevant.

Arnoud

Rechters mogen niet zomaar googelen voor hun vonnis

waarom-smartfms-software.pngAls een rechtbank haar vonnis baseert op gegevens die het heeft ontleend aan een eigen zoektocht op een internetsite, schendt zij het principe van hoor en wederhoor. Dat bepaalde de Hoge Raad afgelopen vrijdag. De HR vernietigt daarmee een arrest van het gerechtshof dat mede gebaseerd was op gegoogelde informatie over een softwarepakket. De gevonden informatie was doorslaggevend voor het hof, maar zij had deze informatie eerst moeten presenteren aan de partijen, aldus de hoogste rechtbank.

Het geschil draaide om de goedkeuring van de rekening en verantwoording van een bewindvoerder. Deze had een licentie gekocht voor een softwarepakket (Smart FMS), een administratiesysteem waarmee de persoon onder zijn bewind direct online inzage had in zijn eigen financiën. Volgens de bewindvoerder was deze licentie een “gewone beheersdaad”, zodat geen toestemming van de rechthebbende of kantonrechter nodig zou zijn.

Het Hof had echter op internet nagekeken wat het doel was van dit softwarepakket, en had geconstateerd

dat het toch in de eerste plaats een systeem ten behoeve van de administratie van de budgetbeheerder is en dat het slechts als neveneffect de financiële mutaties op de eigen rekening voor de cliënten inzichtelijk maakt. Verder is het niet een systeem waarbij de cliënt de keuze heeft daar al of niet gebruik van te maken, zo hij al bereid is de kosten daarvan te dragen en hij de capaciteiten heeft daarvan gebruik te maken.

Daarmee was dit geen systeem voor de cliënt maar voor de bewindvoerder. En die posten mogen niet uit het budget voor de onder bewind gestelde cliënt gehaald worden. De kosten van het Smart FMS systeem moesten derhalve voor rekening van de bewindvoerder blijven, aldus het Hof.

De bewindvoerder was een tikje verbaasd door deze uitspraak, vooral omdat hij pas in het arrest kon nalezen dat het Hof dit onderzoek had gedaan (“De bewindvoerder heeft geen informatie overgelegd over de werking van het Smart FMS systeem, maar het internet (www.smartfms.nl) biedt wel enige informatie.”). Hij had dus geen enkele kans gehad te protesteren tegen deze conclusie of te proberen te bewijzen dat dit wél een nuttig systeem voor zijn cliënt was.

Omdat de internetzoektocht van het Hof tot voor de beslissing zeer relevante gegevens heeft geleid, had het Hof deze moeten voorleggen aan de partijen, aldus de Hoge Raad. En dat is vaste rechtspraak: eerder had de HR al eens geoordeeld dat een rechtbank

[geen] eigener beweging verkregen feitelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen zonder partijen in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen en zich daarover desgewenst uit te laten

En specifiek over googelen hebben we natuurlijk de zaak over googelen op “A.C.A.B.”, waarbij het aantal Googletreffers geen bewijs was dat een bepaalde term “algemeen bekend” zou zijn.

Dit lijkt me volstrekt juist. Googelen en zelf informatie aandragen is prima. Maar je moet wel gelegenheid bieden om weerwoord te geven. Hoewel het mij als rechter wel uitermate zou frustreren dat ik de resultaten van elke query ter zitting moet bespreken, hoe onschuldig de informatie me ook lijkt.

Update (23 april) in een andere context bepaalt het Hof Arnhem dat de rechtbank de website van de ANWB mag raadplegen om na te gaan in hoeverre het door de fabrikant opgegeven brandstofverbruik afwijkt van het verbruik in de praktijk. De ANWB is voldoende betrouwbaar kennelijk.

Arnoud

Mag een stiekem gemaakte geluidsopname gebruikt worden als bewijs?

Regelmatig krijg ik in diverse varianten de vraag of een stiekem gemaakte geluidsopname van een gesprek gebruikt mag worden als bewijs. Dit meestal naar aanleiding van mijn artikel Opnemen van gesprekken, waarin dat met zoveel woorden staat:

Een telefoongesprek opnemen dat je zelf voert, mag je dus opnemen – ook wanneer je dat niet meldt aan de tegenpartij. Alleen het heimelijk opnemen van zo’n gesprek zonder deelnemer te zijn is dus strafbaar (tenzij je toestemming hebt van één van de deelnemers).

Dit artikel gaat over de context van het strafrecht: het is verboden gesprekken af te luisteren met een technisch hulpmiddel als je geen deelnemer bent. Dat betekent dus dat als je wél deelnemer bent (of namens een deelnemer handelt) je wél het gesprek mag afluisteren en opnemen. Publiceren van die opname zal vaak wel een schending van de privacy van de wederpartij opleveren, dus daar zul je een fors nieuwsbelang voor moeten hebben.

Gebruik als bewijs is eigenlijk altijd toegestaan. In het gewone (civiele) recht gelden namelijk geen specifieke eisen voor hoe het bewijs verkregen mag zijn. De rechter mag zelf alles beoordelen op de merites. Hij hoeft bewijs niet uit te sluiten omdat het een stiekeme opname is. Wel zou hij het bewijs anders kunnen waarderen: een informeel gesprekje op de vrijmibo zal minder bewijskracht hebben over de intenties van een bedrijf dan een formele verklaring van de directie bij een persconferentie. Maar dat gaat dan over de inhoud, niet over de vorm.

Er zijn diverse rechtszaken waarbij partijen hebben geprobeerd een geluidsopname van tafel te krijgen met het argument dat deze onrechtmatig is verkregen. Dat wordt echter niet geaccepteerd. De Hoge Raad oordeelde in 1987 dat voor uitsluiting van bewijs sprake moet zijn van een “rechtens ontoelaatbare inbreuk op de privacy, zulks op basis van bijkomende omstandigheden die deze conclusie rechtvaardigen”. Oftewel: een inbreuk op zich is niet genoeg, het moet wel een hele erge zijn.

Op grond van deze uitspraak vond de Amsterdamse rechter dat een gespreksopname tussen een werkgever en werknemer best beluisterd mocht worden. De werkgever zat in een zakelijk gesprek, en een beroep op de privacy is dan niet doorslaggevend.

De rechtbank Groningen formuleerde in 2010 het als volgt:

Of het opnemen van een gesprek zonder dat de wederpartij hiervan op de hoogte is onrechtmatig is, hangt volgens de jurisprudentie af van de omstandigheden van het geval. Dat de opname is gemaakt met het doel deze als bewijs te kunnen gebruiken en het gesprek daarop gericht is geweest maakt het opnemen van dat gesprek, anders dan [de wederpartij] meent, op zich nog niet onrechtmatig. Met betrekking tot het onderhavige gesprek is van belang dat het in een zakelijke setting plaatsvond en “voor zover daaruit in de dagvaarding is geciteerd- niet over zaken ging die de persoonlijke levenssfeer betreffen.

Deze uitspraken laten ruimte open voor uitsluiting van het bewijs wanneer het gesprek zeer persoonlijk is. Ik kan me echter geen situatie voorstellen waarin je zo’n gesprek aan zou willen voeren in een rechtszaak. Wat voor zaak zou dat dan zijn? Héél misschien een rechtszaak over een echtscheiding. Als daar een van de partners in een intiem moment een bekentenis doet, en de andere partner heeft dat opgenomen en speelt dat dan af in de zitting over wie de kinderen krijgt, dan kan ik me voorstellen dat dat niet goed valt bij de rechter. Maar dat lijkt me wel een erg hoge uitzondering.

Arnoud

De verdwenen mail over het bericht in het IB-Groep-portaal

ibg-studie-portaal-bestuursrecht-bericht.pngAls je als student een besluit van de IB-Groep niet op tijd ziet, omdat het in je Mijn IB-Portaal geschoven is maar jij daar geen mail over hebt gehad, is het dan jouw schuld dat je te laat bezwaar maakt? In korte tijd wees de rechtbank Arnhem twee vonnissen over wat rechtens is wanneer een bericht via het “Mijn IB-Groep” portaal niet aankomt, of de student geen melding per mail krijgt dat er een bericht in dat portaal zit. De redenering in met name de tweede zaak was opmerkelijk.

In beide zaken betrof het een omzetting van een beurs voor een uitwonende naar een beurs voor een thuiswonende studerende. De IB-Groep doet dat automatisch als je adres bij hen niet overeenstemt met wat in de Gemeentelijke Basisadministratie staat. Je kunt dan bezwaar maken (bv. omdat je wél op tijd wat had doorgegeven of omdat de GBA-gegevens onjuist zijn) maar dat moet je wel binnen zes weken nadat het besluit is bekendgemaakt.

Zo’n besluit mag elektronisch worden verzonden, mits de ontvanger eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (art. 2:14 Awb). En dat doe je als je je aanmeldt bij “Mijn IB-Groep”, omdat de (overigens niet online staande) Algemene Voorwaarden bepalen dat je dat doet. Je krijgt dan geen post meer met besluiten maar je berichten worden in het portal geplaatst. Wel kun je een alert krijgen als er een nieuw bericht is.

De rechtbank leidt uit de voorwaarden af dat je vanwege deze regels uit de AV erop mag vertrouwen dat je een e-mailbericht gaat krijgen als er een nieuw Bericht (ja, met hoofdletter) in je portaal is geplaatst. In beide zaken was er bewijs dat de mail was verstuurd. In de eerste zaak werd dat bewijs als volgt gewogen:

Uit het door verweerder in geding gebrachte outputbestand, waarop het e-mailadres van eiseres staat vermeld in combinatie met het Bericht van 10 april 2009, blijkt dat deze lijst is aangeboden aan Procesbeheer Multimedia. Op basis van deze lijst verzendt Procesbeheer Multimedia telkens op vrijdagmiddag na 17.00 uur de betreffende e-mailberichten aan de studerenden. De daadwerkelijke verzending van een e-mailbericht aan een studerende wordt daarmee naar het oordeel van de rechtbank echter niet aangetoond.

De studente verliest het echter toch, maar om een heel andere reden: ze was op 19 mei 2009 naar het servicekantoor van de IB-Groep gegaan waar ze werd gewezen op het bestaan van het omzettingsbesluit van 10 april 2009. Het is een vaste regel dat als je weet van een besluit, je zo spoedig als mogelijk tegen dat besluit bezwaar moet maken. En dat was hier niet gebeurd.

In de tweede rechtszaak liggen de feiten volgens mij precies hetzelfde, maar daar verliest de student.Meelezende postmasters, graag uw commentaar:

Blijkens de door verweerder verschafte informatie is het proces digitale verzending binnen verweerders organisatie zo ingericht dat het outputbestand van het “proces versturen” automatisch wordt ingelezen in een e-mailpakket, “Kanamarketing” geheten, dat per studerende een e-mailbericht aanmaakt. De ingelezen e-mailberichten worden vervolgens aangeboden aan de mailservers, die de e-mailberichten verzenden. In het e-mailpakket zelf wordt gezien of alle e-mailberichten zijn verzonden. Indien e-mailberichten niet worden verzonden, dan wordt dat door middel van een naar nul aflopende teller gesignaleerd en wordt geprobeerd het gesignaleerde e-mailbericht alsnog te verzenden.

Deze werkwijze en de registratie van de controle in het computersysteem zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig klein dat de kans op een fout verwaarloosbaar is. Er was ook geen bounce geregistreerd of andere indicatie dat het bericht onbestelbaar was.

U mag nu gaan gillen:

De door verweerder overgelegde uitdraaien van het outputbestand en het ontbreken van het e-mailadres op de hardbounce-lijst vormen daarbij naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs voor de verzending naar, en ontvangst van het e-mailbericht op, het e-mailadres van de studerende.

Dit is namelijk écht fout: bewijs van verzending is geen bewijs van ontvangst. De HR formuleerde dat in 2004 zo:

Van een onjuiste rechtsopvatting is sprake, indien het oordeel berust op de gedachte dat een juiste adressering en aangetekende verzending op zichzelf voldoende aannemelijk maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden. … Van een onvoldoende motivering is sprake indien het vermoeden dat de brief [eiser] heeft bereikt, alleen is gebaseerd op het gegeven dat de juist geadresseerde brief niet is geretourneerd.

En precies datzelfde lijkt me op te gaan voor e-mail. Sterker nog, juist voor e-mail aangezien het ondertussen wel gemeengoed is dat e-post regelmatig stilletjes verdwijnt in spamfilters tussen verzender en ontvanger.

Wie het verschil snapt, mag het zeggen.

Arnoud

Mag Track en Protect op een gestolen iPhone als bewijs worden gebruikt?

track-protect.pngEen lezer vroeg me:

Ik wil proberen de gestolen iPhone van een vriend terug te halen. De iPhone is voorzien van het programma Track and Protect. Hiermee kan je je telefoon volgen op internet. Het programmaatje zal kennelijk de aanwezige gps gebruiken of de zendmasten in de omgeving om aan te geven waar de telefoon verblijft. Ook zie je onder meer het nieuwe telefoonnummer wat wordt gebruikt, het imsi nummer en de naam van de provider.

Nu vroeg ik me af, stel ik weet hiermee informatie over de dief te achterhalen. Mag ik dat dan aan de politie geven en is dat bruikbaar als bewijs?

Ja, die informatie is bruikbaar als bewijs. In Nederland bestaat het concept van ‘illegaal verkregen bewijs’ niet wanneer het gaat om wat burgers aandragen. Zolang je dus niet in opdracht van Justitie deze acties uitvoert, is het gevonden bewijs bruikbaar in een straf- of civiele procedure.

De Hoge Raad heeft herhaaldelijk uitgemaakt dat bewijs dat burgers verkrijgen langs illegale weg niet zonder meer tot uitsluiting van dat bewijs zal leiden. In 2003 werd dit nog expliciet gesteld door de Hoge Raad. Zolang het OM geen wetenschap of bemoeienis had van dit bewijsverkrijgen, dan is niet-ontvankelijkheid niet aan de orde.

Wanneer je dus bijvoorbeeld in strijd met de wet een verborgen camera hanteert, wil dat nog niet zeggen dat de politie de beelden niet mag gebruiken. Uit een andere zaak:

ook indien [verweerster] aldus een inbreuk op het privé leven van [eiseres] zou hebben gemaakt, dit nog niet betekent dat dit bewijsmateriaal in een procedure als de onderhavige niet mag worden gebruikt.

De advocaat-generaal had daarbij nog het argument dat een ander oordeel er op neer zou komen “dat de weg wordt vrijgemaakt voor daden die achterwege behoren te blijven.” Het Hof Den Bosch oordeelde in 2003 hetzelfde.

In 2005 oordeelde de HR dat het fouilleren door een beveiliger van een winkeldief (na diens aanhouding door de beveiliger) onrechtmatig was. Een beveiliger mag alleen aanhouden bij betrapping op staande voet, maar niet zelf gaan fouilleren. Nu dat toch was gebeurd, had dat wellicht kunnen leiden tot strafvermindering bij wijze van compensatie voor de privacyschending. Er was alleen geen bewijs dat er hier daadwerkelijk nadeel was geleden door de verdachte.

Update (25 maart 2012) in dit arrest vond de HR het geen bezwaar dat een private beveiliger iemand fouilleerde en daarbij softdrugs had gevonden. De arrestatie en het bewijs waren rechtmatig.

De enkele grond dat die particuliere beveiliger de BH van de verdachte heeft opgelicht en aan de binnenzijde heeft bevoeld, tot welke handelingen de gegeven toestemming zich volgens de verdachte niet zou hebben uitgestrekt, kan niet leiden tot bewijsuitsluiting van het resultaat van deze fouillering. Immers, de in het Wetboek van Strafvordering vervatte normering met betrekking tot onderzoek aan de kleding en het lichaam richt zich niet tegen de particuliere beveiliger die een burger aan de kleding onderzoekt.

Ik kan geen uitspraken vinden die specifiek over volgen en bewijs vergaren per computer gaan, maar ik houd me aanbevolen. Ik kan me alleen moeilijk voorstellen dat daar een andere lijn zou worden gevolgd. Update (13:10) 10a van der Linden verwijst in de comments naar een arrest over een particulier die het netwerk van Zeelandnet afzocht en een computer met shared disk met kinderporno aantrof, waarna hij aangifte deed. Het Hof:

Het door een particulier naar aanleiding van een verzoek van de politie vrijwillig aan deze verstrekken van een IP-adres van een computer waarmee men verbinding heeft, is op zich niet onrechtmatig. De instructie van de getuige door de politie over de wijze waarop hij het IP-adres van de computer waarmee hij in verbinding stond op zijn scherm kon krijgen, betreft een eenvoudige reeks van handelingen die bij uitvoering op zichzelf geen bijzondere inbreuk met zich brengt op de privacy van een ander.

Update (11 juli): via ITenRecht vond ik nog een arrest waarin

ook indien het er voor zou moeten worden gehouden dat het door ASR registreren van de aankomst- en vertrektijden van haar werknemers, waaronder [appellant], in strijd is met de Wbp en/of de WOR en dat ASR daarmee onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld” zulks nog niet betekent dat Nova Dia onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door de betreffende gegevens in de onderhavige procedure aan haar vordering ten grondslag te leggen.

De vraag zal eerder zijn hoe het bewijs moet worden gewaardeerd. Hoe weten we dat de T&P informatie bruikbaar genoeg is?

Arnoud

Is TNT Post aansprakelijk voor kwijtgeraakte internetbestellingen?

Een lezer vroeg me

Recent had ik wat besteld bij een webwinkel. Na drie weken had ik het nog niet in huis, en de webwinkel meldde me dat het dan in de post moet zijn kwijtgeraakt. Volgens haar algemene voorwaarden had ik geen recht op vergoeding, ik moest het maar bij TNT Post gaan verhalen. Hoe stel ik nu TNT aansprakelijk?

TNT Post aansprakelijk stellen voor kwijtgeraakte post is erg moeilijk. Wie hun algemene voorwaarden erop naslaat, zie dat ze alleen aansprakelijk zijn voor aangetekende zendingen (50 euro bij post en 500 euro bij pakketjes).

Belangrijker: de Postwet 2009 bepaalt dat TNT niet aansprakelijk is voor kwijtgeraakte post, tenzij deze aangetekend of verzekerd verstuurd is. Of als TNT zelf opzettelijk, roekeloos of grof nalatig heeft gehandeld.

Als consumentklant heb je echter hiermee niets te maken. Je bestelt bij een webwinkel, en die moet het risico dragen dat het pakket kwijtraakt. Bij wie de schuld van het kwijtraken ligt, is voor jou niet relevant: de winkel moet een nieuw pakket opsturen als het niet aangekomen is.

De enige uitzondering is als je zèlf tegen de webwinkel zegt dat TNT goed genoeg is. Als je namelijk zelf een vervoerder aandraagt, kan de webwinkel niet aansprakelijk zijn voor kwijtraken bij gebruik van die vervoerder. Dat is dus niet hetzelfde als TNT uit een lijstje kiezen: je moet echt zelf gemaild hebben “jouw vervoerders zijn me te duur, gooi het maar in de brievenbus” om hieronder te vallen.

Bij een particuliere verkoper ligt het iets moeilijker. Het hangt daar af van wat er besproken is: wie heeft gezegd dat het met de post verzonden kan worden, is er gesproken over kwijtraken of over verzendkosten?

Arnoud