Online faillissementsveilingen: strijd met de wet?

veilinghuis.jpgHet onvolprezen weblog van TILT meldde dinsdag dat online faillissementsveilingen wel eens in strijd met de Nederlandse wet zouden kunnen zijn. Bij een faillissementsveiling is het volgens de Wet Ambtelijk Toezicht Openbare Verkopingen, de Watov, namelijk verplicht om deze “ten overstaan van notarissen of van deurwaarders bij de rechterlijke colleges” te houden. Internetveilingen draaien 24 uur per dag, 7 dagen per week, maar een notaris wil ook wel eens naar bed.

The only possibility of a notary or process-server to be present at the online auction is if he follows the bidding process all the time. But this is only possible if the bidding process of the online auction is only open for several hours, like the physical auction. But then the problem arises that not enough people are logging in, so the eventual price is lower than desired. A liquidator for example needs as much money as possible from the sale of the bankrupt’s estate.

Dit geldt echter alleen voor veilingen van roerende zaken, en dus niet voor huizen. Een huis uit een failliete boedel mag dus gewoon online worden geveild, en die veiling mag 24 uur per dag doorlopen. Maar voor ‘gewone’ boedelveilingen is dit een probleem, zoals ook al eerder in de literatuur werd gesignaleerd.

Ik even even wat gezocht, maar ik kan eigenlijk alleen huizenveilingen vinden die permanent aangeboden worden. Bij boedelveilingen (roerende zaken dus) kom ik al snel uit bij overzichten als van Veilingnotaris.nl, en die veilingen zijn zo te zien keurig tijdsgebonden. Zie ik nu de Faillieteboedelmarktplaats.nl over het hoofd?

In ieder geval, ik kan het alleen maar eens zijn met de conclusie dat “we think that online auctions for selling assets of a bankruptcy should not be illegal for the simple reason that online auctions are cheap and modern.”

Arnoud<br/> Foto: Mike Salsbury, CC-BY 2.0.

Gedagvaard via Twitter, kan dat?

Creatief is ‘ie wel. Brein wil de in Zweden veroordeelde Pirate Bayers in Nederland voor de civiele rechter dagen, maar de deurwaarder aldaar kon ze niet vinden. Dus vandaar:

twitter-summons-dagvaarding.png

Kan dat zomaar? Goeie vraag. Een dagvaarding uitbrengen moet normaal via een deurwaarder, die dan langsgaat en de tekst in persoon overhandigt. Maar als iemand onvindbaar is, dan wordt dat lastig. Artikel 54(1) Rechtsvordering bepaalt dat je dan een openbare betekening doet door publicatie in een landelijk of regionaal dagblad. Gezien alle heisa over uitstervende dodebomenmedia vind ik het dan wel binnen de geest van de wet om met alle mogelijke elektronische media de dagvaarding onder de aandacht van de wederpartij te brengen.

Omdat de Piratenbaaiers in Zweden wonen, is hierbij de EU-Betekeningsverordening (Verordening 1393/2007) van belang. Deze bepaalt namelijk dat de dagvaarding dan naar Zweeds recht moet worden uitgebracht. En ik weet niet wat Zweeds recht zegt dat er moet gebeuren als de deurwaarder de gedaagden niet kan vinden. Waarschijnlijk ongeveer hetzelfde als wij

Ik heb geen idee of Brein’s vordering haalbaar is, omdat hun site eruit ligt sinds ze die dagvaarding uit hebben gebracht. Naar eigen zeggen gaat het om een denial-of-service aanval, maar het kan natuurlijk zijn dat ze gewoon overladen zijn vanwege de aandacht.

Waar ik bang voor ben, is dat de TPB’ers de zaak negeren, BREIN derhalve wint bij verstek en vervolgens bij Nederlandse providers gaat zwaaien met het vonnis om te eisen dat die nu een filter gaan implementeren om TPB tegen te houden. Want “ze zijn veroordeeld door de Nederlandse rechter”. Maar goed eerst maar eens de dagvaarding lezen.

Arnoud

Wat te doen tegen domeinslapers?

hangmat-domeinnaam-slapen.jpgDomeinkaping is een bekend fenomeen in merkenland: iemand registreert een domeinnaam die gelijk is aan andermans merk, of in ieder geval daar sterk op lijkt. Vervolgens wordt daar een concurrerende site gebouwd of stouwt men de site vol met Google advertenties om zo inkomsten te verwerven dankzij mensen die menen naar de site van de merkhouder te gaan. Maar wat doe je met domeinslapers, mensen die jaren geleden een domeinnaam registreerden en daar niets mee doen – terwijl jij die nu graag als merk of bedrijfsnaam zou willen gebruiken?

Eind jaren negentig was het een populair tijdverdrijf om domeinnamen te registreren vanuit de redenering “eerst maar eens registreren en dan verzin ik daarna wel een concept erbij”. Dat nam alleen maar toe toen SIDN in november 2000 besloot alle beperkingen op te heffen en ook algemene woorden registreerbaar te maken. Lang niet iedere domeinnaam werd ook werkelijk gebruikt, maar omdat de kosten voor registratie zo laag zijn laten de meeste van deze eigenaren de domeinnaam gewoon bestaan (“wie weet doe ik er ooit nog wat mee”). En dat heeft dus tot gevolg dat een derde die nu wél met een leuk concept de markt op wil, die domeinnaam niet kan gebruiken.

Is daar nu niets aan te doen? In principe niet. Domeinnamen kun je opeisen maar dan moet er wel sprake zijn van inbreuk op een merk of handelsnaam. En bij een slapende domeinnaam is er over het algemeen geen inbreuk, omdat men niets doet met de domeinnaam en dus ook niets doet dat verwarring kan opleveren, wat vereist is voor merk- of handelsnaaminbreuk. Bovendien zijn dit vaak generieke namen die niet als merk te beschermen zijn.

Verder weegt zwaar in het voordeel van de domeinslaper dat deze de domeinnaam eerder geregistreerd heeft dan de merkhouder. Het enkele registreren (parkeren) van een domeinnaam kán merkinbreuk zijn, maar niet als de domeinnaam ouder is dan het merk.

Je zou het wellicht alsnog kunnen winnen van de domeinslaper als je je concept dan maar op een ander domein gaat ontwikkelen, waarna de domeinslaper de site aanpast om zo alsnog te profiteren van jouw populariteit. Dat is dan gebruik te kwader trouw en dat is vaak genoeg om deze op te eisen (zeker in Nederland). Ik vraag me heel erg af wat er gebeurt als het slapende domein gevuld is met Google advertenties en Google die aanpast nadat het andere domein populair begint te worden. Pleeg je dan merkinbreuk omdat je nu geld verdient met aan het merk gerelateerde advertenties?

Maar in het algemeen zie ik weinig opties behalve (eventueel via een tussenpersoon) gaan onderhandelen met de slaper om te kijken of deze toch over te nemen is. Wat vaak wel kan maar wel tegen bedragen met vier cijfers.

Bij merken geldt de regel “use it or lose it”: wie vijf jaar lang zijn merk niet actief gebruikt, raakt het kwijt. Ik denk dat het ook wel een goed idee zou zijn om dat voor domeinnamen in te voeren.

Arnoud

Bewijzen van vervalsing van e-mail

In september vorig jaar schreef ik over het bewijzen van de echtheid van e-mail. Het vervalsen en aanpassen van mails die als bewijs worden ingezet blijkt vaker te gebeuren, vandaar dat ik nog even terug wil komen op dit onderwerp.

Hoe kun je het beste reageren op een vervalste e-mail?

Allereerst is het belangrijkste dat je meteen protesteert bij de wederpartij. Ontken ten stelligste dat je die mail hebt verstuurd of dat je die mail in die vorm hebt ontvangen. Als je zo’n mail maanden laat liggen, wordt het moeilijk om achteraf nog te roepen dat deze vervalst zou zijn.

Kijk of je de originele mail nog hebt. Maak daar een printout van, inclusief alle headers. In ieder geval ligt er dan bewijs dat er iemand zit te rommelen met de mails, mocht het naar de rechter gaan.

Stond er iemand in CC op de mail? Die kan dan misschien als getuige wat zeggen.

Wie zijn mail niet op de eigen PC opslaat maar via IMAP of webmail leest, heeft wellicht nog het argument dat de mail buiten zijn bereik wordt opgeslagen. Het manipuleren van mails waar je alleen via een webinterface bij kunt, is bijzonder lastig. Een screenprint van de mail zoals hij daar in de mailbox zit, is dus mooi tegenbewijs. Je kunt ook een getuige laten inloggen of laten kijken op het scherm zodat die kan verklaren dat hij de mail in die vorm heeft gezien in de mailbox.

Inhoudelijk is er wellicht ook wat te zeggen, afhankelijk van wat er aangepast of vervangen is. Iedereen heeft zo zijn eigen taalgebruik. Zijn de aangepaste teksten in diezelfde stijl? Staan er typefouten in die jij nooit maakt, of ontbreken de fouten die je juist wel maakt?

Als laatste: de vervalste mail is over het algemeen nadelig voor jou (waarom wordt deze anders gemaakt). Kijk dus eens of je ander bewijs kunt vinden dat die inhoud weerlegt. Als er bv. tig mails van jou zijn waarin je zegt “ik weiger te betalen” en in die ene mail staat “ok ok ik zal betalen” dan maakt die stapel weigermails deze ene mail ongeloofwaardig.

Arnoud

Twitteren, mag dat?

Een lezer vroeg zich af of hij zijn gebruik van de microblogdienst Twitter wel als “twitteren” mocht omschrijven. Want: Twitter is een merknaam, en merknamen gebruiken als werkwoord kan ertoe leiden dat dat merk een generiek woord wordt. Je moet dus bij werkwoordgebruik van een merk uitkijken dat je het gebruikt in referentie tot de dienst van de merkhouder. Je Twittert dus bij Twitter maar niet bij Jaiku, net zoals je googelt bij Google en niet bij Ilse.

Hola, daar ging ik al. Zag u het? Ik schreef “googelt” in plaats van “Googelt” en daarmee zet ik alweer een stapje dichter richting het algemeen gebruik van “googelen” voor “zoeken op internet” (aldus Van Dale). Ik hoop dus maar dat meelezende Googleadvocaten hier niet boos om worden.

De vraag of een merk een generiek woord is geworden, is altijd lastig te beantwoorden. Je moet dan kijken naar het normale spraakgebruik – bedoelen mensen nog steeds de specifieke producten van het bedrijf Luxaflex of gewoon elke verticale lamel als ze “luxaflex” zeggen? Daarbij mag je naar woordenboeken kijken (of zelfs naar Wikipedia), maar dat is niet zaligmakend. Het MSN-voorbeeld van een tijd geleden leidde ertoe dat Van Dale haar woordenboek aanpaste en aangaf dat “msn’en” toch specifiek sloeg op chatten via Microsoft’s chatdienst. En wat te doen trouwens met hyven? Veelgebruikt maar het staat niet in het woordenboek.

Overigens, welke merkadvocaat heeft de term “genericide” eigenlijk bedacht om dit proces van gewonenaamworden van een merk mee te omschrijven? Een merk kwijtraken lijkt me toch wat anders dan een hele bevolkingsgroep uitroeien. Maar tsja, overdrijving is altijd een sterk punt van IE-juristen.

Arnoud

Niet schrikken!

aanpassing-site-juni-2009.pngTenzij u deze site alleen via RSS leest, is het u vast al opgevallen dat deze site een makeover heeft gekregen. Dat werd de hoogste tijd, want eigenlijk had ik sinds het “ach we doen even snel deze” moment bij het opzetten in 2007 eigenlijk niets meer aan de site gedaan.

Wat vindt u ervan? Eerlijk zeggen, want ik wil natuurlijk graag gelezen en becommentarieerd worden – daarom staat uw commentaar nu ook prominent rechts op de blog.

Arnoud

Originele disclaimer van de NOS

Via Retecool vond ik deze prachtige disclaimer van de NOS over publieksbeelden bij uitzendingen van voetbaltoernooien:

Om te verdoezelen dat de publieke belangstelling voor het toernooi tegenvalt, wordt in sommige stadions te pas en (vooral) te onpas een bandje afgespeeld met daarop toeterende supporters. Dit geluid is zo hard dat wij het alleen weg kunnen drukken door álle geluid uit het stadion weg te drukken, inclusief de commentator. Zo ver willen we niet gaan, die keus laten we aan u als kijker over. Onze excuses voor de overlast.

Waarschijnlijk heeft men dit ingevoerd vanwege de kritiek over het extragratis ingemonteerde applaus bij het optreden van de koningin op Dodenherdenking.

Voor andere aparte of opvallende disclaimers houd ik me altijd aanbevolen!

Arnoud

Afgeleide werken bij Openstreetmap (3)

openstreetmap-logo.pngEn daar waren we dan weer met deel drie van de vraag welke rechten er op de databank van het vrijelandkaartenproject Openstreetmap zitten. Al in deel 1 bleek dit een lastige kwestie. Want: wat wordt nu precies waarvan afgeleid? (Waar vanaf geleid? Waar van afgeleid? Argh.) In deel 2 leek de tussenconclusie te zijn dat de kaarten gemaakt uit de OSM-database een afgeleid werk lijken te zijn van de stylesheet.

Kaarten uit OpenStreetmap worden namelijk gemaakt door een grote hoeveelheid GPS-coördinaten in een databank te stoppen en te voorzien van verbindingen die labeltjes krijgen met bijvoorbeeld “fietspad” of een straatnaam. Op basis van die databank kun je dan kaarten genereren voor elk oppervlak en op elke schaal die je wilt. Die stylesheet bepaalt welke kleuren en dergelijke er in die kaarten terechtkomt. Een voorbeeld uit de OSM-documentatie:

Vier kaarten uit het OpenStreetmap project, gebaseerd op dezelfde data

Het lijkt me dus zeker verdedigbaar dat een stylesheetmaker een auteursrecht kan claimen op de stijlkeuzes. Maar is een kaart een afgeleid werk van de stylesheet?

Ik vermoed van wel, al zal het afhangen van welke elementen uit de stylesheet zelf in de kaart terechtkomen. Want een afgeleid werk moet wel op een of andere manier concrete beschermde elementen uit het werk overnemen waar het van afgeleid is. Nu hoeft dat niet letterlijk – een toneelstuk is een afgeleid werk van een boek bijvoorbeeld, zelfs als de spelers geen woord letterlijk zeggen zoals het in het boek staat. In die situatie zijn zaken als het plot, de karakters, uiterlijk, verloop en dergelijke van het verhaal overgenomen, en dat is al genoeg.

Maar: wat neem je over uit de stylesheet in de kaart die uiteindelijk gegenereerd wordt? De kleurkeuzen in ieder geval, en de kleur en positionering van teksten zo te zien ook. De derde kaart uit dit voorbeeld heeft bijvoorbeeld veel duidelijker aanduidingen van plaatsnamen dan de andere drie.

Opvallend (voor mij dan) is dat ik geen enkele stylesheet kan vinden waar een expliciete licentie bij staat. De meest gebruikte stylesheet is Mapnik maar zelfs daarvan zie ik nergens wat daarmee mag. Ik neem aan dat ze onder dezelfde Creative Commonslicentie horen te vallen als de rest van het project, maar het staat nergens.

Nou, en nu eens inlezen in het databankenrecht zoals dat geldt voor kaarten.

Arnoud

Kamercommissie presenteert propaganda, pardon initiatiefnota auteursrechten

auteursrechten-rapport-parlementaire-werkgroep.jpgWat een tegenvaller. Studeert de Tweede Kamer eindelijk weer eens op auteursrecht, krijg je een slap aftreksel van BREIN-propaganda.

Afgelopen woensdag presenteerde de werkgroep Auteursrechten de Initiatiefnota Auteursrecht (via Tweakers). Hoewel het rapport claimt een “een onafhankelijk oordeel over de toekomst van het auteursrechtbeleid” te presenteren, is de achterliggende lijn zeer éénzijdig. Auteursrecht dient onbeperkt ingezet te kunnen worden; consumenten van werk dienen te betalen en gebruikers van werk zijn in beginsel dieven en piraten (“klankjatters”, p. 36) tenzij ze een zeer beperkte uitzondering in de Auteurswet kunnen vinden. Het enige voor gebruikers voordelige item is dat de wildgroei aan collectieve-incassoörganisaties(*) ingeperkt dient te worden.

Immers:

Allereerst zetten technologische ontwikkelingen het auteursrecht zodanig onder druk dat gebruik van informatieproducten steeds meer plaats vindt in de privésfeer. Dat heeft een mentaliteitsverandering bij het grote publiek teweeggebracht die niet zo maar kan worden teruggedraaid.

En die mentaliteitsverandering is het probleem dat de rest van het rapport gaat oplossen. Het Groenboek Auteursrecht van de Europese Commissie, waarin juist werd onderzocht welke mogelijkheden en behoeften gebruikers hebben, wordt volstrekt genegeerd. Ook zaken als citaatrecht en remixen komen niet aan de orde. Het is namelijk heel simpel: creatievelingen maken werken en de rest van de wereld consumeert die braaf, uiteraard tegen vergoeding. Wie met Creative Commons wil werken, is eigenlijk een beetje gek maar ach, we zijn tolerant dus dat mag best. Maar die moeten verder niet zeuren dat CC actief gestimuleerd moet worden.

Waar ik nu heel benieuwd naar ben: wie is er allemaal geraadpleegd bij de totstandkoming van dit rapport? Men heeft een werkbezoek aan Philips Research gebracht en van “veel organisaties” advies ontvangen. Maar uit het rapport ademt overduidelijk de toon van de auteursrechtconservatieven zoals BREIN en Thuiskopie. Waar jurisprudentie wordt besproken, wordt deze als feit genoemd wanneer deze in lijn is met de visie van die clubs en “betreurd” wanneer een rechtbank niet in diezelfde lijn blijkt te zitten.

Opmerkelijk is dat men vast een voorschot neemt op de Mininova-zaak: “de werkgroep is van mening dat het geld [dat Mininova verdient] aan de auteurs toebehoort.” Zou het niet netjes zijn geweest, beste wetgevende macht, om eventjes te wachten tot de rechter hierover geoordeeld heeft?

Zinnen als “BREIN is een private organisatie die kleine(re) en grote overtreders aanschrijft en boetes op kan leggen” (p. 25) overtuigen mij niet bepaald van de juridische kwaliteiten van de werkgroep. Zeker niet als de iets verderop gesignaleerde knelpunten precies de natte droom van die club presenteren: downloaden moet verboden worden, net als het faciliteren van up- en downloaden, en ISP’s moeten NAW-gegevens van gebruikers opvragen, verifiëren en gebruiken zodat BREIN ze op kan vragen.

Mooi is dat in hoofdstuk V de technische context en geschiedenis wordt geschetst, zonder daarbij te melden dat de entertainmentindustrie elke stap (van fonogram tot internet) fel heeft bevochten. Want dat is namelijk precies wat er nu ook weer gebeurt: was het eerst de fonogram die het concert zou bedreigen, daarna de bioscoop die het toneel zou bedreigen en daarna weer de videoband die de bioscoop zou bedreigen, is het nu “de expansie van het internet en het relatief ongecontroleerde gebruik daarvan [dat] continu spanning oplevert met de intellectuele eigendomsrechten van creatieve geesten in onze samenleving.”

Hoe nu verder? Tsja, vooral veel repressie dus.

??chte aanbevelingen doen durft men niet: na aanstippen dat je met Bittorrent best geld kunt verdienen, zegt men “een dergelijk model zou ook voor de entertainmentindustrie goed kunnen werken. Het is echter niet aan de werkgroep om dit verder uit te werken”. NATUURLIJK is het wel aan de werkgroep om dat uit te werken. Je bent toch de politiek, de wettenmaker? Dan BEPAAL je welke maatregelen er nodig zijn om cultuur en economie te stimuleren!

Werkgroeplid Teeven zou onder zijn eigen rapport strafbaar bezig zijn op zijn blog trouwens. Misschien moet ik eens de blogs van al deze auteurs langslopen om te zien welke plaatjes en teksten ze nog meer gejat hebben.

Arnoud<br/> (*) Nee, ik snap nog steeds niets van de nieuwe regels over samengestelde woorden.

Opdrachtgever krijgt auteursrecht bij industrieel ontwerp

potloden-ontwerp-design.jpgWie een werk maakt, heeft daar zelf het auteursrecht op. Ook als hij dat in opdracht doet van een ander. De opdrachtgever moet contractueel de rechten opeisen. Dat is de hoofdregel uit het auteursrecht – of dat was hij, beter gezegd. Een arrest uit 2007 van het Benelux Gerechtshof, bevestigd in een recent arrest van het Gerechtshof Amsterdam (via Boek 9) draait die hoofdregel nu om voor industriële vormgeving, zoals verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen. Dat betoogt professor Dirk Visser in zijn noot bij het arrest van het Hof Amsterdam.

Industriële ontwerpen worden beschermd via het Benelux-Verdrag voor de Intellectuele Eigendom, vroeger bekend als het Benelux-Verdrag inzake tekeningen en modellen. Onder dit verdrag valt “elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp, met inbegrip van onder meer onderdelen die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden samengevoegd, verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen”. Een ontwerp kan daarnaast ook auteursrechtelijk beschermd zijn, hoewel het criterium daarvoor iets strenger is dan voor bescherming als tekening of model.

Het BVIE heeft een expliciete bepaling over de eigendom van zulke ontwerpen in artikel 3.8.2:

Indien een tekening of model op bestelling is ontworpen, wordt, behoudens andersluidend beding, degene die de bestelling heeft gedaan als ontwerper beschouwd, mits de bestelling is gedaan met het oog op een gebruik in handel of nijverheid van het voortbrengsel waarin de tekening of het model is belichaamd.

Dit is dus precies het omgekeerde van wat de Auteurswet zegt. Wie dus in opdracht een tekening of model maakt en daar een tekening- of modelrecht op vestigt, is de auteursrechten daarop volautomatisch kwijt. Maar, zo laat Visser zien, het gaat nog verder: ook als je geen modelrecht aanvraagt kun je die rechten kwijt zijn aan je opdrachtgever.

Het BVIE kent namelijk ook de zogeheten ongeregistreerde modelrechten. Wie een tekening of model maakt dat voldoet aan de definitie uit dit verdrag, krijgt volautomatisch drie jaar bescherming tegen overname door anderen. Zoals het Hof Amsterdam het formuleert:

Genoemde bepalingen van het BVIE (evenalsvoorheen de BTMW) komen er ” voor de onderhavige situatie samengevat ” op neer dat indien een model op bestelling is ontworpen de opdrachtgever, behoudens andersluidend beding tussen opdrachtgever en ontwerper, als ontwerper wordt beschouwd en dat aan deze daarmee ook het auteursrecht inzake dat model toekomt.

Grafisch ontwerpers doen er dus goed aan hun algemene voorwaarden nog even door te nemen of daar wel een expliciet beding in staat waarmee zij hun auteursrechten voorbehouden.

Arnoud