Kroes keurt overname Doubleclick door Google goed

De Europese Commissie heeft Google dinsdag toestemming gegeven voor de overname van het online advertentiebedrijf Doubleclick, meldt nu.nl. De grootste advertentieboer en zoekmachine ter wereld kan daarmee haar aankoop van die andere grote advertentieboer afronden.

Uit onderzoek van de Commissie bleek namelijk dat er geen kans was op een beperking van de concurrentie, iets waar de Commissie altijd erg fel op is. De reden is vrij eenvoudig: de twee bedrijven opereren niet in dezelfde markt.

Zoals Emerce schrijft:

Google brengt adverteerders via een zelf ontwikkeld bemiddelingssysteem in contact met gebruikers van zijn zoekmachine en geaffilieerde sites. DoubleClick is een bedrijf dat technologie exploiteert om beeldreclame (banners) uit te serveren.
DoubleClick is met andere woorden niet actief in de markt waar Google groot in is. Door DoubleClick te kopen, verandert er dus niets aan Google’s positie op die markt. En daarom is er geen juridisch bezwaar tegen de overname.

Maar het privacyprobleem daarmee dan? Tsja. Dat behoort niet tot het onderzoeksgebied van de Europese Commissie. Daar moeten andere instanties een uitspraak over doen, maar dat kan pas als blijkt dat Googleclick zich niet aan de strenge Europese wetgeving over privacy houdt.

Poll: wie heeft Doubleclick nog niet in zijn of haar Adblock lijst dan wel /etc/hosts staan? en zo ja waarom niet?

Arnoud

Tweaker kraakt pinbeveiliging USB-stick, mag ik mijn geld terug?

De beveiliging van Corsairs Padlock USB-stick blijkt op eenvoudige wijze te kraken: het solderen van een weerstand tegen een van de chips binnenin de stick blijkt genoeg om de pincodebeveiliging te omzeilen. Dat meldde -wie anders- Tweakers gisteren. Nu is dit soort hardware-hacken volstrekt legaal. Deze keer dan ook een iets andere vraag: als je als koper van zo’n stick bent afgegaan op de belofte van beveiliging, heb je dan nu een juridische claim richting de fabrikant?

Wie iets koopt, heeft zekere verwachtingen van het product. Daar moet het product dan ook aan voldoen (art. 7:17 BW). Een belangrijke vraag daarbij is wat voor mededelingen de verkoper heeft gedaan: je mag er als consument in principe vanuit gaan dat die kloppen en dat het product dus kan wat de verkoper belooft.

De Corsair Padlock wordt aangeprezen door de fabrikant als:

Flash Padlock is the best way to secure your data while on the go. This prevents any unauthorized access or “Brute Force” attack to the data on Flash Padlock. Users can program in a PIN, much like they do for an ATM machine, to lock/unlock their data.

Dat klinkt veelbelovend: het systeem biedt de beste manier om je data te beveiligen en voorkomt elke ongeautoriseerde toegang tot de data. Maar noch de whitepaper noch de app note gaan hier dieper op in. Veel onderzoek kan ik dus niet doen. Ik kan als koper dan ook weinig anders dan het bedrijf op haar blauwe ogen geloven dat dit wel de beste manier zal zijn.

Als het product vervolgens die belofte niet nakomt, dan schendt de verkoper de overeenkomst en op grond daarvan mag ik deze ontbinden zodat ik mijn geld terugkrijg. Normaal moet ik de verkoper eerst de kans geven het product te vervangen of te repareren, maar dat heeft hier weinig zin natuurlijk.

Daar staat tegenover dat deze stick slechts 15 euro kost. Hoeveel beveiliging mag je daarvoor verwachten? Bij een fietsslot van 15 euro moet ik ook niet gek staan kijken als mijn fiets op zeker moment toch weg is. Ik mag niet verwachten dat mijn fiets met zo’n fietsslot tegen elke fietsendief bestand is, ik moet weten dat dat soort lui met accu-aangedreven slijptollen rondloopt en daarmee alles openkrijgt.

Maar gaat dat verhaal voor pinbeveiligingen op USB-sticks ook op? Lastige vraag. Wat weet de gemiddelde koper van USB-sticks over de mogelijkheden en onmogelijkheden van beveiliging?

Wat vinden jullie? Behoor ik mijn geld terug te krijgen nu deze stick zo slecht beveiligd blijkt, of had ik moeten weten dat je voor 15 euro weinig veiligheid koopt?

Arnoud

Overeenkomst bewijzen met behulp van voicelog

Hoe bewijs ik wat ik gezegd heb, vroeg een lezer zich af:

Het enige bewijs van een overeenkomst tussen mij en het bedrijf is een geluidsopname van een telefoongesprek. Wanneer het bedrijf zich bij een potentieel conflict met mij zou beroepen op die geluidsopname, en ik in dat geval ontken dat dat mijn stem is, in hoeverre zal een rechter dan de geluidsopname als authentiek beschouwen en er dus bewijskracht aan toekennen?

Nederland kent bij civiele rechtszaken geen toets of bewijs wel “rechtsgeldig” is. De rechter weegt de verklaringen van de partijen (en hun deskundigen) af en concludeert dan of hij de opname als echt ziet. Het bedrijf zou een onafhankelijk instituut zoals TNO de opname kunnen laten onderzoeken op bijvoorbeeld knip- en plakwerk. Maar dat toont nog steeds niet aan dat de opname echt van de gedaagde is natuurlijk. Het kan ook best een stemimitator zijn.

De rechter kan echter vrijwel altijd op meer afgaan dan alleen een voicelog. Het bedrijf heeft waarschijnlijk iets geleverd of gepresteerd, omdat zij dacht dat er een geldige overeenkomst was. Nu kan het best dat het bedrijf ongelijk had, maar waarom heeft de andere partij dan nooit aan de bel getrokken?

Als je elke maand de Donald Duck krijgt toegezonden, is het nogal vreemd als je die gewoon houdt zonder ooit te informeren hoe dat zit. Hoewel dat natuurlijk ook geen keihard bewijs is (zeker niet bij koop op afstand), kan het voor de rechter wel de doorslag geven.

Ook kan de rechter kijken naar de betalingsgeschiedenis: is er elke maand betaald en gebruik gemaakt van de dienst? Heeft de gedaagde e-mails verstuurd vanaf het betaalde account dat hij nu ontkent ooit te hebben aangeschaft? Is het telefoonnummer vanaf waar gebeld is, toegekend aan de gedaagde volgens diens telecomprovider?

De theoretische kans dat een stemimitator de boel wilde flessen, is dus niet genoeg om onder een overeenkomst uit te komen.

Een betere manier is je eigen telefoongesprekken opnemen. Dat is geen computercriminaliteit. Publiceren van die gesprekken kan een schending van de privacy van de andere persoon zijn, maar als je in het kader van een rechtszaak laat horen wat er gezegd is tijdens het gesprek, dan is daar niets mis mee. Als er dan twee verschillende opnames op de zitting te beluisteren zijn, is het wel duidelijk dat er iets niet klopt.

Arnoud

Jazz op Youtube – de rechten van een gefilmde band

Een muzikale lezer vroeg zich af hoe het zit met filmopnames van de optredens van zijn band:

Wij zijn een amateurjazzband die regelmatig optreden in café’s. Gewoon voor onze lol. Nu zien we soms mensen met hun telefoon of zelfs met een echte camera ons filmen. Prima hoor, maar nu vroegen we ons af, stel iemand zet zo’n filmpje op YouTube. Hebben wij daar wat over te zeggen? En als wij zo’n filmpje toevallig vinden en we linken ernaar, geven we dan onze rechten op?

De band heeft als uitvoerend artiest het ‘naburige recht’ op de uitvoering. Iemand mag die niet op TV uitzenden of op Youtube zetten zonder hun toestemming. Filmt iemand uit de band het zelf, dan is er uiteraard niets aan de hand.

Laat je iemand filmen, dan heb je die iemand toestemming gegeven. De vraag is of onder die toestemming ook viel dat hij het op Youtube mocht zetten. Als hij dat vooraf aankondigde, of hij staat bekend als iemand die films op internet zet, dan heb je die toestemming gegeven als je hem laat filmen.

Zie je ineens een filmpje van jezelf, dan kun je besluiten achteraf alsnog toestemming te geven. Door ernaar te linken met een positief commentaar erbij lijkt het me dat je toestemming geeft.

Een ander punt is de rechten van derden. De componist en tekstschrijver hebben auteursrecht op het werk dat de band uitvoert. Hiervoor heeft de band dus weer toestemming nodig. Speelt de band eigen werk, dan is er ook hier niets aan de hand. Zitten componist of schrijver bij Buma/Stemra, dan moet je van hen die toestemming krijgen voor publicatie op Youtube.

Arnoud

In eigen tijd gemaakte software kan toch van uw baas zijn

Een oud gezegde luidt: als je van je hobby je werk maakt, heb je geen hobby’s meer. En je bent ook nog het auteursrecht op je hobbywerk kwijt, zou ik daar aan willen toevoegen. Veel mensen denken, als je iets in privétijd maakt met je eigen materiaal, dan heeft je baas daar niets over te zeggen. Maar dat is niet waar.

In een recent vonnis (update 2/7: LJN BD5822) las ik over een werkgever (het ministerie van Binnenlandse Zaken) die werd verrast door een aantal copyright notices, aangebracht door een ontevreden werknemer in de uitvoer (HTML-pagina’s) van een aantal webapplicaties. Die werknemer was namelijk van mening dat de rechten op een deel van de applicatie bij hem lagen, omdat hij gebruik maakte van in eigen tijd ontwikkelde software en bovendien niet schriftelijk opgedragen was dergelijke software te maken. Hij gaf daarbij aan dat

het door hem vermelden van “copyright 2006 X” in de bronvermelding van bovengenoemde producten en het niet beschikbaar stellen van de broncode mede het gevolg is van het feit dat hij, ondanks veelvuldig aandringen, de werkzaamheden waarvan hij vindt dat ze niet binnen de functie vallen, niet als opgedragen taken schriftelijk bevestigd kan krijgen.

Met andere woorden, hij erkende zelf dat hij de opdracht had gekregen. En als je iets maakt in opdracht, ligt het auteursrecht bij je werkgever. Ook als het totaal niet tot je werkzaamheden behoort om het te maken. Je zou de opdracht kunnen weigeren omdat het niet tot je werk behoort, maar als je de opdracht aanvaardt, dan is het deel van je werk en dan liggen de rechten bij je werkgever. Je kunt niet een opdracht van je werkgever aanvaarden en dan auteursrecht op delen van het resultaat claimen.

Zoals de rechter het motiveert in het vonnis:

Het is innerlijk tegenstrijdig om enerzijds te erkennen dat hem (programmeer- en ontwikkel)taken zijn opgedragen als gespecificeerd in zijn eigen e-mail van 13 maart 2006, maar bij uitblijven van de verlangde schriftelijke bevestiging daarvan door zijn werkgever (…) opeens te stellen dat het geen opgedragen taken betrof. Alleen omdat hij meende dat deze taken zijn functie te buiten gingen, heeft hij in dit aldus escalerende arbeidsconflict naderhand opeens gesteld deze als niet langer opgedragen te beschouwen en is hij zich vervolgens op eigen auteursrechten van de applicaties gaan beroepen.

Artikel 7 van de Auteurswet zegt dat de werkgever het auteursrecht toekomt op alles wat je maakt dat past binnen je functieomschrijving. Of dat nu thuis is of op het werk, op je eigen PC of de laptop van de zaak is niet relevant. Wil je dat niet, dan moet je daar goede afspraken over maken met je werkgever.

Zie voor meer informatie mijn Spoedcursus auteursrecht: Eigendom van een beschermd werk.

Je kunt natuurlijk ook een hobby kiezen die niets met je werk te maken heeft. 🙂

Update (23 februari 2011) in hoger beroep bevestigd:

De door [X] verrichte werkzaamheden pasten binnen de genoemde brede opdracht. Met het doorontwikkelen en aanpassen van de software zijn immers applicaties gemaakt die er uiteindelijk toe hebben geleid dat in eigen beheer Handelingen via internet kon worden ontsloten. Met het uitvoeren van deze werkzaamheden zonder enig voorbehoud heeft [X] de opdracht ook aanvaard. Aldus heeft CAS met toestemming van [X] van diens diensten gebruik gemaakt, waarmee is voldaan aan de voorwaarde voor toepasselijkheid van artikel 7 Aw dat de vervaardiging van het werk door de werknemer heeft gestrekt ter vervulling van de dienstbetrekking. Een specifiek op de ontwikkeling van (deze) softwareapplicaties toegespitste opdracht was daartoe niet vereist.

Het werk viel dus met andere woorden binnen de taakomschrijving (“brede opdracht”) en het maakte niet uit dat specifiek deze software was besteld of dat hij zelf ermee was begonnen.

Update (11 november 2013) In een rechtszaak uit september (ander bedrijf & andere werknemer) bepaalt de rechter dat software van een werknemer zijn eigendom is. Dit met name omdat het meeste werk vóór indiensttreding is gedaan en hij als werknemer te weinig heeft veranderd.

Zijn jullie hier wel eens tegenaan gelopen? Of wat voor afspraken heb je met je werkgever over dingen die je maakt en die in de buurt komen van het werk?

Arnoud

Veilig gebruik van open source – de verkeerde vraag

Hoe gebruik ik op een veilige manier open source in mijn product of bedrijf? Dat is een van de meest gestelde vragen aan juristen. Er bestaan veel mythes en onduidelijkheden over open source licenties. Kun je nou wel of niet dynamisch linken met GPL software zonder je eigen software GPL te maken? Mag je open source verkopen of alleen een onkostenvergoeding vragen?

Ik denk alleen dat het de verkeerde vraag is.

“Veilig” betekent in deze context namelijk meestal “zonder dat ik mee hoef te doen aan al die rare open source voorwaarden”. Vaak wordt open source gebruikt als goedkoop alternatief voor een bestaande proprietaire oplossing. Het staat op internet, er zijn geen licentiekosten en het werkt nog beter ook. Mooi zo, in het product er mee. En dan blijkt dat open source wel degelijk licentievoorwaarden stelt. Vaak moet je broncode meeleveren, en soms nog je eigen wijzigingen of uitbreidingen ook. Maar dat was niet de bedoeling! Wat nu, hoe voorkom ik dat mijn harde werk nu gepubliceerd moet worden?

En wie zich die vragen stelt, is fout bezig. Je beschouwt software dan nog steeds als je eigendom, iets waar je zeggenschap en controle over wilt houden. Open source is in die optiek niet meer dan een toeleverancier die gekke voorwaarden stelt.

Open source is veel meer. Open source gaat om samenwerken, om samen innoveren. En samenwerken doe je niet achteraf. Dat is iets dat je plant vanaf het eerste moment. Je moet vooraf bedenken waarover je wilt samenwerken, wat je gezamenlijk wilt ontwikkelen en wat je liever voor jezelf houdt zodat je je product uniek kunt maken of houden.

Kortom, weet waarom je open en gesloten software mixt, en zorg ervoor dat je weet wat je open of gesloten wilt houden.

Arnoud

Afgeluisterd tijdens het vogelspotten, mag dat?

Een lezer kwam met de volgende vraag:

Tijdens het spotten van vogels, op een speciale spottersplek, is er iemand die met een videocamera beelden van de vogels opneemt. Echter, deze man neemt ook het geluid op, en publiceert de film met geluidsspoor en al op internet. Nu wordt er op die spottersplek niet alleen over vogels gesproken, maar ook vaak over allerlei andere zaken waaronder ook wel eens over privédingen. Het is ook niet zo dat deze man even 5 minuten filmt maar soms uren achter elkaar. Menig bezoeker is inmiddels niet meer zo blij met het geluid bij die filmpjes. Mag deze man die video’s met geluid zomaar op internet zetten of kunnen wij hier wel degelijk wat van zeggen?

Het heimelijk opnemen van gesprekken waar je geen deelnemer aan bent, is een strafbaar feit (zie art. 139b lid 1 Wetboek van Strafrecht). Het publiceren van zo’n illegale opname dan natuurlijk ook.

Het sleutelwoord is ‘heimelijk’. Als de man duidelijk aangeeft dat er gefilmd en opgenomen wordt, of je ziet dat meteen als je op de plek komt, dan handelt hij legaal. Het hangt dus een beetje af hoe hij het aanpakt. Als hij (wat ik vermoed) een videocamera met daarop een microfoon gebruikt die hij ergens neerzet, dan handelt hij in principe legaal.

Afhankelijk van de inhoud kan het publiceren van zo’n opname een schending van de privacy van de betrokken personen zijn. Dat hangt af van de vraag of die mensen te herkennen zijn. Bijvoorbeeld omdat namen worden genoemd, of omdat je uit feiten en omstandigheden kunt afleiden wie dit gezegd hebben. In dat geval kunnen de betrokkenen een verbod eisen op publicatie. Een willekeurig ander persoon kan dat niet, omdat die niet kan inschatten of de betrokkene dit als een schending van zijn privacy ervaart.

Arnoud

Kan Wilders’ film preventief verboden worden?

Het kabinet heeft verkend of de anti-Koranfilm van Geert Wilders vooraf kan worden verboden. Dat melden bronnen rond de ministerraad volgens de Telegraaf (via Nu.nl). Maar een voorafgaand verbod is toch censuur, en censuur is toch verboden in Nederland? Niet per se, zoals ook Christiaan Alberdingk Thijm betoogt in zijn column op Nu.nl.

De vrije meningsuiting is niet onbeperkt. Zo is het verboden iemand te beledigen, of smaad of laster over iemand te verspreiden. Je publiceert, en als iemand zich beledigd of belasterd voelt, spant hij een proces aan. Wint hij dat proces, dan krijgt hij schadevergoeding. En misschien moet de publicatie uit de winkel of van de site gehaald worden. Maar dat is iets dat pas achteraf gebeurt.

Niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud van zijn meningsuiting, zo blijkt uit artikel 7 van de Grondwet. Een voorafgaande vergunning mag alleen worden geëist op grond van niet-inhoudelijke criteria. Zo mag het folders uitdelen in een winkelstraat op zaterdagmiddag worden verboden zonder vooraf verstrekte vergunning. Maar dat verbod moet dan voor alle folders gelden: reclame, politieke boodschappen en de Hare Krisna.

Toch blijkt het wel degelijk mogelijk om een uitzending of andere publicatie te verbieden. Hoogleraar Gerard Schuijt schreef in 2003 hierover het artikel Het censuurverbod in de Nederlandse grondwet en de rechtspraak. Een voorafgaand verbod is mogelijk, maar alleen als het gaat om een werk waarvan de strijdigheid met de wet vaststaat. De inhoud moet bekend zijn en getoetst kunnen worden door de rechter.

Pieter Storms verloor hierom ooit een proces aangespannen door iemand die hij met draaiende camera had ‘overvallen’. Hij wilde zijn gelijk aantonen door de ruwe montage van de geplande uitzending aan de rechtbank te laten zien. Na het zien van de beelden concludeerde de rechtbank echter juist dat uitzending onrechtmatig zou zijn. Dit was volgens de Hoge Raad aanvaardbaar.

De rechter kan iemand echter niet verplichten langs te komen met ongepubliceerde beelden om zo te kunnen toetsen of uitzending mag. Schuijt noemt (p. 9) een zaak uit 1993 waarin de eis om een ongepubliceerd manuscript in te mogen zien om te kijken of er iets onrechtmatigs in stond, werd afgewezen. Het enige doel van die eis, aldus de rechtbank, was om gedaagden in de situatie te brengen dat zij voorafgaand verlof nodig zouden hebben voor publicatie. En dat is in strijd met de Grondwet. Wacht maar tot publicatie en kom dan terug, was de boodschap.

Ook vergelijkbaar is de rechtszaak over deel twee van Ayaan Hirsi Ali’s film Submission. Ook hier werd de eis afgewezen om deze film voorafgaande aan uitzending voor te leggen aan de rechtbank of aan een door de rechtbank te benoemen deskundige.

De grondwet is niet de enige plek waar meningsuiting beschermd wordt. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens erkent het recht op vrijheid van meningsuiting “zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.” Maar ook dit Europese grondrecht is niet onbeperkt: er kunnen bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties worden opgelegd, mits deze maar bij wet zijn bepaald, een legitiem doel dienen en niet verder gaan dan absoluut noodzakelijk is in een democratische samenleving.

In dit verdrag staat geen eis dat zo’n voorwaarde of beperking pas na publicatie mag worden opgelegd. In de Wingrove-zaak werd een mogelijk blasfemische film bijvoorbeeld preventief verboden door de Engelse Board of Film Classification, een overheidsorgaan voor filmkeuring. Dit mocht van het Europese Hof voorde Rechten van de Mens, omdat het verbod zou passen binnen de Engelse normen en waarde van de tijd. In de Murphy-zaak werd een radioverbod voor religieuze reclameboodschappen toelaatbaar geacht, omdat de boodschap via de radio een groot publiek in het religieus verdeelde Ierland zou bereiken en daar grote gevolgen zou kunnen hebben.

Bij beide zaken was er echter een wettelijke verplichting om de meningsuiting vooraf te laten keuren door een overheidsinstantie. Een dergelijke club hebben wij niet. Wil je iets op televisie laten verschijnen, dan moet je een omroep zien te overtuigen dat dat een goed idee is. Maar een omroep is geen overheid en mag dus zelf kiezen of ze daaraan mee willen werken. Wil geen enkele omroep het uitzenden, dan is dat helaas voor Wilders – maar geen censuur.

Ook het feit dat zijn film niet past in de Zendtijd Politieke Partijen (de PVV heeft maar 3 minuten zendtijd), maakt het nog geen censuur. De overheid is immers niet verplicht om politieke partijen zendtijd op de televisie te geven.

Het zal er dus waarschijnlijk op neerkomen dat Wilders zijn film op Youtube zal publiceren. Daar is geen toestemming van welk Nederlands overheidsorgaan voor nodig. En zolang Geert Wilders niet vrijwillig met zijn film naar de rechtbank komt om te laten zien wat hij wil vertonen, zie ik niet hoe hem nog vóór publicatie een verbod kan worden opgelegd.

Natuurlijk kan Youtube de film binnen 10 seconden na publicatie blokkeren. De Youtube Community Guidelines verbieden hate speech. Youtube is erg makkelijk in dingen als hate speech aanmerken als er klachten komen. En reken maar dat die er zullen komen.

Ook is het goed mogelijk dat de publicatie tot rechtszaken wegens haatzaaien of godslastering. Beiden zijn namelijk strafbaar: de beledigende uitlating over een groep mensen op basis van godsdienst of levensovertuiging staat in artikel 137c en het aanzetten van mensen tot haat op die basis is verboden in artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht. Een WODC studie uit 2006 hierover concludeert:

Het strafrecht biedt, althans gezien de huidige stand van de jurisprudentie, geen volledige bescherming tegen krenking in de godsdienstige gevoelens. Indien religiekwetsingen nodeloos grievend zijn, uitsluitend het kwetsen als doel hebben en (dus) geen functie hebben in het maatschappelijk debat, behoeft het strafrecht niet tandeloos toe te zien. Ook indien bepaalde kwetsingen de openbare orde serieus in gevaar brengen, bieden de antidiscriminatie-bepalingen voldoende aanknopingspunten voor toepassing.

Er zijn dus genoeg aanknopingspunten om achteraf strafrechtelijke vervolging wegens haatzaaien of discriminatie in te stellen tegen Wilders. Ook kunnen mensen die schade ondervinden als gevolg van de film Wilders hiervoor civielrechtelijk aansprakelijk stellen. En niet alleen schadevergoeding voor belediging of discriminatie, maar ook heel plat voor hun in brand gestoken auto vanwege relletjes die het direct gevolg zijn van de vertoning.

Arnoud

Tiscali VideoClub gaat dicht: credits kwijt?

Een teleurgestelde lezer wees me op het sluiten van de Tiscali VideoClub. Daar werd kennelijk nauwelijks nog gebruik van gemaakt, en dus heeft men besloten om met ingang van 1 april 2008 deze dienst niet meer aan te bieden. Helaas voor mijn lezer. Maar hij zat nog met een stapeltje ‘credits’ van dertig euro. Wat moest hij daar nu mee doen? Want Tiscali schreef:

Let op:
Na 1 april 2008 kunt u geen gebruik meer maken van de Tiscali videoclub. Hebt u nog credits? Maak deze dan op voor 1 april 2008. Na deze datum komen uw credits automatisch te vervallen.

Maar mijn lezer heeft toch echt recht op een vergoeding van de waarde van die credits.

Een duurovereenkomst zoals deze mag je ontbinden als instandhouding niet langer redelijkerwijs gevergd kan worden. Mijn lezer kan moeilijk van Tiscali verlangen dat ze speciaal voor hem die hele infrastructuur in de lucht houden.

Alleen, bij ontbinding moet je wel de schade vergoeden die de wederpartij lijdt doordat je niet nakomt. Dat staat keihard in de wet: artikel 6:277 BW. De lezer had films willen kijken, en daarvoor credits gekocht. Het geld daarvoor is hij nu kwijt, en door de ontbinding per 1 april krijgt hij ook geen films meer te zien. Hij lijdt dus schade, ter waarde van het geld dat hij in de credits had gestoken. Die moet Tiscali hem dus vergoeden.

Arnoud