De aannemer met fototoestel

Een lezer schreef me:

Ik heb een klusbedrijf opdracht gegeven om bepaalde werkzaamheden uit te voeren aan mijn huis en tuin. Er is inmiddels een discussie ontstaan over hoe iets wel en niet eruit zag en ze geven nu aan dat ze overal foto’s van gemaakt hebben. Daar hebben we het nooit over gehad, mag dat zomaar?

Het zou kunnen dat dit in de algemene voorwaarden staat, maar die heb ik nooit gehad. Op de offerte zeggen ze dat die bij de Kamer van Koophandel zijn gedeponeerd, dus moet ik nu daarheen om erachter te komen of ze mijn huis mogen fotograferen?

Ik denk dat het fotograferen in het huis van een klant wel mag, zolang ze de foto’s maar alleen gebruiken voor documentatie van de werkzaamheden en eventuele geschillen. Ze mogen bewijs verzamelen van hoe ze het werk doen, en foto’s zijn prima bewijs.

Publicatie van de foto’s mag niet zomaar. Dat is (omdat het je huis is en dus jou als persoon raakt) een privacyschending. Daarvoor hebben ze apart toestemming nodig, en ik twijfel of die in algemene voorwaarden opgeëist kan worden. De wet eist namelijk “ondubbelzinnige” toestemming, en via algemene voorwaarden kun je hooguit “stilwijgende” toestemming krijgen.

Nog los van het feit dat de AV gewoon als papiertje bij de offerte hadden moeten worden afgegeven, een depot bij de KVK heeft alleen nut als het “redelijkerwijs niet haalbaar” is om ze elke keer uit te delen. Vuistregel: ben je zo groot als Albert Heijn? Zo ja, dan deponeren. Anders gewoon meegeven.

Arnoud

Ik wil mijn aansluitkosten terug!

Een lezer vroeg me:

Sinds 21 april, heeft Tringg een prijsverhoging en een wijziging in de algemene voorwaardev ingevoerd, welke vanaf 1 mei van toepassing is. Zij bieden echter wel de optie, om het contract op te zeggen. Echter, veel Tringg-gebruikers hebben aansluitkosten gemaakt van 35 euro en ook nog eens 10 euro voor nummerbehoud. Hebben wij recht op vergoeding van deze kosten, of kunnen we die vergeten ?

Bij prijsverhogingen of andere nadelige veranderingen in de algemene voorwaarden mag je als consument je contract opzeggen. Dat blijkt uit artikel 7.2 Telecommunicatiewet. Deze “optie” van Tringg is dus gewoon de wettelijk verplichte regeling.

Normaal krijg je dan echter niet je aansluitkosten of nummerbehoudkosten vergoed. Er staat in artikel 7.2 wel “kosteloos”, maar dat gaat alleen over afsluitkosten en eventueel vooruit betaalde abonnementskosten.

Je hebt dus pech, tenzij je binnen de eerste drie maanden van je abonnement zit. In dat geval is het de leverancier namelijk verboden om de prijs te verhogen. Een contractsvoorwaarde van de leverancier dat dat toch zou mogen, is onredelijk bezwarend, want op de zwarte lijst voor algemene voorwaarden staat

[Een beding is verboden als] dat de gebruiker de bevoegdheid geeft de door hem bedongen prijs binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst te verhogen, tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te ontbinden (art. 6:236 sub i BW)

Tringg mag dus alleen de prijs verhogen bij klanten die nog geen drie maanden lid zijn als ze deze de mogelijkheid geeft om het contract te ontbinden (art. 6:265 BW), wat iets anders is dan opzeggen. Bij ontbinden moeten alle tot dusverre gedane prestaties ongedaan gemaakt worden (art. 6:271 BW), iets dat bij gewoon opzeggen niet hoeft. Dat betekent dus dat je je aansluitkosten terug moet krijgen.

Update: in de comments wordt terecht gemeld dat je niet zomaar alle aansluitkosten terug kunt krijgen. Op zijn minst mag men een proportioneel deel houden. Maar je kunt t altijd proberen, ik betwijfel of Tringg deze blog leest. 🙂

Arnoud

Mijn provider factureert per drie maanden vooruit, mag dat?

Een lezer wees me erop dat diverse providers niet per maand maar per kwartaal factureren. Zo staat in de UPC voorwaarden:

UPC kan per maand, kwartaal of andere termijnen factureren, afhankelijk van de dienst en het product.

Sinds juli 2009 hebben we artikel 7.2a Telecommunicatiewet, dat regelt hoe een internet- of telefoniecontract met een consument opgezegd kan worden. Kort gezegd: als het abonnement voor onbepaalde tijd is, dan mag je op elk moment opzeggen. Als het abonnement voor bepaalde tijd is, dan mag je na de eerste verlenging steeds per maand opzeggen.

Hiervan mag niet in algemene voorwaarden worden afgeweken, dus als zo’n contract drie maanden opzegtermijn hanteert dan is dat gewoon ongeldig en blijft één maand opzegtermijn gelden.

Dit artikel sluit echter niet uit dat je een verlenging voor langere termijn dan één maand krijgt. Op zich is het dus legaal om iemands contract per jaar of kwartaal te verlengen – mits hij er maar per maand vanaf kan. Heb je vooruit betaald voor perioden van na de opzegging, dan moet je dat geld terugkrijgen. Maar ik zie niet hoe je kunt verbieden dat je per drie maanden moet betalen.

Arnoud

Tele2′s bedrijfsbeleid versus de wettelijke informatieplichten

tele2-gold-contract-afstand-informatieplicht.png“Sorry, dat is niet ons beleid”. Krijgt u ook al jeuk bij deze zin? De Eindhovense kantonrechter kennelijk wel, want vanwege dat argument kon een consument van zijn televisiecontract met Tele2 af. Het telecombedrijf had namelijk niet de verplichte informatie over opzeggen van op afstand gesloten contracten meegestuurd. Volgens de wet heb je in dat geval maximaal drie maanden om op te zeggen, maar die grens vond de kantonrechter onredelijk omdat Tele2 structureel niet aan die informatieplichten voldeed.

Tele2 had de rechtszaak aangespannen omdat een consument-klant de rekeningen voor geleverde digitale televisie niet had voldaan. De klant verweerde zich echter met het argument dat hij nooit had gekregen wat hij had besteld. Hij had namelijk bij het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk gevraagd om een tweede decoder, omdat zijn zoon rolstoelgebonden was en graag op zijn kamer digitale televisie wilde kunnen kijken.

Alleen: het bleek technisch niet mogelijk om twee decoders op één abonnement te hangen (meelezende tweakers: welk alternatief is er wel voor vader en zoon?). Tele2 leverde dus gewoon één decoder, en stelde verder dat ze niet wist van een bestelling met twee decoders. Vervolgens eiste ze natuurlijk de abonnementskosten op.

Maar hoe had vader dat moeten weten, overweegt de rechter: er was geen bevestigingsbrief gestuurd waarin stond dat er één decoder geleverd was en dat Tele2 daarmee meende aan de overeenkomst te hebben voldaan. En die bevestigingsbrief is nu juist bedoeld om de consument voor te lichten over wat er afgesproken is – en hoe hij daar weer vanaf kan als hem dat niet bevalt. Dat blijkt uit het Martin Martin-arrest (C-227/08) van het Europese Hof.

Op grond van dit arrest is de rechter streng voor Tele2. Het bedrijfsbeleid om nooit een bevestigingsbrief te sturen doorkruist de bedoeling van de Europese wetgever, en dat kan echt niet door de beugel. Daarom mag de consument-klant toch gewoon (én kosteloos) van de overeenkomst af, zelfs nu er meer dan drie maanden verstreken zijn tussen bestellen en opzeggen. De wet (art. 7:46d lid 2 BW) zegt weliswaar dat als het bedrijf de informatieplicht schendt, de consument geen zeven werkdagen maar drie maanden krijgt om op te zeggen, maar in dit geval is een langere termijn redelijk.

Zo ook trouwens de Zwolse kantonrechter in een andere zaak.

Mooie vonnissen, maar ik slaak toch een cynische zucht: zou Tele2 nu haar beleid gaan aanpassen? Ik betwijfel het. Acceptgiro’s kosten ook nog steeds geld, en de kleine lettertjes van Canal+ vereisen nog steeds een vergrootglas.

Arnoud

Ik wil niet aansprakelijk zijn voor kwijtgeraakte bestellingen!

Een lezer vroeg me:

In de afgelopen weken is het me nu al een paar keer overkomen dat een klant klaagt dat hij zijn bestelling van mijn webshop niet ontvangen heeft. Om kosten te sparen verstuur ik alles gewoon met TNT Post. Mijn ervaring is dat dat eigenlijk altijd goed gaat, dus ik wil mijn klanten niet op kosten jagen door een dure vervoerder te gebruiken of alles aangetekend te versturen. Maar na deze ervaringen vraag ik me af of dat nog wel een slimme gedachte is. Hoe kan ik dit oplossen? Zou ik bijvoorbeeld in mijn algemene voorwaarden het risico bij de klant kunnen leggen als hij een goedkope verzending wil?

Dit is een lastig probleem waar veel webwinkels mee worstelen. Hoofdregel is: de winkel is verantwoordelijk voor aflevering van de bestelling bij de consument-klant (art. 7:11 BW).

Deze verantwoordelijkheid kun je niet bij de klant leggen, ook niet met een slim geformuleerde algemene voorwaarde. De énige uitzondering is wanneer de klant zelf expliciet om een bepaalde vervoerder vraagt; alleen dan mag je het pakket op zijn risico laten bezorgen.

Gebruik je dus een goedkope vervoerder, dan neem je het risico dat er pakketjes kwijtraken en dat je dat zult moeten vergoeden. Je hebt drie opties om om te gaan met dit risico: 1) een dure vervoerder gebruiken met garantie van levering 2) een verzekering tegen kwijtraken 3) het risico nemen en kwijtgeraakte pakketjes uit eigen zak betalen

Als je bang bent dat je klanten valselijk gaan zeggen dat je pakketjes niet aankomen, dan zou ik voor optie 1 kiezen. Een vervoerder als DHL vraagt altijd een handtekening, daarmee dek je het risico af.

Arnoud

Ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden (gastpost)

Vandaag weer een gastpost van Remko S.

Vorige maand publiceerde de Raad voor de rechtspraak een rapport waarin zij de rechterlijke macht in Nederland adviseert hoe zij de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek over algemene voorwaarden zo kan interpreteren dat deze in overeenstemming zijn met de Europese regelgeving. Volgens deze richtlijnconforme interpretatie dienen rechters de hen voorgelegde overeenkomsten met consumenten op eigen initiatief te controleren op onredelijke bedingen en deze buiten toepassing te laten. Een tot nu toe veel gehanteerd beding springt daarbij in het oog: het boetebeding, onder andere veel gehanteerd door telecomaanbieders.

Algemene voorwaarden volgens het BW en richtlijn 93/13/EEG<br/> Kort nadat het huidige Burgerlijk Wetboek was ingevoerd werd richtlijn 93/13/EEG over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten van kracht. Hoewel de definitie van een mogelijk onredelijk beding anders is, gaat deze richtlijn over vrijwel hetzelfde onderwerp als afdeling 6.5.3 BW: algemene voorwaarden. Deze richtlijn had 15 jaar geleden voor altijd naar de achtergrond moeten verdwijnen door omzetting in de nationale wetgeving, maar is nu weer op de voorgrond getreden doordat de wetgever destijds ten onrechte van mening was dat het BW geen aanpassing behoefde.

Om te beginnen schrijft de richtlijn voor dat de lidstaten dienen te bepalen dat onredelijke bedingen in overeenkomsten de consument ‘niet binden’ (art. 6 lid 1 Rl), het BW zegt dat deze bedingen vernietigbaar zijn (6:233 BW). Het woord ‘vernietigbaar’ geeft al aan dat de rechter niet spontaan een beding vernietigt, maar dat de wederpartij hierop een beroep zal moeten doen.

Het Europees Hof van Justitie legde al in 2000 uit waarom de rechter wel ambtshalve (lees: spontaan) zou moeten toetsen:

In geschillen betreffende kleine geldvorderingen kunnen de advocatenhonoraria hoger zijn dan het gevorderde bedrag, hetgeen de consument ervan kan afhouden zich te verweren tegen de toepassing van een oneerlijk beding. Volgens de procesregels van tal van lidstaten mogen particulieren in dergelijke geschillen weliswaar zelf verweer voeren, doch bestaat er een niet te verwaarlozen gevaar, dat de consument met name uit onwetendheid geen beroep doet op het oneerlijke karakter van het beding dat hem wordt tegengeworpen. Bijgevolg kan een doeltreffende bescherming van consumenten enkel worden bereikt, indien aan de nationale rechter de bevoegdheid wordt toegekend om een dergelijk beding ambtshalve te toetsen. (C-240/98 t/m C-244/98, Océano & Salvat, punt 26)

Het moet dus niet zo zijn dat een gebrek aan kennis van de wet ertoe leidt dat de consument niet beschermd wordt tegen onredelijke bedingen. Dat gevaar is in Nederland aanwezig omdat niet alle voorbeelden genoemd in de indicatieve lijst van de richtlijn voorkomen op de ‘grijze’ of ‘zwarte’ lijst in het BW. Dat hoeft ook niet per se, oordeelde het Hof van Justitie, mits dan op andere wijze voldoende kenbaarheid van deze lijst voor het publiek word verzekerd. (C-478/99, Commissie/Zweden, punt 22)

Het boetebeding, HR vs. HvJ<BR/> Een van de voorbeelden die voorkomt op de indicatieve lijst met onredelijke bedingen, maar niet in het BW, is het boetebeding:

Bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: <br/> e) de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen;
In het wetsontwerp voor het Burgerlijk Wetboek stond dat een beding waarin de consument, wegens niet-nakoming, word verplicht meer dan de wettelijke schade te vergoeden als vermoedelijk onredelijk bezwarend werd aangemerkt. (OvW Inv., art. 4 sub k) Dit voorstel werd echter ingetrokken omdat men van mening was dat een boetebeding in beginsel een legitieme aansporing is om de aangegane verbintenis na te komen. Eventuele exorbitante boetes konden beter door de rechter gematigd (6:94 lid 1 BW) worden, doch het enkele uiteenlopen van boete en werkelijke schade is hiervoor niet voldoende. (MvA II Inv. bij 6.1.8.18) Hierdoor liggen het BW en de richtlijn op ramkoers.

Over welke er voorrang krijgt sprak de Hoge Raad zich in 2006 uit in de zaak van Meurs die grond pachtte van Newomij. Tussen hen ontstond een conflict over de verhoging van de erfpachtcanon. Meurs betaalde (onder reserve van rechten) de verhoging wel, maar weigerde de akte van constatering te tekenen en verbeurde daarmee een contractuele boete van ” 187.841,10, zijnde tienmaal de canon. Een exorbitant boetebeding, maar de rechtbank en het hof weigerden deze te vernietigen. Zij gaven, in navolging van de parlementaire geschiedenis, er de voorkeur aan om te matigen tot ” 17.042,54. Dit terwijl Newomij geen werkelijke schade had geleden. In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de stelling van Meurs dat een boetebeding eerst aan de richtlijn moet worden getoetst voordat matiging ingevolge art. 6:94 lid 1 BW aan de orde kan komen niet juist was (ro. 3.5.7), en verwierp het beroep.

Afgelopen juni oordeelde het Hof van Justitie echter dat:

De nationale rechter is gehouden, ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Acht hij een dergelijk beding oneerlijk, dan laat hij het buiten toepassing, tenzij de consument zich hiertegen verzet. […] (C-243/08, Pannon GSM/Sustikné Gy??rfi, dictum 2)
Eerst toetsen dus en buiten toepassing laten in plaats van (eventueel) matigen.

Advies Raad voor de rechtspraak bij telefonie a.v.<br/> Dit is dan ook de lijn die de (kanton-)rechters in Nederland zijn gaan volgen. Bijvoorbeeld bij aanbieders van telecommunicatiediensten die, nadat ze een klant hebben afgesloten wegens wanbetaling, het volledige restant van de abonnementsgelden vorderen met een beroep op hun a.v. Onder het BW zou dit meestal wel zijn geslaagd: de afgesloten klant betaalt niet meer dan waartoe hij zichzelf had verplicht. Nu duidelijk is dat de richtlijn voorrang heeft zal het beding worden vernietigd, dat betekent evenwel niet dat de telefoonmaatschappij met lege handen blijft staan, zij heeft nog wel recht op de wettelijke schadevergoeding. Daar het moeilijk is om deze exact vast te stellen zal deze moeten worden geschat.

Voor deze schatting gaf de Raad voor de rechtspraak, die onder andere een uniforme toepassing van het recht tot doel heeft, de volgende formule.

Uitgaande van een looptijd van 24 maanden wordt de schade berekend als:

Schade = restant toestelwaarde + helft van onbetaalde maandelijkse belcomponenten

Waarbij geldt:

Restant toestelwaarde = toestelwaarde x onbetaalde termijnen/24<br/> Belcomponent = maandtermijn ” 1/24 x toestelwaarde

De complicerende factor in deze berekening is een inbegrepen mobiel toestel. Hierover komt een een koop en verkoop op afbetaling (7:1576 lid 1 BW) tot stand, dat de overeenkomst de naam ‘abonnement’ draagt is daarbij niet van belang (7:1576 lid 3 BW). Vervroegd opeisen wegens te late betaling mag wanneer de achterstand twee of meer verschijnen bedraagt (7:1576c BW). Lastig is evenwel dat in telefonie-overeenkomsten gewoonlijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen de door de koper te betalen prijs voor de telefoon en het gebruik van de diensten, deze zullen achteraf moeten worden gescheiden. Doet de telecomaanbieder dit niet en vordert hij het hele bedrag als ‘abonnementskosten’ dan snijdt hij zichzelf in de vingers: de abonnementskosten worden gehalveerd, de aanschafprijs van de telefoon niet.

Enigszins opmerkelijk is het wel dat er nu een generieke formule voor het vaststellen van een schadevergoeding wordt gegeven. Vorig jaar november wees de Hoge Raad het gebruik af van de kantonrechtersformule voor het vaststellen van een schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag en afgelopen februari de daarvan afgeleide XYZ-formule, om dezelfde reden: schadevergoeding dient gemotiveerd te worden vastgesteld. De door het hof ‘s Hertogenbosch gehanteerde, en door de Raad voor de rechtspraak overgenomen, halvering van de ‘belcomponent’ is echter geheel ongemotiveerd.

We zijn er bijna, maar nog niet helemaal<br/> Blijft er nog een verschil over waar niet door de werkgroep op is gewezen: de definitie van een mogelijk onredelijk beding. Volgens de richtlijn is dat “een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld” (art. 3 Rl), of zij is “opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen” zoals 6:231 sub a BW vereist is niet ter zake doende. Hierdoor biedt het BW geen bescherming bij een van tevoren opgestelde eenmalige overeenkomst. Hoewel strikt taalkundig gezien 1 ook een aantal is, blijkt uit de wetsgeschiedenis duidelijk dat afd. 6.5.3 BW betrekking heeft op bedingen die zijn opgesteld om meermaals te worden gebruikt.

Bij de minimalistische aanpassing van het BW aan de richtlijn, naar aanleiding van een inbreukprocedure van de Commissie, heeft de Raad van State hier destijds nadrukkelijk op gewezen, maar uit het nader rapport blijkt dat dit volstrekt langs de minister is gegaan.

Alle van tevoren opgestelde bedingen, met uitzondering van de kernbedingen (art. 4 lid 2 Rl), dienen te worden getoetst. Wanneer een handelaar stelt dat een standaardbeding het voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandeling, dient hij dit te bewijzen. (art. 3 lid 2 Rl)

Digitale handtekeningen op je iPhone

handtekening-zosh-iphone.pngIn Apple’s App Store is een applicatie verschenen waarmee je documenten kunt verzenden met je handtekening eronder, meldde iPhoneclub gisteren. De applicatie, Zosh, zou hierdoor een vervanger kunnen zijn van de fax, dat nog steeds de snelste manier is om ondertekende documenten te verzenden. De patent pending signature tool komt neer op een PDF editor die één ding kan, namelijk een plaatje van je handtekening in een PDF invoegen. Dit “let’s you” (sic) een handtekening zetten met je vinger op je iPhone.

Laat ik de discussie over rechtsgeldigheid meteen voor zijn: ja, dit is rechtsgeldig, en wel omdat de wet helemaal nergens eist dat contracten of formulieren ondertekend worden. Die handtekening is dus een leuk stukje dikdoenerij om een afspraak net wat meer gewicht te geven, maar formeel is het nergens voor nodig.

Deze applicatie kan nut hebben als de wederpartij per se een ondertekend document wil hebben, maar dat is puur en alleen een onderlinge wens waar je al of niet aan toe kunt geven. Maar met wettelijke rechtsgeldigheid heeft dat niet zo veel te maken.

En inderdaad, er staan allemaal regels over elektronische en digitale handtekeningen in de wet. Waarom die er staan, is me nog steeds niet duidelijk, en ik ben nog wel op t onderwerp afgestudeerd. In een cynische bui noem ik ’t wel eens technologiefetishisme, het zo leuk vinden van techniek dat we er allerlei regeltjes voor gaan maken om het “goed te regelen” zonder dat iemand zich nu afvraagt of dit wel geregeld moet worden of waarom.

Arnoud

Wanneer wordt wanprestatie oplichting?

Een lezer vroeg me:

Een tijd geleden kocht ik via Marktplaats een telefoon. Ik had vanaf het begin al twijfels, gezien de advertentie en de status van de verkoper, maar ik wilde de gok toch wagen want de prijs was wel erg mooi. Maar je raadt het al: na betaling hoorde ik niets meer. Eerst nog wat smoezen over ziekte en familieproblemen, maar zelfs dat krijg ik nu niet meer. Ik ben naar de politie geweest, en die zeggen dat dit een civiele zaak is (wanprestatie). Maar hoe lang moet ik nu wachten voordat ik wél aangifte van oplichitng kan doen?

Van oplichting (art. 326 Strafrecht) is sprake als je met slinkse trucs iemand anders geld, producten of iets dergelijks probeert af te troggelen. Het gaat dus niet zozeer om de tijd waarin je aan het lijntje wordt gehouden, maar om de intentie van de verkoper. Die moet de bedoeling hebben gehad om jou je geld afhandig te maken en daarvoor geen product te willen sturen.

Nu is dit lastig te bewijzen. Een lange tijdsduur en verbroken contact kan een aanwijzing zijn, want normale verkopers doen dat zelden en oplichters doen dat vaak. Maar doorslaggevend is het niet, het is denkbaar dat ook een welwillende verkoper ineens van de aardbodem verdwijnt. Dat maakt hem nog geen oplichter, in juridische zin. Update (8 mei 2012) de Hoge Raad bepaalde eerder:

dat het enkele aangaan van een overeenkomst en het vervolgens in gebreke blijven op zichzelf – ook indien degene die de overeenkomst is aangegaan al voorzag niet aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen – niet het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Niet leveren is dus geen oplichting, óók niet als je bij het sluiten van de koop wist dat je nooit zult kunnen gaan leveren. Je moet iets listigs of valsigs doen, bijvoorbeeld vals bewijs dat het product verzonden is aanleveren zodat de klant niet meer weet waar het te zoeken.

Wel heeft hij ondertussen al het geld ontvangen, dat hij nu onder zich houdt en niet wil teruggeven. Je zou kunnen zeggen dat hij dat verduisterd heeft (art. 321 Strafrecht), immers hij verkreeg het legaal maar behoudt het nu wederrechtelijk. Maar ik twijfel of dat opgaat. Als hij namelijk nog steeds meent te kunnen leveren, dan is hij gerechtigd het geld te houden. Pas als de koper hem in gebreke stelt en de koop ontbindt, moet het geld terug. En dan nog: niet terugbetalen van geld na zo’n ontbinding is wederom een contractueel probleem en niet automatisch een strafbaar feit.

De enige echte manier om oplichting aan te tonen, is te laten zien dat er sprake is van een patroon. Eén gedupeerde is waarschijnlijk nog een civiele zaak, tien of honderd gedupeerden geven een vermoeden dat iemand dat met opzet doet. Of dat hij failliet aan het gaan is natuurlijk.

Update (22 januari 2013) zie ook dit arrest met goede samenvatting van de jurisprudentie en een flink aantal voorbeelden van wel en niet bewezen oplichting.

Arnoud

Zit uw creditcard nog in uw portemonnee?

Als u een creditcard heeft, dan moet u namelijk elke dag even controleren hoe het daarmee staat:

4.2 De Card-houder dient minimaal één keer per dag te controleren of de Card nog in zijn of haar bezit is en dient tevens de informatie van [de maatschappij] – waaronder ook het rekeningoverzicht – terstond te controleren.

Dat blijkt uit de algemene voorwaarden (overigens in Ieniemienieletters) die voor VISA, Mastercard en enkele andere bedrijven gelden.

Op zich is het natuurlijk een goed idee om regelmatig te controleren of er geen misbruik van je kaart wordt gemaakt, maar om dat nu als contractsvoorwaarde op te nemen gaat misschien een beetje ver. Zeker nu in de voorwaarden rond misbruik en diefstal staat:

6.1 Als de Card-houder een redelijk vermoeden van misbruik van de Card, de pincode en/of overige gepersonaliseerde veiligheidskenmerken heeft, bijvoorbeeld uit het rekeningoverzicht, dient de Card-houder dit zo spoedig mogelijk telefonisch aan ICS te melden.

en iets daaronder

Uitsluitend indien de Card-houder frauduleus heeft gehandeld of sprake is van opzet of grove nalatigheid aan de zijde van de Card-houder, draagt de Card-houder alle verliezen als gevolg van verlies, diefstal of misbruik … Van grove nalatigheid is in ieder geval sprake indien de Card-houder één of meer verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4, 5.1 en 6.1 niet is nagekomen.

En ja, dat leest u goed: u bent aansprakelijk voor alle onterechte afboekingen die u had kunnen voorkomen als u elke dag uw creditcard-statement zou hebben gecontroleerd.

Nu valt er misschien nog wel een mouw aan te passen omdat je onterechte afboekingen kunt laten storneren (deze voorwaarden hebben het zelfs over “13 maanden na de valutadatum” terwijl ik dacht dat het één maand was). Maar toch denk ik dat het in het algemeen wat te kort door de bocht is om te zeggen “als u niet elke dag uw afboekingen controleert, verliest u elk recht van claimen”.

Arnoud

Hoe bruikbaar is een gespreksopname als bewijs?

Een bewijsmiddel in de vorm van een CD-opname dient met de nodige behoedzaamheid te worden gewaardeerd, aldus de kantonrechter Assen in een ouder maar recent gepubliceerd vonnis. Hoewel je gesprekken mag opnemen en die opnames in beginsel als bewijs bruikbaar zijn, bieden de huidige audio-technieken dusdanig veel mogelijkheden voor vals spel dat de rechtbank niet blind wil varen op wat er te horen was op de CD.

In deze zaak ging het om een vermelding in een bedrijvengids op internet, een onderwerp waarbij bij iedere internetondernemer meteen een belletje “pas op, mogelijke oplichters” zou moeten rinkelen. Het bedrijf met de gids had een ondernemer telefonisch benaderd en opende als volgt:

Goedemiddag, u spreekt met [X] van bedrijfsregister, www.bedrijfsregister.nl. Ik wil nog even een geluidsopname maken van uw opdracht tot vermelding van uw bedrijfsgegevens op onze website”

De ondernemer kon zich echter niets herinneren van zo’n opdracht. Hij ging echter uit van de goede trouw van de beller en kreeg een toezegging dat hem na het gesprek een kopie van het contract zou worden gestuurd. Vervolgens moest hij nog een keer aangeven inderdaad in de gids te willen, waarvan een voicelog zou worden gemaakt als bewijs.

De rechter verwerpt het beroep op de voicelog omdat deze hooguit kan bewijzen dat er gesproken is over een eerdere afspraak, maar niet dat die afspraak is gemaakt. Het gaat om telefonische acquisitie, een techniek waarvan bekend is dat er nogal wat malafide bedrijven gebruik van maken. Een bedrijf dat via dat kanaal te werk gaat, moet dus meer doen om te bewijzen dat zij wel te goeder trouw heeft gehandeld en dat er echt een overeenkomst is. Het risico van misverstanden of onduidelijkheden komt dan ook voor rekening van het bedrijf.

Zo moeilijk is dat trouwens niet, aldus de kantonrechter:

Niet valt in te zien waarom, als daadwerkelijk aansluitend aan een telefonische opdracht een schriftelijke bevestiging wordt toegestuurd, niet wordt verzocht om (een afschrift van) die bevestiging ondertekend retour te zenden.

En nog een leuke opmerking die ik jullie niet wil onthouden:

Overigens en geheel ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat de bij repliek overgelegde CD waarop de geluidsopname zou staan niet uit te luisteren valt; noch op een “normale” cd-speler, noch op een (geavanceerde) computer.

Arnoud