Embedden nu toch openbaar maken?

Weet u nog, die site MyP2P waar je handige hyperlinks naar illegaal doorgegeven televisieprogramma’s kon vinden? Eerst ex part verboden en toen in de echte rechtszaak wegens overmatige complexiteit niet veroordeeld. In hoger beroep heeft het Hof Den Bosch er minder moeite mee (PDF; en is dat een typemachine?). Hoewel MyP2P er niet voor wordt veroordeelt, laat het Hof zich wel ontvallen dat embedded links nieuwe openbaarmakingen zijn.

Een juridisch omgwtfbbq-momentje? Ik weet het niet. De enige onderbouwing die men geeft is

In de rechtspraak en juridische literatuur wordt betrekkelijk eensgezind aangenomen dat een embedded link wel een openbaarmaking inhoudt. Immers, het materiaal is dan te bekijken of beluisteren binnen de context van de website van degene die de link heeft geplaatst, waardoor diegene die de vertoning van het achterliggende werk zozeer “voor zijn rekening neemt” dat dit niet meer als een enkele verwijzing is te beschouwen.

maar welke rechtspraak of literatuur wordt gebruikt, blijft in het midden. Toevallig verscheen zeer onlangs in tijdschrift Mediaforum (2010, 1) een artikel van auteursrechtenadvocaat Dirk Visser over embedden van Youtube-filmpjes. Hij tussenconcludeert:

Het is dus mogelijk om “embedden”, evenals hyperlinken, niet als auteursrechtelijk relevant openbaar maken aan te merken. Het is ook mogelijk, bijvoorbeeld via een bepaalde invulling van het begrip ‘nieuw publiek”, “embedden” wél als (secundaire) openbaarmaking aan te merken, waarbij men uit moet gaan van een functionele benadering van het openbaar- makingsrecht, waarbij vermoedelijk de indruk van het publiek over wie openbaar maakt van belang is. Het Hof van Justitie der EG zal hierover uiteindelijk moeten beslissen.

Visser lijkt er niet aan te willen dat iedere embedding een nieuwe openbaarmaking is, maar houdt voor commerciële sites zoals MyP2P diverse slagen om de arm (de cynische lezer zou zeggen om zijn broodheer BREIN niet in gevaar te brengen) in zijn conclusie. Zijn onderscheid tussen commerciële en private partijen is op zich sympathiek maar verhoudt zich maar moeizaam met de strenge Auteurswet, die dit onderscheidt niet kent. Iets is openbaarmaking of niet, en de al dan niet bedrijfsmatige status van de openbaarmaker is daarbij niet relevant. Pas bij diverse verweren (openbaarmaking in private kring bijvoorbeeld) of bij regelingen van bv. Buma/Stemra wordt dat belangrijk. Maar de vraag of iets openbaarmaking is, moet zonder aanzien des persoons worden bepaald.

Ik heb even zitten zoeken, maar afgezien van de Nieuw Rechts– en Voeljeniksvan-zaken ken ik er geen waar embedden of inline linken als openbaarmaken werd gezien. En die twee zaken vind ik wat te mager om te zeggen dat “betrekkelijk eensgezind aangenomen” wordt dat dit het geval is.

Oh kijk, de advocaat van MyP2P kwam zelf met deze stelling:

In de rechtspraak en juridische literatuur wordt betrekkelijk eensgezind aangenomen dat een embedded link wel een openbaarmaking inhoudt. Immers, het materiaal is dan te bekijken of beluisteren binnen de context van de website van degene die de link heeft geplaatst en door de plaatsing wordt over het algemeen een nieuw publiek bereikt.

Ik neem aan dat hij het dan ook in het verweer zo heeft geformuleerd en dat het Hof dit via copy&paste heeft overgenomen.

Omdat “niet is gebleken” dat MyP2P embedded links aanbiedt, worden ze hiervoor niet veroordeeld. Waarom erover beginnen, denk je dan. Wel is het onrechtmatig om structureel links aan te bieden naar illegaal aangeboden streams met televisieprogramma’s, geen verrassing gezien de Mininova- en Pirate bay-uitspraken.

Arnoud

Geen handelsnaaminbreuk, wel domeinnaaminbreuk

pintaxi-ede.pngHoewel er geen sprake is van handelsnaaminbreuk op de naam van PIN Taxi Eindhoven moet het bedrijf Pintaxi Ede haar domeinnaam www.pintaxi-ede.nl toch afgeven aan de Eindhovense bijna-naamgenoot. Deze opmerkelijke conclusie trekt de kantonrechter Arnhem in zijn vonnis van begin december. Het taxizoekende publiek op internet is groter dan het taxizoekende publiek in de plaatsen waar de twee bedrijven werken, en daarmee kan alsnog verwarring ontstaan.

Handelsnaamrecht (het recht op een bedrijfsnaam) is geografisch beperkt. Twee bedrijven in dezelfde geografische locatie en branche mogen niet dezelfde naam hanteren, en ook geen namen die verwarrend veel op elkaar lijken. Liggen de doelgroepen van de bedrijven echter voldoende ver uit elkaar, dan mogen ze wel dezelfde (of sterk lijkende) namen gebruiken. Bakker Jansen uit Amsterdam kan niets doen tegen Bakker Jansen in Eindhoven (of andersom). Maar komt er een bakker Janssen in Amsterdam bij, dan zal deze zijn handelsnaam moeten aanpassen.

De bedrijfsnamen lijken voor een groot deel op elkaar (“Pintaxi”) en het gebruik van de plaatsaanduidingen is op zich niet genoeg om dat anders te maken. Sterker nog, daardoor wek je juist de indruk dat de bedrijven gelieerd zijn: afdeling Eindhoven en Ede van hetzelfde bedrijf. In deze zaak stond echter vast dat beide bedrijven alleen in Eindhoven respectievelijk Ede opereerden. Daarmee was dus sprake van voldoende geografische scheiding, zodat er geen sprake was van handelsnaaminbreuk door het voeren van de bedrijfsnaam “Pintaxi Ede”. Maar:

Waar in de omgeving van Ede en Eindhoven naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel geen verwarring zal bestaan, kan voor de bezoeker van het web de schijn bestaan dat de bedrijven aan elkaar gelieerd zijn, waardoor daar wel verwarring kan bestaan. Als [verweerder] de domeinnaam wijzigt, zal die verwarring op het web niet meer te duchten zijn.

Volgens mij wordt hierbij buiten beschouwing gelaten dat van ‘verwarring’ alleen sprake kan zijn “in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn” zoals artikel 5 Handelsnaamwet zegt. De verwarring waar het hier over gaat, betreft alleen de zoekresultaten in Google – en volgens mij is de plaats waar je in de Google resultaten staat niet een “plaats” zoals de Handelsnaamwet dat bedoelt.

Ook heeft meegewogen dat Pintaxi Ede nog andere domeinnamen had en kennelijk bereid was om daarop over te stappen (ze heten nu www.12taxi.nl). Ik vermoed dus dat de kantonrechter hier een gemakkelijke pragmatische oplossing zag.

Arnoud

Kroniek van het internetrecht, editie 2009

2009 was weer een druk jaar. In mijn kroniek van dit jaar -die nu officieel een traditie is- hebben we dan ook weer aardig wat trends en opvallende gebeurtenissen. Lees nu alles over de veranderde Telecomwet, waarom trois-strikes er in Frankrijk doorkwam, waar moeders van Hyvende K3-fans zich zorgen over moeten maken, hoe vaak GeenStijl juridisch onderuit ging en wat de rijdende kantonrechter dit jaar voor opmerkelijks vonniste.

Kroniek van het internetrecht, editie 2009.

Arnoud

IViR symposium “Open content and academic publishing” met Lawrence Lessig

Ter gelegenheid van zijn eredoctoraat aan de UvA gaf professor Lawrence Lessig afgelopen zaterdag een lezing over zijn favoriete onderwerp: auteursrecht in de digitale omgeving. Ik was erbij en wil jullie graag laten delen in zijn keynote (slides + voice):

<embed src=”http://blip.tv/play/AYG8qUIC- type=”application/x-shockwave-flash” width=”480″ height=”300″ allowscriptaccess=”always” allowfullscreen=”true”>

Kort gezegd is auteursrecht het grote probleem waar niemand echt over wil discussiëren (de “elephant in the room”). En dat is een probleem, omdat in de digitale wereld de kopie centraal staat en daarmee bijna elke handeling rond een werk auteursrechtelijk relevant is. Lezen van een e-boek vereist bijvoorbeeld het maken van kopieën, al was het maar het zichtbaar maken van de tekens op basis van de PDF. Het verkopen van een boek valt in de analoge wereld onder uitputting, maar in de digitale wereld is dat piraterij.

De auteursrechtelijke situatie is daarmee uit balans en enkel en alleen omdat de technologie veranderd is, niet omdat de wetgever dat zo wilde. Deze balans moet terug. Auteursrecht moet niet worden afgeschaft – bepaalde handelingen moeten voorbehouden zijn, aldus Lessig, om de prikkel te bewaren om werken te maken. Via fair use wordt er een balans bewaard voor twijfelgevallen.

Hoe is deze onbalans ontstaan? Dit komt volgens Lessig door een te eenzijdige focus op wat hij de “paradigm cases” noemt: de schoolvoorbeelden van waar het huidige systeem voor ontworpen is. Dat zijn de professionals die auteursrecht gebruiken om hun dagelijks brood te verdienen, zeg maar Britney Spears in de muziekwereld en Steven Spielberg in de film. Het idee is dat als deze mensen niet genoeg meer verdienen, ze geen nieuwe werken meer zullen maken. Maar niet alle makers hebben dit businessmodel, en dat is iets wat de auteurswet negeert. Veel makers maken werken omdat ze dat leuk vinden, en niet meteen omdat ze er geld mee verdienen. Of ze hebben andere modellen dan afrekenen per kopie.

lessig-uva.pngDeze “amateurs” (niet in de betekenis van “amateuristisch”) bouwen voort op cultuur van anderen. Meer algemeen, culturele uitingen vinden plaats binnen een ecologie. En daar zit het probleem, want de schoolvoorbeelden negeren deze ecologie. En dat is een probleem, omdat alles dat de amateurs zou kunnen helpen ten nadele gaat van de positie van de professionals. Die zullen zich daar dus met hand en tand tegen verzetten (hoi Tim). Met name wanneer het gaat om hergebruik. Juridische obstakels bij het hergebruik van zelfs maar een klein stukje werk zijn zo groot dat zulk hergebruik nauwelijks te regelen is in de overgrote meerderheid van de gevallen. Mede daarom zullen veel werken niet voor de toekomst beschikbaar zijn.

De ecologie van creativiteit moet niet draaien om de incentives zoals de professionals die traditioneel claimden. De “exclusive rights” als uitgangspunt nemen is niet langer praktisch, sterker nog is zelfs schadelijk voor de ecologie. We moeten “stop believing” in het oude verhaal dat exclusieve rechten “gewoon nodig” zijn om creatieve werken te krijgen. Via een mooi certificaat hebben we nu toestemming gekregen van Lessig om officieel dit verhaal in twijfel te trekken.

Bij de vraag hoe het dan wel moet, focuste Lessig alleen op wetenschap omdat dit nu eenmaal het onderwerp van de lezing was. Wetenschap moet kunnen delen. Maar, hoe helpt dat paradigma van exclusieve rechten daarbij? Ze zadelen de wetenschap op met significante kosten maar onduidelijk is hoe ze de wetenschap stimuleren. We moeten altijd blijven kijken naar hoe we de noodzaak daarvoor kunnen beperken waar mogelijk.

Lessig’s voorbeeld hier is Google Book Search, een project waarbij het advertentiebedrijf 18 miljoen boeken inscande en daarbij merkte dat de overgrote meerderheid van de boeken onder auteursrecht valt (slechts 16% publiek domein) maar, afgezien van een kleine 9% van het totaal, de rechthebbenden niet te traceren zijn. Het is dus niet realistisch om hierbij steeds toestemming te vragen – maar om nu 75% van alle ingescande boeken onzichtbaar te maken, is vanuit wetenschappelijk of cultureel oogpunt zeer ongewenst. Na een rechtszaak van de Amerikaanse Authors Guild kwam schikking waarbij 20% van de inhoud van zulke boeken beschikbaar mag komen via Google. De gebruiker kan betalen om de rest van het boek via Google in te zien, bv. via een bibliotheek of bestelling bij een internetboekhandel.

Mooi, zou je denken. Maar dat is het alleen voor de korte termijn (wat Lessig de “static case” noemt). Op de lange termijn is dit zeer vervelend, want bibliotheken (en boekhandels) drijven op volledige toegang, en die is er nog steeds niet. Op de lange termijn moeten we af van die “obsessive permission culture”, die obsessie met permissie zal ik maar zeggen.

Maar hoe? De wet veranderen lijkt hopeloos, gezien alle verdragen en regels en gevestigde belangen waarin deze verankerd zit. We kunnen ons maar beter richten op het invoeren van nieuwe normen, zoals aangegeven in Creative Commons. Dit project dat Lessig ooit bedacht heeft, lijkt al aardig mainstream: de licentieconstructie wordt o.a. overgenomen door Al Jazeera, het Witte Huis en Wikipedia (eindelijk). Een gigantische groei, nu meer dan 350 miljoen objecten onder CC zijn. Een nieuw initiatief binnen CC is de science commons, dat aansluit bij de open access-beweging, waarbij wetenschappelijk werk onder CC gelicentieerd wordt én eenvoudig vindbaar beschikbaar komt.

Met een parallel naar de instorting van de Sovjet-Unie vraagt Lessig zich ter afsluiting af op welk moment (en hoe) we de juristen gaan vertellen dat het huidige auteursrechtenmodel aan het instorten is. Want die blijven hameren op de schoolvoorbeelden en “same rules apply on the Internet” (“wat offline geldt, moet ook online gelden” bij ons). De internetters zouden fout zitten door zomaar rechten te gaan schenden en niet netjes toestemming te vragen. Maar nee, het zijn juist de juristen die niet snappen hoe het zit. Zowel het ophouden van user-generated content als de afschaffing van het auteursrecht (de stroman van de pro-auteursrechtenlobby) is niet acceptabel.

Technologie is niet te stoppen. Hooguit kan deze worden gecriminaliseerd. Het enige effect is dan dat iedereen crimineel wordt en de technologie ondergronds gaat. Maar stoppen? Vergeet het maar.

Arnoud<br/> Foto: Christiaan Alberdingk Thijm.

Welke licentie zit er op jullie reacties?

In een recente discussie wees iemand me erop dat sommige teksten van mijn blog, inclusief reacties, werden geherpubliceerd op een forum. Nu heb ik daar geen bezwaar tegen, want mijn blogposts zijn Creative Commons. Maar hoe zit het eigenlijk met jullie reacties? In die discussie reageerde Alex namelijk:

De reacties van anderen vallen niet onder CC.

en ik kan me voorstellen dat meer mensen hier zo over denken.

Nu kan ik een en ander gaan dichttimmeren met een expliciete licentievoorwaarden bij het reactieformulier, maar dat wil ik niet zomaar eenzijdig besluiten. Vandaar:

  1. Wat was tot nu toe volgens jou als commenter de licentie die je op je bijdragen had geplaatst?
  2. Wat zou je ervan vinden als vanaf nu alle reacties expliciet onder de Creative Commons-Naamsvermelding-Gelijkdelen licentie dienen te worden geplaatst?

Arnoud

Het Weens Koopverdrag is uitdrukkelijk uitgesloten

weens-koopverdrag-boek.jpgVrijwel iedere meelezende jurist zet het standaard in allerlei contracten: “De toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag is uitdrukkelijk uitgesloten.” Maar hoe veel weten waarom, en hoe veel doen het puur omdat het in de modeltekst staat en het artikel 18 (“Overige bepalingen”) er wat substantiëler laat uitzien?

Het Weens Koopverdrag, formeel het Verdrag inzake internationale koopovereenkomsten van roerende zaken van 1980 (in het Engels CISG) was een doorbraak in het internationaal privaatrecht van die tijd: voor het eerst wist je waar je aan toe was als je met een Franse wijnboer of Braziliaanse koffieleverancier zaken deed. Want daar ging het om: internationale koopovereenkomsten, contracten tussen bedrijven voor aanschaf van een fysieke zaak. Voor de bij Amazon.com kopende boekenlezer is dit verdrag dus niet van groot belang; voor de in Spanje wijninkopende webslijter des te meer. Ook als hij via internet de bestelling plaatst.

Uitsluiting van het Weens Koopverdrag lijkt vaak puur een gewoontekwestie, het stond in het template dus laat ik het hier ook maar opnemen. Of misschien een stukje indekken: dan hoef je niet op te zoeken hoe het in dat verdrag werkt maar kun je gewoon ouderwets Nederlandsch recht toepassen.

Heel veel met internetrecht heeft dit niet te maken, hoewel het in veel softwarecontracten ook wordt uitgesloten om te voorkomen dat een overactieve rechter software als een ‘zaak’ en daarmee de licentie als een koop gaat uitleggen. Want stel je voor dat software ineens aan dezelfde kwaliteitseisen als andere producten gehouden gaat worden.

Arnoud<br/> Afbeelding: Bertrams & Kruisinga 2007.

Hoe laat ik minderjarigen lid worden van mijn site?

Een lezer vroeg me:

Ik heb een website met daarop een spel, waarbij je je moet registreren voordat je mee kunt doen. Is het verplicht dat mensen onder een bepaalde leeftijd toestemming van hun ouders vragen om akkoord te gaan met deze voorwaarden? En als dat verplicht is, is het dan voldoende om de (toekomstige) gebruikers bij registratie te laten verklaren dat ze toestemming hebben?

Toestemming is niet altijd nodig, maar als die nodig is dan is het waarschijnlijk niet genoeg om zo’n verklaring op te nemen in het registratieformulier.

Als je onder de 18(!) bent, heb je toestemming nodig van je ouders voor elke juridische handeling, zoals het sluiten van een contract of het lid worden van een website of spel. Doe je dit zonder toestemming, dan kunnen de ouders op elk moment en zonder overleg die handeling terugdraaien. De wederpartij heeft dan pech.

Er is een uitzondering: als het normaal is voor mensen van die leeftijd om die soort juridische handeling te verrichten, dan wordt de toestemming geacht te zijn gegeven. Een twaalfjarige mag dus snoep kopen bij Jamin, en de ouders kunnen dat niet terugdraaien. Koopt die twaalfjarige een bromfiets, dan kunnen de ouders dat wel terugdraaien (zelfs als er al op gereden is en zelfs als de twaalfjarige een vervalst identiteitsbewijs liet zien).

Het is dus de vraag of het normaal is voor jongeren van de leeftijdscategorie bij deze site om dit soort spellen te spelen en zich daarvoor in te schrijven op de site. Bij een Habbo- of Runescape-achtig spel kun je denk ik wel zeggen dat het normaal is voor twaalfplussers om mee te doen. Ze doen het in ieder geval massaal. (Habbo lijkt er vanuit te gaan dat je onder de zestien niet zelfstandig kan/mag beslissen.)

Als je niet op die “normaal voor de leeftijd” criteria wilt vertrouwen, of denkt dat jouw deelnemers wel eens te jong kunnen zijn, dan moet je toestemming vragen. Dat gebeurt vaak met zo’n vakje “Ik ben onder de zestien en verklaar toestemming te hebben van mijn ouders”, maar ik betwijfel ten zeerste of dat genoeg is. Zo’n kruisje is snel gezet, en het bewijst m.i. absoluut niet dat er ook werkelijk toestemming is. Als wederpartij kun je daarop dan ook niet vertrouwen.

Je hebt dus een probleem als website-exploitant. Want webhosters kunnen een identiteitsbewijs opvragen en zo identiteit controleren en de ouders nabellen, maar voor een site-eigenaar is dat volstrekt onpraktisch, zeker bij een gratis dienst.

In de praktijk lijkt dit nooit te spelen (zeker bij gratis sites) maar dat is meer omdat niemand zich er druk om maakt dan omdat het juridisch in orde is.

Arnoud

Over bannen en edits: het forumlid versus het beheer

Vele lezers vroegen me zaken als:

  • Ik ben geband op een forum en nu wil ik mijn berichten verwijderen, hoe dwing ik dat af?
  • Het forumbeheer heeft mijn berichten verwijderd, kan ik eisen dat ze teruggezet worden?
  • Er is geen reglement op ons forum maar toch zegt het beheer dat mijn berichten niet passen, wat nu?

De positie van forumleden en forumbeheer is juridisch bepaald niet duidelijk. Er is wettelijk niets expliciet geregeld, dus je moet dan terugvallen op de hoofdregels uit het recht. Helaas zeggen die niet veel meer dan “je moet redelijk en billijk tegen elkaar doen” (art. 6:2 en 6:248 BW), wat ongeveer net zo praktisch bruikbaar is als “gedraag je” vroeger op de basisschool.

Om veel problemen te vermijden, of in ieder geval te reguleren, is een goed reglement erg belangrijk. Daarin kan het beheer regelen wat wel en niet toegestaan is (bv. wel of geen off-topic discussies, wanneer berichten weggehaald mogen worden, of slowchat toegelaten is, of je mag reageren op spelfouten, noem maar op).

Is er geen reglement, dan is het lastig om te zeggen waar je aan toe bent. In principe bepaalt het beheer wat er wel en niet mag: het is hun server en zij mogen dus bepalen wat de regels zijn. Mag er niet worden gepraat over politiek, dan mag dat niet en kun je geband worden als je het toch doet. Dit volgt uit het XS4All/Ab.Fab arrest, waarin de Hoge Raad bepaalde dat de eigenaar van een server kan bepalen dat hij bepaalde zaken niet wenst te ontvangen (in dit geval ging het om spam maar de regel is algemeen).

Er zitten natuurlijk wel grenzen aan dat recht. Zo kun je regels niet van moment tot moment wijzigen zoals het jou uitkomt als beheer. Je zult wijzigingen moeten aankondigen en mensen de tijd moeten geven om hun gedrag daarop aan te passen.

Een veelgehoorde klacht gaat over berichten verwijderen. Dat kan niet zomaar: niet door het beheer maar ook niet door het forumlid zelf. Het bericht is deel van een discussie, en verwijdering verstoort die discussie. (Als het bericht illegale zaken bevat, dan mag je het natuurlijk wel verwijderen.) Een forumlid kan wel eisen dat zijn naam van berichten wordt gehaald, of dat eventuele tot hem herleidbare informatie (persoonsgegevens) uit de berichten wordt verwijderd.

Berichten aanpassen kan op zich wel toegestaan zijn, mits het dan gaat om kleine wijzigen die de strekking niet aantasten. Bijvoorbeeld hele lappen geciteerde tekst van elders verwijderen of niet ter zake doende alinea’s er tussenuit knippen.

Overigens heeft het forumlid (en niet het beheer) het auteursrecht op die berichten. Het beheer krijgt een licentie om het bericht te publiceren op het forum, maar ook in de RSS feeds en eventuele nieuwsbrieven die aan het forum vastzitten. Die licentie is waarschijnlijk eeuwigdurend, omdat er geen termijn is afgesproken. Dat betekent dat een lid niet zomaar op grond van zijn auteursrecht kan eisen dat berichten eraf gaan, ook niet als hij van het forum verbannen is.

Een forumlid zomaar verbannen kan denk ik ook niet zonder meer. Je zult vooraf aan moeten geven wat de redenen zijn waarop je iemand mag verwijderen, en een waarschuwing vooraf is nooit verkeerd. Je hebt daarna dan immers de reden “luistert niet naar waarschuwingen” en die lijkt me in principe geldig.

Het wordt hoog tijd voor wat specifiekere wettelijke regels of op zijn minst meer jurisprudentie over de relatie beheer-forumlid.

Arnoud

YouTube-filmpje als bewijs van verboden wapenbezit

pistool-youtube.pngEen filmpje van jezelf op Youtube zetten mag, maar het is niet slim om een filmpje van jezelf online te zetten terwijl je een pistool afvuurt. Het hebben van een vuurwapen is namelijk verboden onder de Wet Wapens en Munitie, zo ondervond een Brabander vorige week toen de politie hem kwam arresteren. Nu.nl meldt:

Op het bewuste filmpje is te zien hoe de jongen met een zilverkleurig pistool aan het schieten is in de achtertuin van zijn woning in de wijk Dommelbergen in de Brabantse gemeente. Uit de loop kwam na ieder schot een steekvlam. Later bleek dat de vlammen met een computerprogramma in het filmpje waren gemonteerd.

Het pistool(*) was dus nep, maar ook het bezit van nepwapens is verboden. Het criterium is of ze “voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn” (categorie I-wapen), en dat kan ook best opgaan voor een nepwapen. Als een pistool er op een Youtube-filmpje echt uitziet, dan lijkt het mij dat wel voldaan is aan dit criterium, ook al blijkt achteraf dat het wapen niet kan schieten. Kunnen schieten is namelijk niet belangrijk, het gaat om het kunnen dreigen.

(*) Ik blijf het hilarisch vinden dat een vuurwapen gedefinieerd is als een voorwerp dat “een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie” teweegbrengt. (Wat voor ontploffingen heb je nog meer naast de scheikundige trouwens?)

Waarom het filmpje is verwijderd, is me niet duidelijk. Het zou kunnen dat de jongen het vrijwillig heeft gedaan, maar ik sluit niet uit dat dit is geëist door de politie. Al heb ik geen idee welke wettelijke grondslag men daarvoor zou hebben.

Op zich vind ik het geen slecht idee om Youtube-filmpjes als bewijs van allerlei misdrijven te gebruiken, al blijft het natuurlijk lastig vaststellen wat er nu precies te zien is. Zo weet ik dat de politie weinig doet met mensen die coke snuiven op zulke filmpjes: het snuiven van poedersuiker of bakmeel is immers niet verboden, en bewijs maar eens dat het coke was. Welke misdrijven zou je nog meer mooi kunnen bewijzen met zo’n daderfilmpje?

Arnoud

De blauwe lijst voor algemene voorwaarden

blauwe-lijst-algemene-voorwaarden-onredelijk.pngJullie kennen natuurlijk de grijze en zwarte lijsten van (vermoedelijk) onredelijk bezwarende algemene voorwaarden, maar er is ook een blauwe lijst. Deze lijst, afkomstig uit Richtlijn 93/13/EEG, is een beetje te vergelijken met de grijze lijst. Er staan bedingen op die onredelijk kunnen zijn. Deze blauwe lijst wordt vrij weinig gebruikt in de rechtspraak, maar er staan toch een paar leuke zaken op waar je als consument je voordeel mee kunt doen.

Zo staat er op deze lijst het beding “de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen”. Dat doet denken aan deze blog over zomaar wijzigen van de gebruiksvoorwaarden. De richtlijn verplicht de nationale rechter om ambtshalve (dus ook als er niet om gevraagd wordt) te toetsen of een beding dat op deze lijst staat onredelijk is. Zo’n wijzigingsbeding moet dus hoe dan ook elke keer onder de loep genomen worden. Hoe veel waarde zo’n vermelding heeft, is niet helemaal duidelijk. Uit de conclusie A-G bij dit arrest van de Hoge Raad maak ik op dat het niet zo sterk is als de grijze lijst, waar een automatische omkering van de bewijslast geldt.

Een ander interessant beding gaat over boetes. Op onze grijze lijst staat alleen een beding over opzegkosten (sub i); die mogen alleen als ze een “redelijke vergoeding voor geleden verlies of gederfde winst” zijn. Maar op de blauwe lijst staat

de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen

Dit gaat dus over elke tekortkoming, wat een heel stuk breder is dan tussentijds opzeggen. Dit speelde bijvoorbeeld in deze zaak over een boete van ” 22,69 per dag die een creditcardmaatschappij kon opleggen als je niet meteen de creditcard opstuurde wanneer zij daarom verzochten. De rechtbank vond het idee van een boete als aansporing niet onredelijk, maar had wel bezwaar tegen het feit dat de boete onbeperkt kon oplopen (in casu tot maar liefst ” 17.834,34).

Het boetebeding staat dus in geen enkele verhouding met de hoofdvordering van slechts ” 3.796,03 waarbij ook meegewogen moet worden het feit dat gedaagde kennelijk vanaf 6 september 2004 de kaart heeft gebruikt (zie 2.2 van het tussenvonnis van 4 juli 2007) noch misbruikt. Verder bevredigt de uitleg van eiseres omtrent de noodzaak van het boetebeding niet omdat dit beding, gelet op de aard en inhoud van artikel 12 van de algemene voorwaarden, kennelijk niet van toepassing is bij een reguliere beëindiging conform artikel 11 van de algemene voorwaarden. Aldus is dit boetebeding, waar niet over onderhandeld kan worden, in de wijze waarop eiseres het toegepast wenst te zien onredelijk bezwarend voor gedaagde in de zin van artikel 6:233 aanhef en sub a BW.

Ik krijg nogal eens vragen over boetebedingen bij allerlei websites, dus het is goed te weten dat je daar op zijn minst een punt van kunt maken.

Het verbaast me trouwens dat boetebedingen bij niet-nakoming niet op de grijze lijst staan. Is een boetebeding zo redelijk dan?

Update: zie ook het Eindrapport van de LOVCK-werkgroep van de kantonrechters, waarin men ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden uitwerkt én richtsnoeren (aanwijzingen) geeft over hoe om te gaan met boetes voor tussentijds opzeggen door consumenten (of wegens wanprestatie). Met kritische noot bij NJB.

Heel kort: de schade is = restant winkelwaarde toestel (inclusief BTW) + helft van onbetaalde maandelijkse belcomponenten. Als de telefoonmaatschappij echter de vordering uit eigen wil meteen beperkt tot 75% van de resterende abonnementstermijnen, zal de rechter dit overnemen tenzij de consument specifiek verweer voert.

Arnoud