IViR symposium “Open content and academic publishing” met Lawrence Lessig

Ter gelegenheid van zijn eredoctoraat aan de UvA gaf professor Lawrence Lessig afgelopen zaterdag een lezing over zijn favoriete onderwerp: auteursrecht in de digitale omgeving. Ik was erbij en wil jullie graag laten delen in zijn keynote (slides + voice):

<embed src=”http://blip.tv/play/AYG8qUIC- type=”application/x-shockwave-flash” width=”480″ height=”300″ allowscriptaccess=”always” allowfullscreen=”true”>

Kort gezegd is auteursrecht het grote probleem waar niemand echt over wil discussiëren (de “elephant in the room”). En dat is een probleem, omdat in de digitale wereld de kopie centraal staat en daarmee bijna elke handeling rond een werk auteursrechtelijk relevant is. Lezen van een e-boek vereist bijvoorbeeld het maken van kopieën, al was het maar het zichtbaar maken van de tekens op basis van de PDF. Het verkopen van een boek valt in de analoge wereld onder uitputting, maar in de digitale wereld is dat piraterij.

De auteursrechtelijke situatie is daarmee uit balans en enkel en alleen omdat de technologie veranderd is, niet omdat de wetgever dat zo wilde. Deze balans moet terug. Auteursrecht moet niet worden afgeschaft – bepaalde handelingen moeten voorbehouden zijn, aldus Lessig, om de prikkel te bewaren om werken te maken. Via fair use wordt er een balans bewaard voor twijfelgevallen.

Hoe is deze onbalans ontstaan? Dit komt volgens Lessig door een te eenzijdige focus op wat hij de “paradigm cases” noemt: de schoolvoorbeelden van waar het huidige systeem voor ontworpen is. Dat zijn de professionals die auteursrecht gebruiken om hun dagelijks brood te verdienen, zeg maar Britney Spears in de muziekwereld en Steven Spielberg in de film. Het idee is dat als deze mensen niet genoeg meer verdienen, ze geen nieuwe werken meer zullen maken. Maar niet alle makers hebben dit businessmodel, en dat is iets wat de auteurswet negeert. Veel makers maken werken omdat ze dat leuk vinden, en niet meteen omdat ze er geld mee verdienen. Of ze hebben andere modellen dan afrekenen per kopie.

lessig-uva.pngDeze “amateurs” (niet in de betekenis van “amateuristisch”) bouwen voort op cultuur van anderen. Meer algemeen, culturele uitingen vinden plaats binnen een ecologie. En daar zit het probleem, want de schoolvoorbeelden negeren deze ecologie. En dat is een probleem, omdat alles dat de amateurs zou kunnen helpen ten nadele gaat van de positie van de professionals. Die zullen zich daar dus met hand en tand tegen verzetten (hoi Tim). Met name wanneer het gaat om hergebruik. Juridische obstakels bij het hergebruik van zelfs maar een klein stukje werk zijn zo groot dat zulk hergebruik nauwelijks te regelen is in de overgrote meerderheid van de gevallen. Mede daarom zullen veel werken niet voor de toekomst beschikbaar zijn.

De ecologie van creativiteit moet niet draaien om de incentives zoals de professionals die traditioneel claimden. De “exclusive rights” als uitgangspunt nemen is niet langer praktisch, sterker nog is zelfs schadelijk voor de ecologie. We moeten “stop believing” in het oude verhaal dat exclusieve rechten “gewoon nodig” zijn om creatieve werken te krijgen. Via een mooi certificaat hebben we nu toestemming gekregen van Lessig om officieel dit verhaal in twijfel te trekken.

Bij de vraag hoe het dan wel moet, focuste Lessig alleen op wetenschap omdat dit nu eenmaal het onderwerp van de lezing was. Wetenschap moet kunnen delen. Maar, hoe helpt dat paradigma van exclusieve rechten daarbij? Ze zadelen de wetenschap op met significante kosten maar onduidelijk is hoe ze de wetenschap stimuleren. We moeten altijd blijven kijken naar hoe we de noodzaak daarvoor kunnen beperken waar mogelijk.

Lessig’s voorbeeld hier is Google Book Search, een project waarbij het advertentiebedrijf 18 miljoen boeken inscande en daarbij merkte dat de overgrote meerderheid van de boeken onder auteursrecht valt (slechts 16% publiek domein) maar, afgezien van een kleine 9% van het totaal, de rechthebbenden niet te traceren zijn. Het is dus niet realistisch om hierbij steeds toestemming te vragen – maar om nu 75% van alle ingescande boeken onzichtbaar te maken, is vanuit wetenschappelijk of cultureel oogpunt zeer ongewenst. Na een rechtszaak van de Amerikaanse Authors Guild kwam schikking waarbij 20% van de inhoud van zulke boeken beschikbaar mag komen via Google. De gebruiker kan betalen om de rest van het boek via Google in te zien, bv. via een bibliotheek of bestelling bij een internetboekhandel.

Mooi, zou je denken. Maar dat is het alleen voor de korte termijn (wat Lessig de “static case” noemt). Op de lange termijn is dit zeer vervelend, want bibliotheken (en boekhandels) drijven op volledige toegang, en die is er nog steeds niet. Op de lange termijn moeten we af van die “obsessive permission culture”, die obsessie met permissie zal ik maar zeggen.

Maar hoe? De wet veranderen lijkt hopeloos, gezien alle verdragen en regels en gevestigde belangen waarin deze verankerd zit. We kunnen ons maar beter richten op het invoeren van nieuwe normen, zoals aangegeven in Creative Commons. Dit project dat Lessig ooit bedacht heeft, lijkt al aardig mainstream: de licentieconstructie wordt o.a. overgenomen door Al Jazeera, het Witte Huis en Wikipedia (eindelijk). Een gigantische groei, nu meer dan 350 miljoen objecten onder CC zijn. Een nieuw initiatief binnen CC is de science commons, dat aansluit bij de open access-beweging, waarbij wetenschappelijk werk onder CC gelicentieerd wordt én eenvoudig vindbaar beschikbaar komt.

Met een parallel naar de instorting van de Sovjet-Unie vraagt Lessig zich ter afsluiting af op welk moment (en hoe) we de juristen gaan vertellen dat het huidige auteursrechtenmodel aan het instorten is. Want die blijven hameren op de schoolvoorbeelden en “same rules apply on the Internet” (“wat offline geldt, moet ook online gelden” bij ons). De internetters zouden fout zitten door zomaar rechten te gaan schenden en niet netjes toestemming te vragen. Maar nee, het zijn juist de juristen die niet snappen hoe het zit. Zowel het ophouden van user-generated content als de afschaffing van het auteursrecht (de stroman van de pro-auteursrechtenlobby) is niet acceptabel.

Technologie is niet te stoppen. Hooguit kan deze worden gecriminaliseerd. Het enige effect is dan dat iedereen crimineel wordt en de technologie ondergronds gaat. Maar stoppen? Vergeet het maar.

Arnoud<br/> Foto: Christiaan Alberdingk Thijm.

YouTube-filmpje als bewijs van verboden wapenbezit

pistool-youtube.pngEen filmpje van jezelf op Youtube zetten mag, maar het is niet slim om een filmpje van jezelf online te zetten terwijl je een pistool afvuurt. Het hebben van een vuurwapen is namelijk verboden onder de Wet Wapens en Munitie, zo ondervond een Brabander vorige week toen de politie hem kwam arresteren. Nu.nl meldt:

Op het bewuste filmpje is te zien hoe de jongen met een zilverkleurig pistool aan het schieten is in de achtertuin van zijn woning in de wijk Dommelbergen in de Brabantse gemeente. Uit de loop kwam na ieder schot een steekvlam. Later bleek dat de vlammen met een computerprogramma in het filmpje waren gemonteerd.

Het pistool(*) was dus nep, maar ook het bezit van nepwapens is verboden. Het criterium is of ze “voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn” (categorie I-wapen), en dat kan ook best opgaan voor een nepwapen. Als een pistool er op een Youtube-filmpje echt uitziet, dan lijkt het mij dat wel voldaan is aan dit criterium, ook al blijkt achteraf dat het wapen niet kan schieten. Kunnen schieten is namelijk niet belangrijk, het gaat om het kunnen dreigen.

(*) Ik blijf het hilarisch vinden dat een vuurwapen gedefinieerd is als een voorwerp dat “een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie” teweegbrengt. (Wat voor ontploffingen heb je nog meer naast de scheikundige trouwens?)

Waarom het filmpje is verwijderd, is me niet duidelijk. Het zou kunnen dat de jongen het vrijwillig heeft gedaan, maar ik sluit niet uit dat dit is geëist door de politie. Al heb ik geen idee welke wettelijke grondslag men daarvoor zou hebben.

Op zich vind ik het geen slecht idee om Youtube-filmpjes als bewijs van allerlei misdrijven te gebruiken, al blijft het natuurlijk lastig vaststellen wat er nu precies te zien is. Zo weet ik dat de politie weinig doet met mensen die coke snuiven op zulke filmpjes: het snuiven van poedersuiker of bakmeel is immers niet verboden, en bewijs maar eens dat het coke was. Welke misdrijven zou je nog meer mooi kunnen bewijzen met zo’n daderfilmpje?

Arnoud

Waarom mag een incasso via internet eigenlijk niet?

automatische-incasso-formulier-betalen.jpgEen lezer vroeg me:

Steeds meer bedrijven bieden je de mogelijkheid om via internet met een automatische incasso te betalen. Je moet dan je naam en bankrekeningnummer invullen en een vinkje aankruisen, maar een handtekening is niet nodig. Is dat wel rechtsgeldig?

Nee, dat is formeel niet genoeg. Een machtiging tot automatische incasso moet schriftelijk worden afgegeven. Als er langs andere kanalen (bv. telefoon of internet) wordt afgesproken dat er met incasso wordt betaald, dan moet er nog steeds een schriftelijke bevestiging daarvan worden verzonden.

Maar wat is nu de wettelijke grondslag daarvoor? Ik dacht eerst dat dit te maken had met het feit dat aktes (een stuk met handtekening dat bestemd is om tot bewijs te dienen) schriftelijk moeten zijn (art. 156 Rechtsvordering) maar dat blijkt geen rol te spelen. Automatische incasso is namelijk geen wettelijke betalingsvorm maar een product van de banken, in de markt gezet door Currence.

Wil je als bedrijf werken met automatische incasso, dan moet je akkoord gaan met de helaas niet online beschikbare Rules & Regulations Incasso van Currence. En die bepalen expliciet doch enigszins kortaf “Machtigingswijze: Schriftelijk en telefonisch” bij de producten “Doorlopende machtiging Algemeen” en “Eenmalige machtiging”. Kortom, geen wettelijk eis maar een regel van het bedrijf achter deze betalingsmogelijkheid.

Waarom Currence deze regel heeft ingevoerd, kan ik niet ontdekken. Ik vermoed omdat het fraudebestendiger zou zijn maar daarover is in de toelichting (pdf) of andere stukken niets te vinden.

Arnoud

Verslag najaarsvergadering NVvIR “E-overheid: het rechtsgeldige digitale document”

nvvir-logo-vergadering-verslag.pngAfgelopen donderdag was ik bij de najaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Informatie technologie en recht. Het onderwerp deze keer was E-overheid: het rechtsgeldige document.

Voorziet de e-overheid in voldoende maatregelen en waarborgen om het vertrouwen in de rechtsgeldigheid van digitale documenten en procedures in stand te houden, of zijn er indicatoren dat van de overheid een bredere zorgplicht mag worden gevraagd?

Digitale documenten zijn in het recht en bij de e-overheid nog relatief “nieuw”. Regels en beleid zijn afgestemd op papieren, schriftelijke stukken maar er is steeds meer behoefte om met digitale documenten te gaan werken. Dit is echter lang niet zo makkelijk te regelen als bij het rechtsverkeer tussen personen en bedrijven onderling.

Digitale archieven en het digitaal depot<br/> Als eerste was de beurt aan Jacqueline Slats (Nationaal Archief) over het digitale depot (Powerpoint). Bij digitale archieven staan integriteit (intact en niet aangetast qua betekenis/functie) en verificatie (ontstaanscontext en beheer na te gaan) centraal. Dit geldt zeker voor de overheid, die op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur of de Archiefwet digitale archieven moet ontsluiten voor het grote publiek. Er is nu 2TB aan digitaal archief beschikbaar, en er staat nog 17TB te wachten op digitalisering en ontsluiting.

Jacqueline signaleerde dat medewerkers elektronische documenten (e-mail, Word-bestanden) vaak bij zichzelf houden en niet zoals papieren documenten netjes laten archiveren en beschikbaar maken. Een bekend verschijnsel, ik doe het zelf ook, al heb ik geen idee waarom eigenlijk. Het is te veel gedoe een e-mail netjes te archiveren, maar een stuk post inscannen en opbergen is dan weer doodnormaal. Daar komt bij dat gegevens steeds moeten worden overgezet op nieuwe dragers, én in nieuwe bestandsformaten om ze leesbaar te houden. Mooie quote: “Old bitstreams never die – they just become unreadable” (Jeff Rothenberg, 1999). Misschien via ISO 14721?

Het rechtsgeldige digitale document<br/> Marga Groothuis gaf een overzicht van de stand van zaken. Zij promoveerde in 2004 op normering van de elektronische overheid. In haar lezing kwamen twee thema’s aan de orde: het juridisch kader voor de e-overheid (elektronisch verrichten van bestuursrechtelijke rechtshandelingen) en de implicaties van de nieuwe Dienstenwet

Het bestuursrecht is natuurlijk geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Communicatie onder de Awb kan elektronisch, maar dan moet dat wel expliciet geregeld zijn (zie artt. 2:13-2:17 Awb). Zo hebben steeds meer gemeenten de mogelijkheid om elektronisch bezwaarschriften in te dienen of vergunningen aan te vragen. Ze mogen ook besluiten elektronisch publiceren (art. 3:42 Awb). Bestuursorganen mogen echter niet de papieren weg helemaal afsluiten. Er wordt verder gewerkt aan elektronisch beroep bij de bestuursrechter (Kamerstukken II, 31867).

Prins sloot af met deze wenslijst van uitgangspunten voor een echt effectieve e-Overheid:

  • Minder ad-hoc beleid en meer aandacht voor projectoverschrijdende implicaties
  • Aansturing van initiatieven niet vanuit nood en haast van de instanties aannemen
  • Aandacht voor coördinatie van de coördinatie en nieuwe problemen rondom verantwoordelijkheid
  • Erkening dat effecten verder gaan dan het realiseren van concrete beleidsdoelen
  • Voldoende oog voor nieuwe kwetsbaarheden en afhankelijkheden
  • Beoordeling vanuit meer belangen dan uitsluitend operationele doelmatigheid (privacy en de waarden daarachter)

De Dienstenwet implementeert richtlijn nr. 2006/123/EG en bevat allerlei verplichtingen om zaken digitaal beschikbaar te maken. Zo komt er een centraal loket waar dienstverleners alle procedures en formaliteiten digitaal kunnen afhandelen. De papieren route wordt daarmee dan afgesloten voor die procedures en formaliteiten.

Basisinfrastructuur van de eOverheid<br/> Net voor de pauze wierp Marten Voulon (Duthler associates) een juridische blik op de basisinfrastructuur van de eOverheid. Het opzetten en onderhouden hiervan wordt aangeduid als het Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening en e-Overheid (NUP). Voulon opende met het voorbeeld van een man die dertien jaar lang leed onder identiteitsfraude dankzij falende (mag ik “epic fail” zeggen) informatiesystemen van de overheid.

Voulon liep door de belangrijkste onderdelen van de basisinfrastructuur heen: elektronische toegang tot de overheid, e-authenticatie (met DigiD), informatienummers, basisregistraties, elektronische informatieuitwisseling en nog veel meer opties die allemaal voorzien waren van een “e-” prefix.

Bij het stuk over basisregistraties kwam nog even een interessante discussie over gebruik van het BurgerServiceNummer en de tientallen basisregistraties waar dit nummer in terecht komt. Waarom is het BTW nummer van een éénmanszaak gelijk aan het BSN van de ene man (in dit geval vrouw)? Waarom mag de Belastingdienst dat wel doen en een private partij niet?

Ook kwam deze rechtszaak aan de orde over de waarde van basisregistraties. Hier werd bepaald dat de gemeentelijke basisadministratie niet per definitie de doorslag zou geven bij de vraag waar iemand nu feitelijk woont. Wellicht biedt dat een tegenwicht voor de steeds grotere neiging om zulke administraties te gebruiken voor besluiten en conclusies over van alles en nog wat.

Digitale rechtspraak<br/> Na de pauze sprak Ronald van den HoogenJos van Wetten (Ministerie van Justitie) over digitale rechtspraakprocedures. Goed nieuws voor de processen-verbaal: die moeten (art. 153 Strafvordering) nu schriftelijk zijn opgesteld, maar hier komt verandering in, zodat ook digitale processen-verbaal mogelijk worden.

Een belangrijk punt van zorg is de authenticatie van zulke digitale documenten. Met “geavanceerde elektronische handtekeningen” kan dit worden gewaarborgd, maar zoals de zaal terecht opmerkte is de techniek niet meer zo veilig als in de juridisch literatuur wordt aangenomen (ja, er wordt op MD5 gestandaardiseerd). En dat is een serieus probleem omdat processen-verbaal een bijzonder sterke bewijskracht hebben.

Voor de geïnteresseerden: ja, je kunt willekeurige andere documenten construeren die dezelfde MD5 hebben als het document wiens handtekening je wilt “lenen”.

E-overheid, waarborgen en zorgplicht?<br/> Corien Prins (UvT, WRR) wilde ons met een boodschap naar huis sturen. Zij schetste het bredere kader achter alle technologische maatregelen rond vingerafdrukken, BSN, biotechnologie, slimme camera’s en wat al niet meer. Steeds meer informatie wordt verzameld die op één of andere wijze tot personen te herleiden is, en al die informatie wordt voor steeds langere tijd bewaard. Tel daarbij op het vrijwel blinde vertrouwen in de juistheid van deze informatie (zie die meneer met de identiteitsfraude) en het totale gebrek aan visie binnen de overheid over wat er nu allemaal wel en niet moet gebeuren met al deze technologieën en je vraagt je af waarom we nog allemaal zo rustig blijven zitten.

Eye-opener voor mij was Prins’ opmerking dat we eigenlijk niet weten wat de burger nu zelf wil. De overheid zet deze systemen op vanuit het idee dat de burger daar behoefte aan heeft of daarmee geholpen wordt. Maar niemand heeft ooit aan die burger gevraagd welke behoeftes hij heeft of waarmee hij graag geholpen wil worden.

De e-overheid zou zeer gebaat zijn bij een overkoepelende visie, in plaats van alleen te handelen vanuit de directe behoefte van de organisaties. Privacy en andere basisrechten dienen daarbij een gegeven te zijn en niet pas achteraf er bovenop geschroefd te worden.

En met die opmerking gingen we naar huis – na een interessant paneldebat en een leuke borrel.

Arnoud

Ongevraagd commercieel krabbelen kan ook spam zijn.

De OPTA heeft een spammer met 12.000 euro beboet voor het plaatsen van 3.213.568 ongevraagde krabbels op Hyves met reclame voor een maffiaspel. Dat meldde Webwereld vorige week. Het is de eerste keer dat OPTA een boete uitdeelt voor het versturen van spam via een sociale netwerksite. Opmerkelijk, want de Telecommunicatiewet wordt nu een aardig stukje opgerekt.

Uit het boetebesluit blijkt hoe de spammert te werk ging:

Hyves heeft, na ontvangst van 1.300 klachten over deze ongevraagde krabbels, contact opgenomen met OPTA. Wegens het vermoeden van overtreding van het spamverbod heeft OPTA vervolgens een bezoek gebracht aan het woonadres van de privépersoon. Daar is bewijsmateriaal gevorderd. Op basis hiervan en uit de verklaringen van de privépersoon, bleek dat hij via een computerprogramma anonieme gebruikersprofielen aanmaakte. Deze profielen verzonden vervolgens automatisch krabbels naar willekeurige Hyves-gebruikers.

De krabbel werd ook nog eens voorzien van de naam van een vriend van de aangeschreven (aangekrabbelde?) gebruiker, om zo deze te verlokken op de link te klikken.

Juridisch opmerkelijk hieraan is dat -als je goed leest- de Telecommunicatiewet alleen verbiedt om spam te versturen aan “abonnees”, mensen die “partij zijn bij een overeenkomst met een aanbieder van openbare elektronische communicatiediensten voor de levering van dergelijke diensten” (art. 1.1 sub p Tw). Is Hyves een openbare elektronische communicatiedienst? Ik mag toch hopen van niet. Al was het maar omdat ze dan ineens aan de Wet Bewaarplicht vastzitten. Maar wellicht is de redenering dat je als Hyver ook wel abonnee bij een internetprovider bent.

De boete was overigens niet alleen gebaseerd op overtreding van het spamverbod uit artikel 11.7 Telecommunicatiewet, maar ook op het feit dat de verplichte naams- en adresvermelding voor commerciële communicatie (art. 3:15d BW) ontbrak.

Ik ga nu eens wat klachten indienen op Spamklacht.nl voor de commentspam op mijn blog.

Arnoud

Een bedrijf wil niet worden gerecenseerd, mag dat?

thumbs-down.jpgEen lezer vroeg me:

Door de komst van het internet zijn er allerlei sites ontstaan zoals iens.nl. Sites die gegevens verzamelen over bedrijven en gebruikers de mogelijkheid geven om hun mening te geven. Iens doet dit voor de horeca. Recent ving ik een verhaal op van een horeca ondernemer die zijn zaak graag wilde verwijderen van de site van Iens. De recensies waren niet positief en klopte soms ook niet met de werkelijkheid (gerechten slecht beoordelen die hij niet op zijn kaart heeft staan) Hij heeft Iens verzocht zijn restaurant te verwijderen uit het bestand, maar Iens gaf aan dat ze dat niet doen.

Wat die ondernemer is overkomen, hoor ik vaker. Het is natuurlijk ook vrij eenvoudig om je concurrent een slechte recensie te geven, of wanneer je boos bent je af te reageren door zo veel mogelijk strafpunten te geven aan een bedrijf. Dat hoort niet, en dergelijke reviews moeten worden verwijderd, alleen hoe bewijs je dat ze zijn geplaatst?

Ik kan me voorstellen dat je als ondernemer op zeker moment geen trek (sic) meer hebt in zulke negatieve recensies die volgens jou onterecht zijn. Maar nee, je kunt niet eisen dat je site wordt verwijderd van Iens. Melden dat een restaurant bestaat en gelegenheid tot recensies geven valt onder de vrije meningsuiting en is dus per definitie legaal.

Vorig jaar gaf ik al enige tips over hoe je zo’n reviewsite kunt opzetten. Een belangrijke is te zorgen voor een goede klachtafhandeling. Weet wat je gaat doen als mensen klagen over onterechte recensies, en vraag bij negatieve reacties altijd om onderbouwing.

Oh ja, en ik ga straks zelf naar een goed restaurant want ik ben jarig. 🙂

Arnoud

Failliete domeinen opkopen, kan dat zomaar?

Naar aanleiding van deze blogpost over opnieuw uitgegeven e-mailadressen vroeg een lezer zich af of hij failliete of om andere redenen verlopen domeinnamen mag registreren en opnieuw gebruiken. Het korte antwoord is natuurlijk “ja, dat mag”, maar dat zou een saaie blogpost zijn geworden, dus er zit een staartje aan:

Zo zou ik bv. de binnenkomende mails willen gebruiken om antispamfilters voor te ontwikkelen. Spammers blijven oude adressen gebruiken, dus dat is een mooie bron van vrijwel zekere spam. Maar daar zit ‘m de kneep: ik zal toch handmatig moeten screenen en dan dus ook legitieme mails tegenkomen.

Vorig jaar blogde ik over Donotreply.com, een site die wekelijks miljoenen bounces en foutmeldingen ontving, maar ook reacties van consumenten en zakelijke klanten op mails die met een donotreply.com-adres zijn verzonden. De eigenaar publiceerde de leukste, wel na de berichten te anonimiseren. (De site is nu uit de lucht trouwens.) Zulk publiceren gaat me toch wat ver, maar als je de post alleen scant op wel/geen spam en er verder niets mee doet, dan zie ik geen juridische problemen.

Het hergebruik van een domeinnaam kán een probleem opleveren als er andermans merk in zit. Ik denk niet dat (om eens wat te noemen) ABN Amro zomaar dsbbank.nl mag kopen en door mag linken naar haar eigen site. Hoewel ik niet meteen weet wie zich daar dan tegen gaat verzetten, maar het merk is nog 5 jaar geldig en degene die het merk opkoopt kan zeker optreden tegen zo’n gebruik van de “failliete” domeinnaam.

Overigens ben ik van mening dat Sedo-parkingpagina’s op verlopen domeinnamen verboden zouden moeten worden. Op zijn minst zouden de domeinnamen moeten worden afgegeven als iemand er wel iets normaals mee wil gaan doen.

Arnoud

Mag ik een cookie op uw PC plaatsen?

Enigszins boos meldde Out-law onlangs dat “cookies verboden gaan worden” in Europa. Of nou ja, ze mogen wel maar een website moet vooraf expliciet om toestemming vragen. Dat zou blijken uit de gewijzigde regels uit het Telecompakket dat onlangs door het Europees Parlement gegaan is.

Artikel 5 van de Universeledienstenrichtlijn 2002/22/EC wordt namelijk aangepast, en in dat artikel staat geregeld onder welke voorwaarden een aanbieder informatie mag opslaan (of inzien) op de computer van een gebruiker. Er staat nu dat dit alleen mag als:

the subscriber or user concerned is provided with clear and comprehensive information in accordance with Directive 95/46/EC, inter alia about the purposes of the processing, and is offered the right to refuse such processing by the data controller

en dat gaat worden:

the subscriber or user concerned has given his or her consent, having been provided with clear and comprehensive information, in accordance with Directive 95/46/EC, inter alia about the purposes of the processing.

“Consent” is een heel stuk sterker dan “information”. Je kunt als website dus niet meer volstaan met een standaardriedel “Wat zijn cookies en waarom slaan we die op op uw PC- in je privacyverklaring. Je moet nu ook toestemming hebben om dit te mogen doen. En het aanbieden van een privacystatement is onvoldoende om toestemming te mogen claimen.

En het is zeker de bedoeling dat cookies vallen onder het kopje “information”, zo blijkt uit de aanhef van de gewijzigde richtlijn. Daarin staan namelijk cookies expliciet genoemd als voorbeeld.

Maar toch denk ik dat Out-law een beetje te paniekerig is. In diezelfde aanhef staat namelijk:

Where it is technically possible and effective, in accordance with the relevant provisions of Directive 95/46/EC, the user’s consent to processing may be expressed by using the appropriate settings of a browser or other application.

Wanneer een browser dus afdoende controle biedt over het accepteren en opslaan van cookies, hoeft een site daar niet meer elke keer om te vragen. Ik vraag me wel af wat de EU hieronder gaat verstaan.

Iemand een suggestie hoe je op een niet-irritante manier om toestemming gaat vragen om cookies op te slaan?

Arnoud

Mag een vereniging haar leden spammen?

Tijdens de discussie over opt-in per algemene voorwaarden kwam nog een interessante vraag naar boven: mag een vereniging haar leden ongevraagde mails of SMS-berichten sturen?

Hoofdregel is dat je bij ongevraagde elektronische berichten (SMS, e-mail, fax, MSN, noem maar op) toestemming moet hebben voor het versturen van deze berichten. Tenminste, als die berichten “commercieel, charitatief of ideëel” zijn. Een mededeling over de sluitingstijden van het clubhuis valt daar niet onder, maar een bedelbrief voor geld om een nieuw clubhuis te bouwen wel.

Ik heb de OPTA afgelopen maandag deze vraag voorgelegd, maar helaas nog geen reactie ontvangen. Het beste advies lijkt me dus om bij het lid worden mensen te vragen of ze nieuwsbrieven, verzoeken van het bestuur en dergelijke mails willen ontvangen. Alleen: hoe formuleer je dat op zo’n manier dat mensen het wel oké vinden maar je toch je maandelijkse bedelbrieven voor een nieuw clubhuis kunt sturen?

Arnoud

Van wie is informatie?

Kijk, dat zijn nog eens filosofische lezersvragen: van wie is informatie eigenlijk?

Heel algemeen denk ik dat je wel kunt zeggen: die is van degene die deze geschapen heeft. Dit is bijvoorbeeld duidelijk bij persoonsgegevens. (De discussie over informatie versus gegevens voeren we een andere keer.) Daar is namelijk een duidelijk uitgangspunt voor gekozen in de Wet Bescherming Persoonsgegevens: die zijn van de betrokkene, de persoon over wie het gaat. Daarom is het uitgangspunt van de ‘privacywet’ ook dat er voor zo ongeveer elke verwerking van persoonsgegevens toestemming nodig is van die betrokkene.

Maar helemaal correct is dat niet: feitelijke informatie is vrij te gebruiken. Hoewel ook dat weer niet helemaal klopt: informatie kan zijn ‘opgesloten’ in een auteursrechtelijk beschermd werk, of nog erger onderdeel zijn van een databankrechtelijk beschermde databank. En dan kun je die informatie er niet zomaar uithalen. Of toch weer wel, want auteursrecht of databankrecht geldt niet voor de feiten als zodanig. Het is dus moeilijk daar in het algemeen iets zinnigs over te zeggen.

Een mooi voorbeeld hier vind ik de discussie rond de Dodezeerollen (of is het nou Dode zee-rollen?). Deze teksten zijn zo oud dat er uiteraard geen auteursrecht meer op rust, maar voordat ze in leesbare vorm konden worden gepubliceerd, moest er wel het nodige aan bewerkt en gedaan worden. Zo veel zelfs dat het Israelisch Hooggerechtshof oordeelde dat de restaurateur de auteursrechthebbende op het eindresultaat was. Een beetje zoals je tegenwoordig eigenlijk geen Sneeuwwitje- of Pinokkio-afbeelding kunt publiceren zonder ruzie met Disney te krijgen over auteursrechten.

In theorie zit er alleen auteursrecht op de uitwerking, in dit geval de moderne vertaling en de eigen aanvullingen op de antieke teksten. Maar in de praktijk is de scheiding tussen informatie en uitwerking daarvan bijzonder moeilijk te trekken. Daarvoor moet je immers als gebruiker de originele teksten hebben om te zien wat er door de ‘vertaler’ is toegevoegd, iets dat praktisch nauwelijks te doen is. Daarmee zijn die feiten in de praktijk toch eigendom van die vertaler geworden, hoewel dat eigenlijk zeer onwenselijk is. Want informatie behoort vrij te zijn.

Arnoud