Indexeringsites en auteursrechten, een spanningsveld? (gastpost)

Vandaag een gastbijdrage van Maarten van Amerongen, student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Deze bijdrage is een ingekorte versie van zijn afstudeerscriptie.

Er zijn honderden websites met een index aan eD2k-links, torrents en NZB’s, er hun aantal lijkt voortdurend toe te nemen. Voor mijn masterscriptie heb ik onderzoek gedaan naar drie P2P netwerken en evenzoveel websites die om verschillende redenen interessant zijn voor de behandeling van de problematiek rond de indexeringsites. Geclaimde massale inbreuken via zulke sites en gestelde miljoenenverliezen voor de rechthebbenden, een actueel probleem wereldwijd met in Nederland een tweestrijd tussen, voornamelijk, auteursrechtenbeschermer Stichting Brein en de beheerders van de indexeringsites. Veel indexeringsites worden door Stichting Brein als eendrachtig en inbreukmakend beschouwd maar de verschillen zijn zoveel interessanter.

In de loop van het afgelopen decennium is de werkwijze van Stichting Brein tegen indexeringsites en hun bezoekers veranderd. Ook de geleerden, rechterlijke macht en overheid lijken niet goed te weten wat men met de indexeringsites aanmoet. Zo haalde rechtenprofessor D.J.G. Visser in een artikel in Computerrecht 2001 de P2P dienst Napster aan. Destijds achtte hij Napster niet aansprakelijk voor auteursrechteninbreuk, wel leverde de dienst een onrechtmatige daad op. In een P2P dienst zónder centrale database zag hij geen probleem, het zijn dan uitsluitend de gebruikers die de auteursrechtelijk relevante handeling verrichten. Nu, enkele jaren later, staat Visser Stichting Brein bij in een procedure tegen de bittorrentindexeringsite Mininova. Een site die slechts torrentbestanden host voor het gedecentraliseerde Bittorrent netwerk en daarbij een streng Notice-and-takedown beleid voert. De inhoud van de procedure Stichting Brein/Mininova veronderstel ik als bekend.

De Stichting Brein voert keer op keer procedures tegen ISP’s of websitehouders om indexeringsites van het internet te krijgen. Hierbij verwijst Stichting Brein maar al te graag naar een paar behaalde matige successen uit het verleden. Relevante uitspraken die de stichting minder behagen worden doodgezwegen. De status van de indexeringsite is hierdoor, mijns inziens onterecht, op een hellend vlak gekomen waarbij de onrechtmatigheid van dergelijke websites dikwijls onterecht en steeds maar sneller wordt aangenomen, veelal door de voorzieningenrechter en zonder degelijk inhoudelijk feitenonderzoek. Een onterechte gang van zaken. Er mag vanuit worden gegaan dat de stichting weliswaar representatief is op het gebied van piraterijbestrijding maar dat hun zelfuitgeroepen expertise en oordeel in redelijkheid niet als waarheid overgenomen mogen worden in rechtelijke procedures. Ze zijn belangenbehartiger met een opinie en géén (onafhankelijk) expert, ook al profileren zij zich wel als zodanig. Een aanwezigheid van medewerkers van Stichting Brein bij doorzoekingen van woningen door de politie naar aanleiding van verdenkingen van intellectuele eigendomsfraude is derhalve volstrekt overbodig en ongewenst voor een deugdelijk onderzoek.

Hoe dan om te gaan met de indexeringsites? Naar mijn opvatting bestaat reeds afdoende wetgeving in de vorm van artikel 6:196c BW om de indexeringsite uit het juridische “grijze gebied” te halen. Een indexeringsite vormt in zekere zin een dienst van de informatiemaatschappij waarbij van de beheerder een vorm terughoudendheid van verlangd mag worden als het gaat om de controle van de inhoud van de door bezoekers geplaatste hashcodes, links of andersoortige data. Controle leidt immers te snel tot een ongewenste vorm van censuur.

In de lijn van de wetsgeschiedenis en jurisprudentie valt op te maken dat een beheerder van een website binnen het kader van de bescherming van artikel 6:196c BW valt indien hij adequaat optreedt bij meldingen van rechthebbenden inzake verwijzingen naar onrechtmatige data. Een dergelijke toepassing van art. 6:196c BW geeft een rechthebbende naar mijn mening in een procedure een sterke positie indien een beheerder weigerachtig blijft om links te controleren en verwijderen.

Het ligt derhalve voor de hand aan te nemen dat een beheerder van een indexeringsite in redelijkheid verplicht is informatie in de vorm van links, torrents, NZB’s etc. te verwijderen zodra hij wordt geïnformeerd door de rechthebbende over de onrechtmatigheid van de bestanden achter de verwijzing. Echter totdat de beheerder is geïnformeerd meen ik te kunnen concluderen dat de -mijns inziens ongefundeerde- klaagbeden van de nationale en internationale rechthebbendenorganisaties over de enorme verliezen die jaarlijks geleden zouden worden als gevolg van het downloaden van auteursrechtelijk beschermd materiaal als gevolg van links die opgenomen zijn bij de P2P indexeringsites, genegeerd kunnen worden. Ik zie in beginsel, en onder voorbehoud van speciale omstandigheden, weinig tot geen juridische problemen in het bestaan van dergelijke sites.

Maarten van Amerongen is student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Zijn scriptie is begeleid door mw. prof. mr. drs. M. de Cock Buning. Na het behalen van zijn masterdiploma ambieert hij een functie in de advocatuur, richting IT/IE.

Privacyschending op website: ook provider aansprakelijk

kleinkindonbereikbaarpuntnl-logo.pngDe website Kleinkind onbereikbaar schendt de privacy van de (klein-)kinderen wiens naam, geboortedatum, woonplaats en dergelijke zonder hun toestemming op deze site waren gezet. Dit levert reputatieschade op voor die kinderen en kleinkinderen. Dat blijkt uit een vonnis van afgelopen donderdag. Opmerkelijk daarbij is de reden om de website-beheerder aansprakelijk te houden: de E-commercerichtlijn zegt dat de bescherming voor providers niet geldt voor privacyzaken.

De site Kleinkind onbereikbaar is bedoeld voor grootouders die hun kleinkind niet meer kunnen zien, vanwege een geschil met de ouders. Wie op die site zijn of haar verhaal kwijt wil, kan dat doen via een speciaal formulier. Na screening door de beheerders wordt het verhaal dan geplaatst. En daarbij werd de volledige naam, geboortedatum, geboorteplaats, woonplaats en nationaliteit, alsmede de naam van de moeder en van de vader van het kleinkind vermeld op een open deel van de website. Dat was ook expliciet de bedoeling:

Door de gegevens van uw kleinkind op internet te publiceren ” dat doet u bij het invullen van de gegevens bij “mijn kleinkind”- komen die gegevens beschikbaar voor zoekmachines, en zo hopelijk bij uw kleinkind of diens omgeving terecht. … Dit werkt het beste als u zoveel mogelijk gegevens ” foto’s, teksten, namen ” invult. Het is hierbij van belang dat u zich realiseert dat dit persoonsgegevens betreft. U bent zelf verantwoordelijk voor wat u invult

Deze manier van werken acht de kortgedingrechter onrechtmatig. Er wordt “op grove wijze inbreuk op de privésfeer van de kleinkinderen en de ouders wordt gemaakt”. Dat bleek ook uit het feit dat de (klein-)kinderen in kwestie in hun dagelijks leven werden aangesproken op wat er op deze site stond. Bovendien:

Ook het gevaar van commerciële belangstelling is niet denkbeeldig. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat de persoonsgegevens interessant zijn voor gerichte reclame, zoals bijvoorbeeld voor mediationdienstverleners, gezien het doel van de website om de verstoorde familierelatie te herstellen.

Maar waarom was de websitebeheerder nu aansprakelijk? Volgens de Wet Bescherming Persoonsgegevens is hij degene die het doel en de middelen voor deze “verwerking van persoonsgegevens” vaststelt. Daarmee is hij de ‘verantwoordelijke’ en daarmee degene die je moet aanspreken als er geen toestemming of noodzaak tot publicatie is. Op zich denk ik wel begrijpelijk: de beheerder screende vooraf en bepaalde wat hij online zou zetten.

Daarmee is denk ik ook wel duidelijk dat deze beheerder geen aanspraak op art. 6:196c BW kan maken; hij biedt niet slechts een platform maar plaatst zelf de berichten.

Update (12:15) de beheerder van de site vroeg me deze reactie van hem toe te voegen:

De uitspraak is inderdaad opmerkelijk. Zeker ook omdat ik NIET de inhoud vooraf, tijdens of achteraf controleer(de). het enige wat ik wel verifieerde is wie ik toegang verleen, met daarbij uitdrukkelijk uitleg over wat wel en niet kan. Dus volgens mij wel bescherming ex. 6:196c.

De rechter vond echter nog een andere reden: de WBP gaat boven de bescherming van internettussenpersonen, omdat artikel 1 lid 5 van Richtlijn 2000/31/EG (waarin deze bescherming is geregeld) expliciet zegt dat deze niet van toepassing is op diensten die onder de privacyrichtlijnen 95/46/EG 97/66/EG vallen. Dat is bij mijn weten de eerste keer dat een rechter deze redenering hanteerde.

In de Martijn-zaak ging ook de privacy boven de bescherming van de beheerder, maar dat was expliciet vanwege het bijzondere karakter van die website. De rechter in die zaak verklaarde dat vereniging Martijn een extra zware verantwoordelijkheid had tegen privacyschendingen: “anders dan wellicht [bij] eigenaren of beheerders van websites die door hun aard niet op dergelijk misbruik en onbedoeld gebruik bedacht behoeven te zijn”.

Maar moeten sitebeheerders zich nu zorgen gaan maken? Ik denk het niet. Het gaat in artikel 1 lid 5 om kwesties in verband met diensten die onder de privacyrichtlijn vallen. Zo’n dienst kan bijvoorbeeld zijn een elektronisch adresboek (telefoongids of e-mailgids). Wie zo’n dienst aanbiedt, kan geen aanspraak maken op de uitsluiting van aansprakelijkheid voor providers. Maar als de dienst zelf niet het verwerken van persoonsgegevens is, dan lijkt dit artikel me niet van toepassing.

Een forumbeheerder die aangesproken wordt op publicatie van iemands naam in een forumbericht bijvoorbeeld kan gewoon de bescherming van art. 6:196c claimen: het bericht moet aangepast maar voor schade is die beheerder niet aansprakelijk. De dienst “online forum” is geen dienst in de zin van de privacyrichtlijn.

Arnoud

“We stellen messenfabrikanten toch ook niet aansprakelijk”

antisteekmes.pngBij discussies over aansprakelijkheid voor makers van software of diensten komt regelmatig de analogie met auto’s of messen langs. “We gaan makers van messen toch ook niet aansprakelijk stellen voor mensen die worden neergestoken”? Ik zit me af te vragen of ik daar niet eens een paar wetten over moet formuleren (“Eerste wet van internetrecht: elke discussie over online auteursrecht bevat een vergelijking met auto’s. Tweede wet van internetrecht: de vergelijking gaat niet op. Derde wet: de helft van de discussie gaat vervolgens

Afijn, een Britse fabrikant was kennelijk zo bang voor claims dat hij een antineerstekmes op de markt bracht. Er zit voorin een soort van inkeping en hobbel waarmee het niet eenvoudig meer is om op iemand in te steken. Groente snijden is geen probleem (kelen ook niet dus, denk ik dan) maar uithalen en steken gaat niet werken: het mes blijft hangen in kleding.

Tsja. Het enge is: als maar genoeg fabrikanten dit soort messen maken, dan wordt de rest vanzelf aansprakelijk vanwege het niet volgen van de algemene trend in de markt.

Via Schneier on Security.

Arnoud

Bij MyCom je voor data recovery… (gastpost)

mycom-jongen.jpgLage prijzen & hoge service, een nieuwe tas of een goed gesprek, je kunt het zo gek niet verzinnen of je kunt er voor naar MyCom. In de reclame van MyCom wordt de ene na de andere mooie belofte gemaakt. Deze creatieve reclameserie gaf mij spontaan een warm gevoel: bij deze winkel moet je zijn!

Nou, niet dus. Een lezer had bij MyCom een externe harde schrijf gekocht die het na enkele maanden begaf. En daarmee leken zijn gegevens ook verloren. Na het goede gesprek kreeg de consument twee opties voorgespiegeld: kosteloze vervanging of een poging om de gegevens veilig te stellen. De verkoper gaf daarvoor als reden dat de verzegeling verbroken moest worden. De poging mislukte en vraagt de lezer zich af of hij toch nog recht heeft op (kosteloze) vervanging.

De vaste lezer weet dat er bij een consumentenkoop vanuit wordt gegaan dat het product non-conform is als het gebrek zich openbaart in de eerste zes maanden na aflevering. En dat je als consument dan altijd recht heb op kosteloos herstel of vervanging. Nou ja, altijd… tenzij er in je voordeel wordt afgeweken, bijna altijd dus.

Data recovery kan erg arbeidsintensief zijn en als gevolg duur. Een ruil van de garantie voor deze dienst is dan behoorlijk in je voordeel. Hiervan kan echter om twee redenen geen sprake zijn. In de eerste plaats is over kosten niet gesproken, zodat de verkoper er vanuit mag gaan dat het hier gaat om een betaalde opdracht. En daarnaast is nog maar zeer de vraag of de technische dienst van MyCom wel dermate veel tijd heeft besteed dat de kosten daarvan hoger liggen dan de aanschafprijs van de harde schrijf.

Het argument van MyCom (dat de garantie vervalt als de verzegeling wordt verbroken) gaat niet op. Verkoper en koper zijn het er samen over eens dat het product niet aan de overeenkomst beantwoorde. En het wetsartikel dat het recht op kosteloos herstel of vervanging regelt, biedt geen mogelijkheid om dat te weigeren als de verzegeling is verbroken.

Ik begrijp de verkoper wel. Die zou een vervangend product geregeld hebben door een beroep te doen op de fabrieksgarantie maar de fabrikant stemt daar niet mee in als het zegel verbroken wordt. En laat dat nu net nodig zijn voor data recovery. Dit verweer gaat echter niet op omdat de koper een beroep doet op de wettelijke garantie en niet op de fabrieksgarantie. Bovendien kan de verkoper op zijn beurt weer een beroep doen op zijn regresrecht. Iets waar verkopers om de een andere reden huiverig voor zijn.

Misschien de volgende keer maar toch weer hardware in de supermarkt kopen?

Update (21:57) de discussie gaat in de comments uitgebreid verder.

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren er van.

Adwords en beschrijvende merken

cruise-travel-advertentie.pngStel, je wilt adverteren op Google voor een bedrijf dat cruisereizen biedt. Wat doe je dan? Dan koop je Adwords voor het trefwoord “cruise travel”. En wat doet het bedrijf Cruise Travel dan? Dat doet je een proces aan omdat je hun merk en handelsnaam misbruikt. Het overkwam het bedrijf Cruise Factory en internetbedrijf Perplex, en op verzoek van hun advocaat Daniel Corbeek mocht ik ze juridisch bijstaan. En ze hebben gewonnen, jeuj!

Eerst maar eens het merkgebeuren. Ik had nogal een boom opgezet over de vraag onder welk artikel van het BVIE je het kopen van Adwords met daarin een merkwoord moest rekenen, maar dat kan “in het midden blijven” aldus de rechtbank in haar vonnis (PDF). De term “cruise travel” is namelijk gebruikelijk in de branche om cruisereizen mee aan te duiden, en daarom kan een merkhouder hoe dan ook niet verbieden dat een concurrent die woorden gebruikt. De bestemming of kenmerken van een concurrerend product mag je altijd aanduiden.

(Zo voorkomt de rechtbank trouwens dat ze straks ingehaald wordt door het Hof van Justitie dat in andere zaken gevraagd is om hier een definitief oordeel over deze boom te vellen.)

Ook het feit dat Cruise Travel als merk alleen een beeldmerk (een plaatje met een meeuw en gestileerde tekst) had, wordt haar tegengehouden. Wat mij betreft een goede zaak – het gebeurt te vaak dat mensen een beschrijvend woord deponeren als plaatje en dan via de achterdeur alsnog een recht op het woord te hebben.

Bij de klacht over handelsnaamgebruik is de rechtbank kort: gebruik van ‘cruise travel’ bij Adwords is geen handelsnaamgebruik. Dit sluit aan bij de Farm Date/Google-zaak uit 2007. Pas als je bijzondere omstandigheden kunt laten zien, bijvoorbeeld als je jezelf aanduidt in de advertenties of op de achterliggende site als een bedrijf genaamd “cruise travel”, dan zou dat anders kunnen worden.

Een juridisch weinig spannend vonnis maar het is natuurlijk wel leuk om bij je “eerste keer” te winnen. 🙂

Arnoud

Van mededeling naar conversatie

Aanstaande vrijdag mag ik spreken bij stichting VOICE over “wat er misging met auteursrecht vanuit de visie van internetters en hoe moet dat anders”. Op dit moment zit ik (om ongerelateerde redenen) in een hotelkamer in Chemnitz, en de viesbruine muren blijken iets minder inspirerend dan ik had gehoopt. Mag ik uw reactie op onderstaand concept?

(Update: zie ook de slides van deze presentatie.)

Understatement van de eeuw: het auteursrecht staat onder druk door internet. Nu is het niet de eerste keer dat een nieuwe technologie als bedreiging voor het auteursrecht (of beter gezegd, de auteursrechthebbenden) wordt gezien. Van drukpers tot radio tot videocassette, elke keer werd de nieuwe technologie als gevaar neergezet ” en elke keer bleek de nieuwe technologie uiteindelijk bijzonder winstgevend voor de rechthebbende.

Internet is echter meer dan een nieuwe kopieertechniek of een nieuw distributiemedium. Of nou ja, de tubes zijn dat misschien wel, maar de manier waarop consumenten met internet omgaan is wezenlijk anders. Internet laat mensen participeren, actief aan de slag gaan met werk. Mensen downloaden, uploaden, remixen, bewerken, becommentariëren, parodiëren en publiceren andermans werk. Mensen die voorheen alleen braaf op de bank de werken consumeerden die hen door de industrie werd aangereikt.

En die mensen vinden dat doodnormaal.

De reactie daarop van de rechthebbenden is echter allesbehalve normaal te noemen: dit is inbreuk, piraterij, het faciliteren van misdrijven en waarschijnlijk ook nog steun aan terrorisme. En het blijft niet bij retoriek. Er worden rechtszaken gevoerd, boetes geëist en sites gesloten waarvan internetters met de beste wil van de wereld niet kunnen begrijpen waarom. Er wordt nu zelfs serieus overwogen om internetproviders een verplichting op te leggen om elk internetpakketje digitaal te fouilleren ” met deep packet inspection en geautomatiseerde controlesoftware elke vermeende schending tegenhouden. Dit kost tonnen per jaar en zal binnen enkele maanden technisch irrelevant blijken, maar dat mag de pret niet drukken.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dan ook niet dat er steeds meer tegengeluiden en -bewegingen ontstaan, waar de diverse “piratenpartijen” de recenste exponent van zijn. De Zweedse piratenpartij is nu de op twee na grootste politieke partij van het land en heeft een zetel in het Europarlement verkregen. En ook in andere Europese landen schieten deze clubs als paddestoelen uit de grond.

Niet dat dit de rechthebbenden en hun vertegenwoordigers ook maar iets overtuigd: integendeel, met name stichting BREIN lijkt in Nederland met een groots offensief begonnen te zijn tegen alles dat downloadt, uploadt of daar hoe indirect ook mee te maken heeft. Maar helpt het? Tot nu toe lijkt het vooral een hoop werk voor juristen op te leveren. Een merkbare “dip” in het up- en downloaden is er niet.

Doorgaan op deze weg acht ik dan ook volstrekt heilloos. Het auteursrecht zoals het nu voor ligt, is dringend aan een grondige herziening toe. Niet aan een volledig afschaffen ” dat is een stroman. We hebben een manier nodig om weer draagvlak te creëren voor de rechten van creatievelingen. De enige manier daarvoor is een ander uitgangspunt van auteursrecht te nemen, dat beter recht doet aan de huidige verhoudingen tussen auteur en gebruiker.

Over de geschiedenis en de grondslagen van het auteursrecht is veel geschreven. Ik zal daar niet nader op ingaan. Waar het om gaat is de praktijk van vandaag, en die is dankzij vérgaande verdragen (met name WIPO 1996 en TRIPS) een model van absolute controle door de rechthebbende. Iemands werk is zijn eigendom en hij beslist dus wie wat daarmee doet. Dat maakt ieder gebruik van een werk verdacht: wat moet dat met andermans spullen? En als ik zeg “ieder gebruik” dan bedoel ik ook echt ieder gebruik. Elke kopie, hoe tijdelijk of technisch bepaald ook, is in beginsel een auteursrechtelijk relevante handeling. Eén van de grootste juridische blunders ooit, wat mij betreft.

Dat model van controle en eigendom werkte prima toen inbreuk vooral enkele professionele partijen betrof en auteurs in hun silo’s werkten. Maar het model stort compleet in wanneer iedere grapjas met een computer aan een perfecte kopie kan komen en daarmee kan doen wat hij of zij wil. En dat is precies wat er nu gebeurt. Zoals Metallica-advocaat Howard King het in de zaak tegen filesharing netwerk Napster mooi samenvatte: “The gumball machine broke and all the gumballs are rolling down the floor.”

Alleen, creatieve werken zijn geen kauwgumballen, en het auteursrecht is geen automaat die bij iedere draai, ieder gebruik, geld zou moeten opleveren. Het is precies die visie die zegt van wel ” ik noem dat het eigendomsdenken ” die verantwoordelijk was voor het gigantisch oprekken van het auteursrecht en de problemen waar we nu mee zitten. Daar moeten we dus zo snel mogelijk vanaf. Maar hoe moet het dan wel?

Het internet draait om samenwerking, om conversaties. Abraham Drassinower publiceerde vorig jaar het artikel “Authorship as Public Address“, waarin precies dit idee als uitgangspunt voor auteurswetgeving wordt gepropageerd. De auteur doet niet slechts een “mededeling aan het publiek” zoals de wet dat nu noemt; hij initieert of participeert in een publieke discussie. En doel van de wet moet zijn om te zorgen dat die publieke discussie op een eerlijke en voor alle partijen werkbare manier blijft lopen.

Deze visie sluit precies aan bij hoe de internetter, voorheen de consument, aankijkt tegen auteursrecht. Voor geld andermans bijdrage aan een conversatie presenteren als je eigen: nee, dat moet niet kunnen. Dergelijk letterlijk verspreiden van werk is en blijft verboden. Maar andermans bijdrage verwerken in je eigen betoog, je eigen werk bouwen op basis van bestaande muziek of films voegt iets toe, en dat moet dan ook niet meer dan doodnormaal zijn.

Arnoud

Frauduleuze auteursrechtenclaims?

Een lezer wees me op een interessant paper over copyfrauds: het onterecht claimen van auteursrechten op werken, meer in het bijzonder op werken die in het publiek domein zijn gevallen.

Copyfraud is everywhere. False copyright notices appear on modern reprints of Shakespeare’s plays, Beethoven’s piano scores, greeting card versions of Monet’s Water Lilies, and even the U.S. Constitution. Archives claim blanket copyright in everything in their collections. Vendors of microfilmed versions of historical newspapers assert copyright ownership. These false copyright claims, which are often accompanied by threatened litigation for reproducing a work without the owner’s permission, result in users seeking licenses and paying fees to reproduce works that are free for everyone to use.

Een Nederlands voorbeeld is deze publicatie van de Beatrijs waar een “© 2001 dbnl” bij staat. Dit is een veertiende-eeuwse tekst, dus deze ligt gewoon in het publiek domein. je vraagt je af waar die auteursrechtclaim vandaan komt.

Een legitieme mogelijkheid is een “vertalers”-auteursrecht. Wie een oude tekst naar modern Nederlands omzet, krijgt een auteursrecht op zijn omzetting omdat daar eigen creativiteit aan toegevoegd is. Maar dat zie ik in dit voorbeeld niet terug, de tekst bevat alleen oud-Nederlands.

Hetzelfde geldt voor foto’s, zoals ik al eerder besprak. Wie een oud schilderij fotografeert of bijvoorbeeld een oude kaart inscant, doet dat normaliter om een zo technisch perfecte kopie te krijgen. Die kopie is dan niet beschermd door auteursrecht, want daar zit geen eigen creativiteit van de fotograaf of scanner in.

Het auteursrechtvoorbehoud van het Nationaal Archief wringt zich in een interessante bocht: weliswaar claimt men overal auteursrechten op, maar de publiek domein foto’s staan op Flickr met een aanduiding “no known copyright restrictions” en dat is dan weer heel netjes.

Het “copyfraud” paper hierboven gaat er vanuit dat al die clubs dit opzettelijk en met boze intenties doen, en maakt zich kwaad omdat er zo weinig aan te doen is. Nu vraag ik me af of er werkelijk vaak sprake is van boze opzet. Menige website heeft alleen een copyrightnotice omdat de webdesigner er eentje in het template heeft gehangen. En auteursrechten claimen is niet automatisch hetzelfde als auteursrechten hebben.

Maar stel nu dat iemand werkelijk ten onrechte een auteursrecht claimt, kun je daar dan iets tegen doen? Ik denk het wel – als je geld gaat eisen op grond van zogenaamde auteursrechtinbreuk maar je hebt die rechten niet, dan is dat een vorm van oplichting. Je neemt immers een “valse hoedanigheid” aan, namelijk die van auteursrechthebbende. En daarmee beweeg je iemand om geld af te geven. De kans dat het Openbaar Ministerie hiervoor gaat vervolgen, lijkt me echter zo goed als nul.

Persoonlijk zou ik dus zeggen, als duidelijk is dat het werk publiek domein is, negeer dan de copyrightvermelding gewoon. Maar daar zit hem natuurlijk de kneep: weet je zeker dat het werk publiek domein is?

Arnoud

Wie is eigenaar van de verenigingswebsite?

hand-in-hand-vereniging-union.pngEen lezer mailde me:

Ik heb lange tijd voor een vereniging geheel vrijwillig de taak op me genomen om de website te onderhouden. De layout en vrijwel alle tekst is van mijn hand (afgezien van nieuwsbrieven en enkele aangeleverde stukken). Nu wil het bestuur echter van mij af, de details zal ik u besparen. Mijn vraag: kan ik nu eisen dat de site offline gaat? Ik zie het namelijk als mijn werk, en als het bestuur van mij af wil, dan gaat mijn site met mij mee weg.

Wie een website maakt, heeft daarop het auteursrecht. Dat is de hoofdregel, en die geldt ook bij vrijwilligerswerk. Natuurlijk behouden anderen die bijdragen leveren, hun auteursrecht. De nieuwsbrief is en blijft eigendom van de auteur daarvan, en foto’s van een lid met een camera blijven ook auteursrechtelijk van dat lid. Maar de websitebouwer heeft normaliter in ieder geval het auteursrecht op het “verzamelwerk” dat die website is.

De websitebouwer verleent dan de vereniging een licentie, een gebruiksrecht om ‘zijn’ site te mogen gebruiken als verenigingssite. Bij die licentieverlening worden zelden tot nooit nadere afspraken gemaakt. Ik zou zeggen dat de vereniging dan mag verwachten dat de licentie en dus de website voor eeuwig door hen gebruikt mag worden. Het lijkt me niet dat het bestaan van de verenigingssite afhankelijk moet zijn van het lidmaatschap van één persoon.

Wanneer de site ook nog eens voorzien is van een auteursrechtvermelding op naam van de vereniging, dan kun je zelfs goed betogen dat het auteursrecht niet eens bij het lid maar bij de vereniging ligt. Zie artikel 8 Auteurswet:

Indien eene openbare instelling, eene vereeniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij eenig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden, wordt zij, tenzij bewezen wordt, dat de openbaarmaking onder de bedoelde omstandigheden onrechtmatig was, als de maker van dat werk aangemerkt.

De hierboven geschetste situatie lijkt me niet onrechtmatig, en dus is de site van de vereniging. Dan kan het ex-lid dus al helemaal niet eisen dat de site offline gaat als hij moet vertrekken.

(Dit is dus niet hetzelfde als wanneer een forumlid verwijdering van zijn bijdragen vraagt.)

Arnoud

Houd eens op met die bolletjes in wachtwoordvelden

Dat heb ik me ook al jaren afgevraagd: waarom worden wachtwoorden op websites altijd als bolletjes of sterretjes getoond? Jakob Nielsen heeft er nu onderzoek naar gedaan, en wat blijkt:

Usability suffers when users type in passwords and the only feedback they get is a row of bullets. Typically, masking passwords doesn’t even increase security, but it does cost you business due to login failures.

Het idee achter die sterretjes is dat iemand die op je scherm meekijkt, niet kan meelezen wat je wachtwoord is. Maar hoe vaak komt dat tegenwoordig nog voor? De meeste wachtwoorden worden vandaag de dag gestolen met Trojans en phishingsites, en die kijken gewoon naar wat je intypt en niet naar wat er op het scherm komt te staan. Dus aan de veiligheid draagt het niets bij.

Nielsen doelt met die “login failures” op mensen die niet kunnen zien wat ze intypen en dus vaker fouten maken met hun wachtwoord. Ik vraag me af of dat nog steeds een probleem is. Wie gebruikt er geen password-manager voor websitewachtwoorden?

Overigens: degenen die mijn blog er ouderwets uit vinden zien, kunnen maar beter niet Nielsen’s site bekijken.

Arnoud