Valselijk voordoen als advocaat

Ok, dit is niet slim. Ene David Scali deed zich voor als merkadvocaat van grote bedrijven, en stuurde websites dreigende brieven wegens merkinbreuk door hun domeinnaam:

According to the FBI, David Scali is charged with registering an e-mail account under an alias and then sending e-mails in which he claimed to be the intellectual property lawyer. In the e-mails, which were sent in late June and early July of 2006, Scali threatened to file $100,000 trademark infringement lawsuits against the owners of various Internet website names unless they gave up their domain name registrations within two days.

De truc was natuurlijk dat hij dan zelf de domeinnaam kreeg, en die zou gaan doorverkopen aan de werkelijke merkhouder. Als er al echt sprake zou zijn van merkinbreuk natuurlijk.

Hij is nu gearresteerd voor fraude, oplichting en het zich voordoen als advocaat.

Via Slashdot.

Arnoud

De pizzaboer op afstand – met vervalste gegevens geplaatste bestelling

Het is een oude truc: bel een paar pizzabakkers en laat ze allemaal een paar dure pizza’s bezorgen bij de buurman. Tegenwoordig werkt die truc meestal niet meer, maar op internet kan het vaak nog wel. Als een site de mogelijkheid heeft om per acceptgiro te betalen, dan kun je in naam van een ander producten bestellen en laten bezorgen, zodat hij met de rompslomp zit. En als hij niet uitkijkt, met een incassobureau ook.

Die buurman riep destijds gewoon heel hard dat hij niks besteld had, waarna de bezorgers mopperend weggingen. Met de pizza’s uiteraard. Alleen, als het gaat om een ongevraagde toezending via internet, dan hebben we een bijzondere wettelijke regeling: die mag je houden en je hoeft niets te betalen.

Een maas in de wet? Je kunt tenslotte op die manier iets bestellen, en vervolgens de incasso afpoeieren door te zeggen dat je niets besteld hebt.

Even terug naar de basis. De winkel zal zeggen dat er toch echt een overeenkomst is gesloten en dat hij heeft geleverd. Dus betalen graag. De ontvanger zal zeggen dat hij niets besteld heeft en dus ook niet hoeft te betalen. De bewijslast ligt dan in eerste instantie bij de winkel: die stelt dat er een overeenkomst is, en dat moet hij dan maar bewijzen. Hij heeft dan een ingevuld webformulier, maar omdat hij met een acceptgiro werkte, is dat erg mager als bewijs dat de ontvanger ook werkelijk dat formulier heeft ingevuld.

Lukt de winkel dat toch, dan moet de ontvanger bewijzen dat hij niet degene was die het formulier heeft ingevuld. Dat kan ook lastig zijn natuurlijk. Is hij onder een ander account al klant bij die winkel, dan kan dat een aardig begin zijn voor zo’n bewijs.

Kan de winkel niet bewijzen dat er een overeenkomst is, dan is er dus geen overeenkomst.

In beide gevallen zal de winkel vervolgens stellen dat hij iets geleverd heeft zonder geldige reden, en dan kan hij dat terugeisen. Onverschuldigd betaald, noemen juristen dat. Artikel 6:203 BW. En daar heeft de ontvanger dus dat artikel 7:7 van het Burgerlijk Wetboek als tegenargument. Het was een niet door hem bestelde zaak (want er was geen overeenkomst), met het verzoek tot betaling van een prijs.

Wat nu?

In het recht geldt een algemene regel: speciale wet gaat boven algemene wet. Hier hebben we een algemene wet die zegt “terug als onverschuldigd betaald”, en een specifieke wet over het mogen houden van toegezonden zaken met een verzoek tot betalen. Die specifieke wet zou dan moeten winnen.

Bovendien is de bedoeling van die specifieke wet om de consument te beschermen tegen zomaar toegezonden artikelen. Het is moeilijk om het verschil te zien tussen een agressieve verkoopactie en een aflevering op grond van een door een grapjas aangegane bestelling. Dus ook daarom zou die specifieke wet de consument moeten beschermen in dit geval, zodat hij het artikel niet terug hoeft te geven.

Een slimme webwinkel laat de klant dus eerst betalen. Dan speelt deze hele discussie niet. De winkel heeft zijn geld, en de ontvanger van het product is óf blij met het bestelde, óf hij kiepert het in de vuilnisbak. Maar dat is niet meer de zorg van de winkel.

Arnoud

Filteren van filesharing: verplichting om de wet te schenden?

Ja, mooie timing. Heb ik net het vonnis gevonden, gaan ze in hoger beroep. Internetprovider Scarlet vindt het dit voorjaar opgelegde vonnis, waarin ze verplicht alle P2P verkeer moeten filteren, niet alleen buiten proportie en technisch onuitvoerbaar maar ook een verplichting om de wet te schenden. ISPam.nl citeert:

1. Scarlet stelt dat in België de telefoontapwet, privacywet en e-commercewet verbiedt dat ISP’s hun netwerkverkeer proactief te screenen, tenzij dat bijvoorbeeld gebeurt in het kader van een gerechtelijkonderzoek en dan enkel voor specifieke abonnees en gedurende een beperkte periode.
2. Scarlet stelt dat het onherroepelijk ook de rechten van abonnees die P2P voor legale doeleinden gebruiken zal moeten schenden. Het filter moet ‘illegale’ P2P activiteiten blokkeren, maar de ervaring van Scarlet is dat zulke filters ook per ongeluk zullen leiden tot het blokkeren van legale P2P doeleinden.

Inderdaad kan het gebeuren dat het filter ten onrechte verspreidingen blokkeert. Dit zal vooral spelen wanneer delen van een beschermd werk rechtmatig worden hergebruikt. Het fragment kan bijvoorbeeld een citaat (art. 15a Auteurswet) zijn, een opname in een podcast-reportage (art. 16a), een parodie (art. 18b) of een incidentele verwerking van ondergeschikte aard (art. 18a) in een ander werk. Maar door het filter zo af te stellen dat alleen bij detectie van een geheel werk de blokkade actief wordt, voorkom je dat probleem wel.

Die “e-commercewet” is de Richtlijn Elektronische Handel, en dat is m.i. het sterkste argument.

Een access provider is in beginsel een doorgeefluik, een mere conduit. Bestanden die haar klanten via P2P verspreiden, zijn afkomstig van de systemen van klanten en passeren slechts de provider op weg naar hun bestemming elders. De bestanden worden niet opgeslagen (gecached) bij de provider. Artikel 12 lid 1 van de Richtlijn elektronische handel bepaalt dat de provider dan niet aansprakelijk is, mits het initiatief voor de doorgifte niet bij de provider ligt, hij de ontvanger niet selecteert en met name hij de doorgegeven informatie niet selecteert of wijzigt.

Door een geautomatiseerd filter te implementeren, komt de provider echter in een positie waarin hij juist wel de doorgegeven informatie selecteert. Het doorgeefluik wordt nu een portier: bepaalde werken worden tegengehouden vanwege een vermoeden van inbreuk op rechten van derden.

Daarmee begeeft de provider zich buiten de veilige haven van artikel 12 Richtlijn en 6:196c BW en kan hij aansprakelijk gehouden worden voor alle werken die zijn klanten toch nog succesvol blijken te verspreiden. En dat is in strijd met het uitgangspunt van de Richtlijn. Een dienstverlener komt voor de vrijstelling voor “mere conduit” in aanmerking wanneer hij op geen enkele wijze betrokken is bij de doorgegeven informatie, zo bepaalt overweging 43. Dat er destijds geen werkbare filters beschikbaar waren, doet daar niet aan af. Er is immers geen voorbehoud gemaakt voor het geval zulke technologie beschikbaar komt.

Men zou nog kunnen stellen dat een filtermaatregel als deze niet te zien is als een ‘selectie’ in de zin van Artikel 12 lid 1 sub c Richtlijn, maar slechts als een maatregel om een inbreuk te beëindigen of voorkomen (artikel 12 lid 5). De provider blijft dan binnen de veilige haven van lid 1. Echter, hij heeft echter nog steeds een probleem. Als het filter niet adequaat blijkt, is dat op zichzelf een grond voor schadeclaims. Daarmee is de provider formeel gesproken wellicht niet aansprakelijk, maar in de praktijk natuurlijk wel.

Een verplichting om een filter als dit in te voeren is verder in strijd met artikel 15 lid 1 van de Richtlijn. Deze verbiedt immers het opleggen van een algemene verplichting tot toezien op informatie of actief zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden. En actief zoeken naar feiten is nu juist wat een filter als dit doet.

Richtlijn 2000/31 biedt alleen ruimte voor een verbod of andere maatregel achteraf, wanneer blijkt dat bepaald materiaal onrechtmatig verspreid wordt (overweging 45). Denk aan het afsluiten van een inbreukmaker of het verstrekken van diens adresgegevens aan de rechthebbende.

Dit geldt ook wanneer het, zoals hier, gaat om een verbod wegens inbreuk op het auteursrecht. Artikel 8 lid 3 van de Auteursrecht-Richtlijn biedt de mogelijkheid om een provider een verbod op te leggen. Echter, een dergelijk verbod kan, zoals blijkt uit overweging 16, geen afbreuk doen aan de aansprakelijkheid zoals geregeld in de E-handel Richtlijn. Een maatregel opgelegd aan een access provider mag dus alleen strekken tot het beëindigen van inbreuk en voorkoming van verdere schade. De verplichting om een filter zoals hierboven beschreven in te voeren, is een preventieve maatregel en zou alleen al daarom niet opgelegd moeten kunnen worden.

Arnoud

DivX en Universal in de clinch over video hosting

Het bedrijf DivX, inderdaad van de video codec, heeft Universal een proces aangedaan om te eisen dat die laatste ophoudt met zeuren over DivX’s Stage6 videodienst, een Youtube-kloon met DivX als videoformaat. Ook deze site krijgt regelmatig te maken met films en muziek die daar zonder toestemming wordt geplaatst. Universal stuurt dan “takedown” verzoeken, meldingen van inbreuk, en DivX haalt de materialen vervolgens weg. Zo werkt de Amerikaanse DMCA, en trouwens ook onze wet.

Universal roept de laatste tijd steeds harder dat dit systeem niet eerlijk is: het was bedoeld voor een enkele onrechtmatige publicatie en niet voor het massaal soort publiceren zoals nu op Youtube of dus Stage6 gebeurt. En daarom kan DivX zich niet verschuilen achter die DMCA. Misschien is dat wel waar, maar ondertussen is het wel de dagelijkse praktijk dat alles mag tot de rechthebbende piept.

Nu heeft Universal behalve dat piepen weinig juridische actie ondernomen. Ars Technica schrijft dan ook

According to DivX, it has complied with every legitimate DMCA takedown request that it has received, and it goes even further than the law requires by using file hashes to block repeated uploads of the infringing content. Assuming this is true, Universal would not seem to have a case, which may be why the company has not yet brought an infringement lawsuit against DivX.

DivX eist nu een verklaring voor recht dat zij netjes binnen de wet opereren, en dat Universal niet moet roepen dat DivX fout bezig is.

Arnoud

Vonnis inzake Sabam vs. Scarlet over filteren door provider

Dit is ongetwijfeld Belgische logica. Met dank aan Edwin Jacobs vond ik dan eindelijk het vonnis inzake de Scarlet-zaak. In dat vonnis werd deze Belgische provider verplicht om inhoudsfilters te installeren, zodat materiaal waarvan de rechthebbenden de verspreiding hebben verboden, niet doorgegeven wordt.

Het opmerkelijke aan dit vonnis was dat het ingaat tegen de wettelijke regeling rond aansprakelijkheid van providers. Die bepaalt immers dat een provider die als “doorgeefluik” werkt, niet aansprakelijk is als hij de informatie niet filtert. Sterker nog, er staat expliciet in artikel 15:

Met betrekking tot de levering van [internet-]diensten leggen de lidstaten de dienstverleners geen algemene verplichting op om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

Nu zou ik zeggen dat een filter moeten installeren een verplichting is. Dat filter controleert alle informatie door te kijken of ze op een grote lijst met verboden bestanden staan. Toezien op de informatie die doorgegeven wordt, lijkt mij. En zo’n filter is behoorlijk actief, je moet er uit jezelf mee aan de slag in plaats van te wachten tot de Buma belt.

Dus hoe kun je dan zeggen dat die verplichting mag van artikel 15? Nou, als volgt:

Que les solutions identifiées par l’expert sont des « instruments techniques » qui se limitent à bloquer ou à filtrer certaines informations qui sont transmises sur le réseau de Scarlet ; qu’elles ne sont pas constitutives d’une obligation générale de surveiller le réseau ;

Een filter is slechts een “technische maatregel” die bepaalde informatie blokkeert of filtert, en dus is een filter moeten installeren geen algemene verplichting tot toezicht of controle. Nee, ik begrijp hem ook niet.

Of wat dacht u van dit juweeltje:

Attendu enfin que les logiciels de filtrage et de blocage ne traitent en tant que tels aucune donnée à caractère personnel ; qu’à l’instar des logiciels anti-virus ou anti-spam, ils sont de simples instruments techniques qui comme tels ne réalisent pas d’activités impliquant l’identification d’internautes

Zo’n auteursrecht-filter is in principe hetzelfde als een virusscanner of spamfilter, en omdat providers die allemaal hanteren, moeten ze niet zeuren als er nog een filter bijkomt.

Maar goed dat Belgisch bier van betere kwaliteit is.

Arnoud

‘Dit pakket is spyware’ is geen smaad

In mei berichtte ik over het bedrijf Zango dat boos was dat hun spyware als spyware werd aangemerkt. Ze deden de anti-spyware industrie een proces aan om te eisen dat hun software van de zwarte lijst ging.

Nu is die eis afgewezen, met een beroep op een oudere Amerikaanse internetwet: de Communications Decency Act. Precies, die ja.

In the important ruling for the anti-malware industry, Judge Coughenour of the Western District of Washington threw out Zango’s lawsuit on the grounds that Kaspersky was immune from liability under the Communications Decency Act, part of which states: “No provider or user of an interactive computer service shall be held liable on account of any action voluntarily taken in good faith to restrict access to or availability of material that the provider or user considers to be obscene, lewd, lascivious, filthy, excessively violent, harassing, or otherwise objectionable, whether or not such material is constitutionally protected, or any action taken to enable or make available to information content providers or others the technical means to restrict access to [such] material.”

In Nederland is er niet zo’n specifieke regeling over aansprakelijkheid van dienstverleners bij het filteren van content. Integendeel, je kunt bij ons alleen wettelijke bescherming tegen aansprakelijkheid claimen als je niet filtert.

Maar zo´n regeling is ook niet nodig. Als ik wil roepen dat software-pakket X spyware is, dan mag ik dat. De grens zit hem in de reputatie van het bedrijf. Als ik die onnodig door het slijk haal, kan ik daarvoor aansprakelijk gesteld worden. De merkenwet (want een bedrijfsnaam is meestal een merk) zegt dat je geen afbreuk mag doen aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. Tenzij je een geldige reden hebt, en kritiek leveren op foute praktijken of een slecht product is een geldige reden.

Hanteer ik duidelijke criteria, en voldoet iemand daaraan, dan heb ik het volste recht om die persoon (of dat bedrijf, of dat pakket) op zo’n lijst te zetten.

Bij personen zou het eerder om smaad gaan.

Arnoud

Wij stellen ons niet aansprakelijk voor de inhoud van deze disclaimer

Burger@Overheid.nl ergert zich aan de ook bij de overheid oprukkende disclaimers, las ik op Nu.nl:

Een afzender kan niet eerst allerlei informatie verstrekken en aan het eind doodleuk vermelden dat de boodschap eigenlijk als niet betrouwbaar moet worden beschouwd”, protesteert de organisatie. “Overheidscommunicatie moet gevrijwaard zijn van dergelijke onnodige voorbehouden.

Het voorstel is om een proclaimer in te voeren: wat beloven en wat doen we wel. Een nuttige zaak lijkt me. Zelf erger ik me ook dagelijks aan domme disclaimers die voor de zekerheid van alles uitsluiten. Ik zou zeggen, je bent aansprakelijk of je bent het niet, en daar horen zes regels tekst op een bordje aan de muur niets aan te kunnen veranderen.

Arnoud

Aansprakelijk bij dieplinken naar Youtube-filmpjes

Een vraag van een lezer:

Youtube geeft je de mogelijkheid filmpjes van anderen te integreren in je site met behulp van de ‘embed’ code. Stel dat zo’n filmpje inbreuk pleegt op het auteursrecht. Kan je dan ook verantwoordelijk gesteld worden door dit op je site te tonen, of enkel de eigenaar van het filmpje?

Ik doe dat ook wel eens, maar alleen als ik weet dat ik geen problemen hoef te verwachten.

Meestal is een hyperlink legaal, behalve in uitzonderingsgevallen. Een link naar een inbreukmakend bestand is zo’n uitzondering, ook als het gaat om een inline link. Kan een zoekmachine nog verdedigen dat zij niet elke link kunnen verifiëren, bij zo’n filmpje ligt dat anders. Je weet dan welke film je linkt, en je kunt dan zonder al te veel moeite inschatten of dat een probleem is. Die Hard 4 wordt vast niet legaal op Youtube aangeboden.

Daar komt nog bij dat zo’n “embed” constructie een inline link is, die iedereen meteen het filmpje laat zien (en met 1 klein trucje zelfs helemaal automatisch). Dat gaat nog weer een stapje verder dan alleen linken naar een pagina bij Youtube.

Je verwerkt dus een film waarvan je zou moeten weten dat deze illegaal aangeboden wordt, in je eigen site om zo je eigen publiek die film te laten zien. Je komt dan wel heel dicht in de buurt van het Indymedia/Deutsche Bahn-vonnis, waarin Indymedia aansprakelijk werd gehouden voor een hyperlink:

Aangezien Indymedia weet dat enkele op haar website geplaatste hyperlinks leiden tot [onrechtmatige publicaties], handelt zij … onrechtmatig jegens Deutsche Bahn door geen maatregelen te treffen om verspreiding van de onrechtmatige informatie te staken. Daaraan doet niet af dat Indymedia, als persmedium, de gewraakte informatie niet tot haar eigen informatie maakt. De vraag welke vorm van hyperlinken wordt gebruikt is in dit verband niet van belang. Doorslaggevend is dat Indymedia het technisch mogelijk maakt en laat de informatie te bereiken.

En heel recent nog in deze zaak:

Het werk is immers als onderdeel van een ander werk weergegeven en als zodanig opnieuw (en zonder toestemming van [eiseres]) geopenbaard.

Ik zou dus zeggen dat wie een Youtube-filmpje in zijn blog of site embedt (opneemt), best aansprakelijk gesteld kan worden als het filmpje zonder toestemming op Youtube geplaatst blijkt.

In de praktijk is het natuurlijk het meest efficiënt om bij Youtube zelf te gaan klagen. Als die de film weghalen, werken al die links er naar ook niet meer. Dus de kans dat je ook werkelijk aansprakelijk gesteld zult worden, is vrij klein.

Arnoud

Het recht om te Hyven/Twitteren/bloggen onder werktijd

Steeds meer mensen bloggen of gebruiken sociale netwerken zoals Hyves, Linkedin, Myspace en Facebook. De meeste daarvan zijn puur voor privé: berichtjes uitwisselen met je vrienden, foto’s delen enzovoorts. Slechts een enkeling (met name Linkedin) richt zich primair op zakelijke netwerken. Toch worden die sites vooral onder werktijd gebruikt. Mag dat eigenlijk wel?

De Britse Trade Union Congress (TUC) heeft onlangs een paper gepubliceerd over sociale netwerken en de relatie tot het werk. Emerce citeert uit de conclusie:

“Dat sommige werkgevers de netwerken blokkereren, is een overreactie,” schrijft de TUC. Ze vindt dat goede werkgevers hun werknemers in ieder geval tijdens pauzes moeten toestaan om sociale handelingen te verrichten op hun Facebook of MySpace profiel. De belangrijkste reden: de netwerken zijn een onlosmakelijk onderdeel van de levens van veel werknemers geworden.

Nederlandse vakbonden hebben zich, zover bekend, nog niet over dit onderwerp uitgesproken, meldt Emerce er nog achteraan. We hebben natuurlijk wel het CBP-rapport Goed werken in netwerken (wat ik al kort noem in mijn gids Bloggen op het werk) en niet te vergeten het proefschrift Wangedrag van werknemers van Miranda Koevoets (2006).

Uitgangspunt is dat je als werknemer een zekere beperking op je vrijheid hebt te accepteren. Je wordt tenslotte betaald om te werken en niet om te twitteren. Maar dat betekent niet dat elk privé-telefoontje verboden is of even je Hotmail checken reden kan zijn voor ontslag. Laat staan dat de werkgever zomaar alle internetverkeer mag monitoren. Het CBP schrijft hierover:

In het algemeen zal een beperkte vorm van privé-gebruik worden toegestaan evenals bij telefoneren gebruikelijk is. In zijn algemeenheid is een totaal verbod op privé-gebruik van e-mail en internet niet aanvaardbaar. Alleen bij communicatiefaciliteiten met een specifieke doelstelling, kan het privé-gebruik verboden worden. De werknemer moet dan wel andere communicatiemogelijkheden ter beschikking hebben.

Overigens zou ook bij een algeheel verbod op privé-gebruik de werkgever nog niet het recht hebben om continue het gebruik te controleren. Dit zou immers een ingrijpende en niet-evenredige inmenging in het functioneren van de werknemers betekenen. Continue controle wordt door de Arbeidsomstandighedenwetgeving dan ook met reden als schadelijk gezien voor de gezondheid en het welzijn van de werknemer en zal in het algemeen ook niet kunnen worden gekwalificeerd als goed werkgeverschap.

En het draait om dat laatste. Een werkgever heeft de taak zich als “goed werkgever” te gedragen. Koevoets komt tot de conclusie (p. 78) dat dit betekent dat de privacy van de werknemer onder normale omstandigheden boven monitoren of loggen gaat. Pas bij een redelijk vermoeden van wangedrag mag de werkgever gaan observeren (zie ook cameratoezicht op het werk). Een essentieel element daarbij is het vooraf bekendmaken van het beleid over monitoren en toezicht.

Heeft de werkgever zo’n redelijk vermoeden, dan mag hij dus een werknemer in de gaten houden om te kijken of het vermoeden bevestigd kan worden. Blijkt na zulk toezicht dat de werknemer inderdaad onrechtmatig bezig is, dan kunnen aldus Koevoets de volgende sancties worden opgelegd:

de officiële, schriftelijke waarschuwing of berisping; overplaatsing; het passeren voor een periodieke verhoging; het intrekken van emolumenten; functieverlaging met de daarbij behorende loonsverlaging; vermindering van vakantiedagen; de schorsing of non-actiefstelling met of zonder behoud van loon; het inhouden van het loon; de boete; opzegging van de arbeidsovereenkomst, opzegging wegens een dringende reden en ontbinding door de kantonrechter, zowel wegens verandering in de omstandigheden, als wegens een dringende reden, als wegens wanprestatie.

De betreffende maatregel dient noodzakelijk te zijn ter beëindiging van de ongewenste situatie.

Arnoud

Conservatoir beslag op domeinnaam

Bram Heerink -mister 112.nl- meldde onlangs:

Ter voorbereiding van het door mij aangekondigde hoger beroep inzake de door mij aan de Staat kwijtgeraakt domeinnaam www.112.nl is door mijn advocaat Q. Meijnen beslag gelegd.

Heerink was de aanvrager van de persoonsgebonden domeinnaam www.112.nl. In mei vonniste de rechter dat hij deze domeinnaam moest afgeven aan de Staat, waar Heerink tegen in hoger beroep gaat.

Beslag leggen is een niet ongebruikelijke procedure als je bang bent dat de wederpartij zich gaat ontdoen van datgene wat jij via een rechtszaak op wilt eisen. In het geval van een domeinnaam bijvoorbeeld door de naam op te heffen of door te geven aan een ander. Iets wat in zaken over .com-domeinnamen nog wel eens wil gebeuren. “Haha, ik heb de naam gisteren aan een Chinees bedrijf overgedaan!”

De SIDN heeft hiervoor een uitgewerkte regeling. Begin jaren ’00 was daar nog de nodige discussie over. Uit de actuele jurisprudentie blijkt dat dit geen probleem meer zou moeten zijn.

Arnoud