Nieuwe regels over elektronische documenten en voorwaarden

Excuses voor de vertraging, maar ik moest het even nazoeken. Zoals donderdag beloofd: wat is er per 1 juli gewijzigd over algemene voorwaarden en de rechtsgeldigheid van elektronische documenten?

De regels over algemene voorwaarden (art. 6:234 BW) zijn veranderd. Het wetsartikel is herschreven, met name om de leesbaarheid te vergroten (voor zover haalbaar, het is en blijft een draak van een artikel).

Een belangrijke wijziging is dat je nu ook bij “gewone” (niet-elektronische) contracten de algemene voorwaarden elektronisch mag aanleveren. Je mag dus een papieren contract tekenen (of een mondelinge overeenkomst sluiten) waarbij je de voorwaarden als PDF mailt. Wel vereist dit “uitdrukkelijke instemming van de wederpartij”. Het is dus niet toegestaan om in de algemene voorwaarden te zetten “Wederpartij verleent hierbij uitdrukkelijke instemming voor elektronische aanlevering van deze voorwaarden”. Niet dat dat veel mensen ervan zal weerhouden om het toch te doen (t-shirt voor de spotter van het eerste voorkomen hiervan.)

Een grotere wijziging is artikel 156a Rechtsvordering over elektronische akten – ondertekende geschriften die als bewijs dienen. Zo’n document mag nu ook elektronisch, mits (pas op, juridische mond vol):

het degene ten behoeve van wie de akte bewijs oplevert, in staat stelt om de inhoud van de akte op te slaan op een wijze die deze inhoud toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de akte bestemd is te dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk maakt.

Ik kan daar niet veel meer van maken dan “je moet kunnen nalezen wat er getekend is” maar ongetwijfeld zitten hier heel veel nuances aan. Een PDF met elektronische handtekening voldoet aan deze eis.

Deze regels zijn ingevoerd op grond van het wetsvoorstel over elektronische aktes, dat met name bedoeld was om elektronische verzekeringspolissen mogelijk te maken. Logischerwijs is er dan ook een wetsartikel ingevoerd (art. 7:932 BW) dat zegt dat verzekeringspolissen nu elektronisch mogen. En dat gaat vrij eenvoudig met de bovengenoemde wijzigingen: die polis is een akte en moet dus voldoen aan de hierboven genoemde eis voor aktes, en de polisvoorwaarden zijn algemene voorwaarden en moeten dus voldoen aan de eisen van opslaanbaarheid. Plus, je mag bij een ‘gewone’ papieren polis nu met de verzekeringnemer afspreken dat de voorwaarden worden gemaild of te downloaden zijn.

Wel is er een extra eis aan de elektronische handtekening: die moet een “geavanceerdegekwalificeerde elektronische handtekening” zijn, en de mensen die weten wat dat betekent mogen nu de paracetamol grijpen. Inderdaad, dat is zo’n ding waarbij er geavanceerde wiskunde wordt gebruikt, een smartcard moet worden ingezet, een digitaal certificaat moet zijn verkregen en minstens 200 uren aan dure consultants moet zijn besteed voor het implementatietraject. Ik ben dan ook zeer benieuwd wanneer de eerste elektronische polissen daadwerkelijk aangeboden worden – en of ze ook echt gaan voldoen aan die voorwaarden.

Arnoud

Hoe bied ik algemene voorwaarden ‘op te slaan’ aan?

Een lezer vroeg me:

Op grond van art. 6:234 lid 1 sub c BW wordt de gebruiker bij een elektronische overeenkomst verplicht om de Algemene Voorwaarden aan de wederpartij ter beschikking te stellen, en de mogelijkheid te bieden de AV ‘op te slaan’ en voor ‘latere kennisneming toegankelijk te maken’. Ik vraag me af wat men anno 2010 verstaat onder ‘opslaan’ en ‘latere kennisneming toegankelijk te nemen’. Wordt onder dit laatste alleen printen verstaan?

Allereerst: per 1 juli is artikel 6:234 op de schop gegaan. Het is nu gewoon “lid 2 BW” voor elektronische terhandstelling. Dit naar aanleiding van een wetswijziging die ook elektronische aktes mogelijk maakt. Maar daar kom ik morgen op terug.

De inhoud van dit wetsartikel is ongewijzigd gebleven: de voorwaarden moeten “kunnen worden opgeslagen en voor [de wederpartij] toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming”. Er staat nergens wat dit inhoudt. Er zijn wel wat rechtszaken geweest over elektronisch ter hand stellen, maar die gingen over de vraag of je mag volstaan met een hyperlink in plaats van een document meesturen (meestal niet).

Veel meer dan “de mogelijkheid moet redelijk zijn” (zie ook art. 6:2 en 6:248 BW) kan ik dan ook niet verzinnen. Ik vul dan ook altijd zelf maar in wat mij redelijk lijkt, en dat is in het algemeen een PDF omdat iedereen die wel kan openen, printen en opslaan. Een Word-document is irritant en wat mij betreft niet redelijk. Een aparte webpagina (mét gewoon alle knopjes, dus geen floepvenster) lijkt me ook wel in orde, hoewel ik een PDF zou aanbevelen omdat het opslaan van webpagina’s een wat moeizame gebeurtenis lijkt bij veel gebruikers. Een iframe (een stuk tekst met scrolbalken in een webpagina) lijkt me echt niet goed, lang niet iedereen weet hoe hij daar de tekst uit kan krijgen en kan bewaren.

Vuistregel: als de rechtermuisknop eraan te pas moet komen, dan is het niet redelijk.

Arnoud

Mogen websites blokkeren van advertenties verbieden?

Toch weer even terugkomen op een oude vraag, want hij komt vaak binnen de laatste tijd:

Mogen websites verbieden in de voorwaarden, dat jij advertenties blokkeert? En als ze zien dat je dat verbod overtreedt, mogen ze je dan van de site verbannen?

Ik ben er nog steeds niet uit waar een site de eis op kan baseren dat je geen advertentieblokker mag gebruiken. Je manipuleert de presentatie van een webpagina alleen voor je eigen gebruik. Daar kan auteursrechtelijk weinig mis mee zijn, en een ander absoluut recht ken ik niet.

Het is niet verboden om te weigeren naar advertenties te kijken. Net zo goed als ik mag wegzappen als ik commercials op televisie zie, mag ik advertenties wegfilteren op websites.

Dat neemt niet weg dat een sitebeheerder regels kan stellen aan wat er wel en niet op zijn site mag. Een absoluut recht is daarvoor niet nodig. Als ik niet wil dat in reacties het woord “bloemkool” wordt gebruikt, dan mag ik dat verbieden en dan hebben jullie je daaraan te houden. Het zou een raar verbod zijn, en waarschijnlijk verlies ik dan een hoop reageerders, maar als ik rare dingen wil op mijn blog dan is er niemand die me tegenhoudt.

Update (26 mei) in de comments wijst Arno Lodder terecht op het XS4All/Ab.Fab arrest dat dit standpunt onderstreept.

Regels moeten -zeker naar consumenten toe- niet onredelijk bezwarend zijn, want zulke regels zijn algemene voorwaarden in de zin van de wet. Er staat niets in de wet over deze specifieke regel. Wil je deze regel dus aanvechten, dan moet je zelf verzinnen waarom het onredelijk is dat een site die op advertenties drijft, je verbiedt advertenties te blokkeren. Ik kan daar niet echt een argument voor bedenken. Het blokkeren tast hun inkomstenbron aan. Waarom zouden ze dat aantasten niet langs technische weg mogen verhinderen?

Ik denk dus dat het wel toegestaan is als een site detecteert of je adblocking-software gebruikt, en zo ja je de toegang ontzegt tot de site. Het staat bezoekers vervolgens vrij om dan die site niet te gebruiken. Dat is dus de afweging die de site moet maken.

Arnoud

De aannemer met fototoestel

Een lezer schreef me:

Ik heb een klusbedrijf opdracht gegeven om bepaalde werkzaamheden uit te voeren aan mijn huis en tuin. Er is inmiddels een discussie ontstaan over hoe iets wel en niet eruit zag en ze geven nu aan dat ze overal foto’s van gemaakt hebben. Daar hebben we het nooit over gehad, mag dat zomaar?

Het zou kunnen dat dit in de algemene voorwaarden staat, maar die heb ik nooit gehad. Op de offerte zeggen ze dat die bij de Kamer van Koophandel zijn gedeponeerd, dus moet ik nu daarheen om erachter te komen of ze mijn huis mogen fotograferen?

Ik denk dat het fotograferen in het huis van een klant wel mag, zolang ze de foto’s maar alleen gebruiken voor documentatie van de werkzaamheden en eventuele geschillen. Ze mogen bewijs verzamelen van hoe ze het werk doen, en foto’s zijn prima bewijs.

Publicatie van de foto’s mag niet zomaar. Dat is (omdat het je huis is en dus jou als persoon raakt) een privacyschending. Daarvoor hebben ze apart toestemming nodig, en ik twijfel of die in algemene voorwaarden opgeëist kan worden. De wet eist namelijk “ondubbelzinnige” toestemming, en via algemene voorwaarden kun je hooguit “stilwijgende” toestemming krijgen.

Nog los van het feit dat de AV gewoon als papiertje bij de offerte hadden moeten worden afgegeven, een depot bij de KVK heeft alleen nut als het “redelijkerwijs niet haalbaar” is om ze elke keer uit te delen. Vuistregel: ben je zo groot als Albert Heijn? Zo ja, dan deponeren. Anders gewoon meegeven.

Arnoud

Ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden (gastpost)

Vandaag weer een gastpost van Remko S.

Vorige maand publiceerde de Raad voor de rechtspraak een rapport waarin zij de rechterlijke macht in Nederland adviseert hoe zij de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek over algemene voorwaarden zo kan interpreteren dat deze in overeenstemming zijn met de Europese regelgeving. Volgens deze richtlijnconforme interpretatie dienen rechters de hen voorgelegde overeenkomsten met consumenten op eigen initiatief te controleren op onredelijke bedingen en deze buiten toepassing te laten. Een tot nu toe veel gehanteerd beding springt daarbij in het oog: het boetebeding, onder andere veel gehanteerd door telecomaanbieders.

Algemene voorwaarden volgens het BW en richtlijn 93/13/EEG<br/> Kort nadat het huidige Burgerlijk Wetboek was ingevoerd werd richtlijn 93/13/EEG over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten van kracht. Hoewel de definitie van een mogelijk onredelijk beding anders is, gaat deze richtlijn over vrijwel hetzelfde onderwerp als afdeling 6.5.3 BW: algemene voorwaarden. Deze richtlijn had 15 jaar geleden voor altijd naar de achtergrond moeten verdwijnen door omzetting in de nationale wetgeving, maar is nu weer op de voorgrond getreden doordat de wetgever destijds ten onrechte van mening was dat het BW geen aanpassing behoefde.

Om te beginnen schrijft de richtlijn voor dat de lidstaten dienen te bepalen dat onredelijke bedingen in overeenkomsten de consument ‘niet binden’ (art. 6 lid 1 Rl), het BW zegt dat deze bedingen vernietigbaar zijn (6:233 BW). Het woord ‘vernietigbaar’ geeft al aan dat de rechter niet spontaan een beding vernietigt, maar dat de wederpartij hierop een beroep zal moeten doen.

Het Europees Hof van Justitie legde al in 2000 uit waarom de rechter wel ambtshalve (lees: spontaan) zou moeten toetsen:

In geschillen betreffende kleine geldvorderingen kunnen de advocatenhonoraria hoger zijn dan het gevorderde bedrag, hetgeen de consument ervan kan afhouden zich te verweren tegen de toepassing van een oneerlijk beding. Volgens de procesregels van tal van lidstaten mogen particulieren in dergelijke geschillen weliswaar zelf verweer voeren, doch bestaat er een niet te verwaarlozen gevaar, dat de consument met name uit onwetendheid geen beroep doet op het oneerlijke karakter van het beding dat hem wordt tegengeworpen. Bijgevolg kan een doeltreffende bescherming van consumenten enkel worden bereikt, indien aan de nationale rechter de bevoegdheid wordt toegekend om een dergelijk beding ambtshalve te toetsen. (C-240/98 t/m C-244/98, Océano & Salvat, punt 26)

Het moet dus niet zo zijn dat een gebrek aan kennis van de wet ertoe leidt dat de consument niet beschermd wordt tegen onredelijke bedingen. Dat gevaar is in Nederland aanwezig omdat niet alle voorbeelden genoemd in de indicatieve lijst van de richtlijn voorkomen op de ‘grijze’ of ‘zwarte’ lijst in het BW. Dat hoeft ook niet per se, oordeelde het Hof van Justitie, mits dan op andere wijze voldoende kenbaarheid van deze lijst voor het publiek word verzekerd. (C-478/99, Commissie/Zweden, punt 22)

Het boetebeding, HR vs. HvJ<BR/> Een van de voorbeelden die voorkomt op de indicatieve lijst met onredelijke bedingen, maar niet in het BW, is het boetebeding:

Bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: <br/> e) de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen;
In het wetsontwerp voor het Burgerlijk Wetboek stond dat een beding waarin de consument, wegens niet-nakoming, word verplicht meer dan de wettelijke schade te vergoeden als vermoedelijk onredelijk bezwarend werd aangemerkt. (OvW Inv., art. 4 sub k) Dit voorstel werd echter ingetrokken omdat men van mening was dat een boetebeding in beginsel een legitieme aansporing is om de aangegane verbintenis na te komen. Eventuele exorbitante boetes konden beter door de rechter gematigd (6:94 lid 1 BW) worden, doch het enkele uiteenlopen van boete en werkelijke schade is hiervoor niet voldoende. (MvA II Inv. bij 6.1.8.18) Hierdoor liggen het BW en de richtlijn op ramkoers.

Over welke er voorrang krijgt sprak de Hoge Raad zich in 2006 uit in de zaak van Meurs die grond pachtte van Newomij. Tussen hen ontstond een conflict over de verhoging van de erfpachtcanon. Meurs betaalde (onder reserve van rechten) de verhoging wel, maar weigerde de akte van constatering te tekenen en verbeurde daarmee een contractuele boete van ” 187.841,10, zijnde tienmaal de canon. Een exorbitant boetebeding, maar de rechtbank en het hof weigerden deze te vernietigen. Zij gaven, in navolging van de parlementaire geschiedenis, er de voorkeur aan om te matigen tot ” 17.042,54. Dit terwijl Newomij geen werkelijke schade had geleden. In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de stelling van Meurs dat een boetebeding eerst aan de richtlijn moet worden getoetst voordat matiging ingevolge art. 6:94 lid 1 BW aan de orde kan komen niet juist was (ro. 3.5.7), en verwierp het beroep.

Afgelopen juni oordeelde het Hof van Justitie echter dat:

De nationale rechter is gehouden, ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Acht hij een dergelijk beding oneerlijk, dan laat hij het buiten toepassing, tenzij de consument zich hiertegen verzet. […] (C-243/08, Pannon GSM/Sustikné Gy??rfi, dictum 2)
Eerst toetsen dus en buiten toepassing laten in plaats van (eventueel) matigen.

Advies Raad voor de rechtspraak bij telefonie a.v.<br/> Dit is dan ook de lijn die de (kanton-)rechters in Nederland zijn gaan volgen. Bijvoorbeeld bij aanbieders van telecommunicatiediensten die, nadat ze een klant hebben afgesloten wegens wanbetaling, het volledige restant van de abonnementsgelden vorderen met een beroep op hun a.v. Onder het BW zou dit meestal wel zijn geslaagd: de afgesloten klant betaalt niet meer dan waartoe hij zichzelf had verplicht. Nu duidelijk is dat de richtlijn voorrang heeft zal het beding worden vernietigd, dat betekent evenwel niet dat de telefoonmaatschappij met lege handen blijft staan, zij heeft nog wel recht op de wettelijke schadevergoeding. Daar het moeilijk is om deze exact vast te stellen zal deze moeten worden geschat.

Voor deze schatting gaf de Raad voor de rechtspraak, die onder andere een uniforme toepassing van het recht tot doel heeft, de volgende formule.

Uitgaande van een looptijd van 24 maanden wordt de schade berekend als:

Schade = restant toestelwaarde + helft van onbetaalde maandelijkse belcomponenten

Waarbij geldt:

Restant toestelwaarde = toestelwaarde x onbetaalde termijnen/24<br/> Belcomponent = maandtermijn ” 1/24 x toestelwaarde

De complicerende factor in deze berekening is een inbegrepen mobiel toestel. Hierover komt een een koop en verkoop op afbetaling (7:1576 lid 1 BW) tot stand, dat de overeenkomst de naam ‘abonnement’ draagt is daarbij niet van belang (7:1576 lid 3 BW). Vervroegd opeisen wegens te late betaling mag wanneer de achterstand twee of meer verschijnen bedraagt (7:1576c BW). Lastig is evenwel dat in telefonie-overeenkomsten gewoonlijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen de door de koper te betalen prijs voor de telefoon en het gebruik van de diensten, deze zullen achteraf moeten worden gescheiden. Doet de telecomaanbieder dit niet en vordert hij het hele bedrag als ‘abonnementskosten’ dan snijdt hij zichzelf in de vingers: de abonnementskosten worden gehalveerd, de aanschafprijs van de telefoon niet.

Enigszins opmerkelijk is het wel dat er nu een generieke formule voor het vaststellen van een schadevergoeding wordt gegeven. Vorig jaar november wees de Hoge Raad het gebruik af van de kantonrechtersformule voor het vaststellen van een schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag en afgelopen februari de daarvan afgeleide XYZ-formule, om dezelfde reden: schadevergoeding dient gemotiveerd te worden vastgesteld. De door het hof ‘s Hertogenbosch gehanteerde, en door de Raad voor de rechtspraak overgenomen, halvering van de ‘belcomponent’ is echter geheel ongemotiveerd.

We zijn er bijna, maar nog niet helemaal<br/> Blijft er nog een verschil over waar niet door de werkgroep op is gewezen: de definitie van een mogelijk onredelijk beding. Volgens de richtlijn is dat “een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld” (art. 3 Rl), of zij is “opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen” zoals 6:231 sub a BW vereist is niet ter zake doende. Hierdoor biedt het BW geen bescherming bij een van tevoren opgestelde eenmalige overeenkomst. Hoewel strikt taalkundig gezien 1 ook een aantal is, blijkt uit de wetsgeschiedenis duidelijk dat afd. 6.5.3 BW betrekking heeft op bedingen die zijn opgesteld om meermaals te worden gebruikt.

Bij de minimalistische aanpassing van het BW aan de richtlijn, naar aanleiding van een inbreukprocedure van de Commissie, heeft de Raad van State hier destijds nadrukkelijk op gewezen, maar uit het nader rapport blijkt dat dit volstrekt langs de minister is gegaan.

Alle van tevoren opgestelde bedingen, met uitzondering van de kernbedingen (art. 4 lid 2 Rl), dienen te worden getoetst. Wanneer een handelaar stelt dat een standaardbeding het voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandeling, dient hij dit te bewijzen. (art. 3 lid 2 Rl)

Zit uw creditcard nog in uw portemonnee?

Als u een creditcard heeft, dan moet u namelijk elke dag even controleren hoe het daarmee staat:

4.2 De Card-houder dient minimaal één keer per dag te controleren of de Card nog in zijn of haar bezit is en dient tevens de informatie van [de maatschappij] – waaronder ook het rekeningoverzicht – terstond te controleren.

Dat blijkt uit de algemene voorwaarden (overigens in Ieniemienieletters) die voor VISA, Mastercard en enkele andere bedrijven gelden.

Op zich is het natuurlijk een goed idee om regelmatig te controleren of er geen misbruik van je kaart wordt gemaakt, maar om dat nu als contractsvoorwaarde op te nemen gaat misschien een beetje ver. Zeker nu in de voorwaarden rond misbruik en diefstal staat:

6.1 Als de Card-houder een redelijk vermoeden van misbruik van de Card, de pincode en/of overige gepersonaliseerde veiligheidskenmerken heeft, bijvoorbeeld uit het rekeningoverzicht, dient de Card-houder dit zo spoedig mogelijk telefonisch aan ICS te melden.

en iets daaronder

Uitsluitend indien de Card-houder frauduleus heeft gehandeld of sprake is van opzet of grove nalatigheid aan de zijde van de Card-houder, draagt de Card-houder alle verliezen als gevolg van verlies, diefstal of misbruik … Van grove nalatigheid is in ieder geval sprake indien de Card-houder één of meer verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4, 5.1 en 6.1 niet is nagekomen.

En ja, dat leest u goed: u bent aansprakelijk voor alle onterechte afboekingen die u had kunnen voorkomen als u elke dag uw creditcard-statement zou hebben gecontroleerd.

Nu valt er misschien nog wel een mouw aan te passen omdat je onterechte afboekingen kunt laten storneren (deze voorwaarden hebben het zelfs over “13 maanden na de valutadatum” terwijl ik dacht dat het één maand was). Maar toch denk ik dat het in het algemeen wat te kort door de bocht is om te zeggen “als u niet elke dag uw afboekingen controleert, verliest u elk recht van claimen”.

Arnoud

De doorslaggevende algemene voorwaarden

motorfiets-harley-davidson-flh-1340-ebay-verkopen.jpgAls je een motorfiets via internet bij opbod te koop aanbiedt, zit je dan automatisch aan de laatste bieder vast, vroeg NJBlog zich af. Het ging hier om een zaak waarbij een Harley-Davidsonmotorfiets te koop stond op eBay, met een hoogste bod van 3.250 euro. De verkoper bleek echter nadien de motorfiets buiten eBay om verkocht te hebben. Hij meende het bod te mogen negeren omdat het onder zijn (vergeten) minimumprijs van 7.000 euro was en bovendien onrealistisch laag voor een motor van dit type.

In zijn vonnis bepaalt de kantonrechter Zwolle echter dat er toch een rechtsgeldige koop tot stand is gekomen. De verkoper had dan misschien een lagerehogere prijs bedoeld, maar de kopende partij wordt beschermd vanwege het gerechtvaardigd vertrouwen dat gewekt is. En daarbij spelen de specifieke omstandigheden van de veilingsite een rol:

[gedaagde partij] heeft de motor op een veilingsite aangeboden en het (ook [gedaagde partij] bekende) uitgangspunt van een veiling is nu eenmaal dat de hoogste bieder tevens de koper is. [eisende partij] was de 21ste bieder en on-weersproken is gebleven dat [eisende partij] het bod heeft uitgebracht tegen het einde van de 10-dagenperiode gedurende welke de veiling liep. Eerdere biedingen lager uiteraard nog lager en desondanks heeft [gedaagde partij] het recht en de mogelijkheid de veiling voortijdig te beëindigen, niet benut.

Nog belangrijker, de algemene voorwaarden van de veilingsite spelen een belangrijke rol. Daar staat onder andere in dat je het recht hebt je aanbod in te trekken indien sprake is van een vergissing, waar de verkoper geen gebruik van heeft gemaakt. Bovendien staat elders in die voorwaarden dat je ook als verkoper niet zomaar onder een hoogste bod uitkomt. En hoewel die voorwaarden in principe uitsluitend gelden tussen verkoper en ebay zelf, past de rechter ze ook toe op de relatie tussen koper en verkoper direct.

In de comments bij NJBlog wordt nog verwezen naar het OTTO-arrest uit 2008, waarbij een LCD-televisie niet voor 99 euro verkocht was omdat die prijs onrealistisch laag was. Maar dat gaat hier niet op: de prijs van een geveild product kan gemakkelijk veel lager zijn dan een redelijke winkelprijs voor een nieuw product.

Arnoud<br/> (foto: Motoprofi.com)

Hoe algemeen mogen onze voorwaarden zijn?

Een lezer mailde me:

Ik beheer een forum. De sfeer is over het algemeen goed, maar soms zijn er toch vervelende akkefietjes. Wij beroepen ons dan op onze huisregels, waar de regel in staat “De moderators mogen op elk moment ieder bericht aanpassen om elke reden. Evenzo mogen zij mensen bannen zonder opgaaf van reden”. Deze huisregels worden gemeld bij het registreren. Maar nu zegt er iemand dat deze huisregel veel te algemeen is en daarom niet rechtsgeldig. We zouden alleen bij overtredingen van de wet mogen ingrijpen. Klopt dat?

Nee dat klopt niet, maar de huisregel is wel erg algemeen dus daar zou ik toch wel wat aan doen.

Op zich mag je je huisregels formuleren zoals je wilt (daar zijn het huisregels voor). Het is dus niet zo dat je alleen mag verbieden wat in strijd is met de wet. Wil je geen politieke discussie, moeten gebruikersnamen met een A beginnen of is een bepaald woord verboden, dan schrijf je dat op en dan mag het niet.

Daaruit volgt alleen niet dat je ook maar te allen tijde zonder reden alles kunt doen als beheerder. Huisregels zijn algemene voorwaarden, en mogen dus niet ‘onredelijk bezwarend’ zijn voor je gebruikers. Dat betekent dat er wel iets van een grond moet zijn om die huisregel te hanteren – al was het maar “bewaren van onze unieke sfeer”. Een ban uitdelen aan een willekeurige gebruiker omdat je hoofdpijn hebt, zou m.i. niet moeten kunnen hoe generiek je huisregels ook zijn.

Ik zou dus op zijn minst die regel wat uitbreiden met een motivatie over doel en strekking van de regel. Wil je misbruik tegengaan, een bepaalde sfeer bewaren of alleen optreden bij smaad, laster en dergelijke?

Arnoud

Bewijs van overname uit databank

adresboek-gids-lijst-databank.pngWie stelt dat zijn databank is overgenomen, zal daarvoor bewijs op tafel moeten leggen. Je kunt niet eisen dat het bewijs geheim moet blijven, ook niet als het gaat om ‘sleepers’ die je speciaal tegen inbreukmakers hebt opgenomen. Dat blijkt uit een vonnis van de rechtbank Rotterdam. In deze zaak had de eiser, Ad Hoc Data, een CD-ROM met een bedrijfsgids verkocht aan de gedaagde. Deze had vervolgens een cafégids op internet opgezet, maar volgens Ad Hoc was daarbij haar CD-ROM gebruikt en dat was niet toegestaan onder de licentie. Ad Hoc eiste een contractuele boete van 25.000 euro per overtreding.

De cafégids vocht dit aan met als eerste argument dat de algemene voorwaarden (waar die boete in stond) nooit waren overhandigd. Ad Hoc meldde daarop

dat de bestelprocedure al sinds jaar en dag zo is ingericht, dat de bestelprocedure voor het online afsluiten van een abonnement niet kan worden afgerond indien niet wordt aangevinkt ‘ik ga akkoord met de Algemene Voorwaarden voor een doorlopend jaarabonnement tot schriftelijke wederopzegging’ (zie productie 10). De woorden ‘algemene voorwaarden’ zijn clickable, door hierop te klikken krijgt men de voorwaarden in html-format op het scherm en kunnen deze voorwaarden desgewenst tevens in pdf-format worden gedownload.

Klinkt goed, zou je zeggen. Alleen had Ad Hoc niets overlegd waaruit daadwerkelijk bleek dat die procedure ook zo bestond toen de cafégids het product bestelde. De overlegde producties lieten niet zien hoe de bestelprocedure van specifiek deze bedrijvengids verliep, laat staan dat daaruit bleek dat inderdaad dat aanvinkvakje moest worden aangevinkt.

Het tweede verweer van de cafégids was dat er in de huidige gids geen gegevens van Ad Hoc opgenomen waren. Ad Hoc reageerde daarop met de mededeling dat “ten aanzien van de ‘cafégids’ en ‘cafetariagids’ geldt dat nog in oktober 2008 is gebleken van de aanwezigheid van tenminste één sleeper“. Een sleeper of copyright trap is een item dat niet werkelijk bestaat en dus alleen in een database kan belanden door overname uit andermans database.

Op zich is dat een goede manier om te bewijzen dat er inderdaad is overgenomen, maar je zult dan wel die sleeper aan moeten wijzen. Maar dat weigerde Ad Hoc: men wilde alleen een verklaring overleggen van een getuige die dit had geconstateerd. De sleeper zelf moest strikt geheim blijven, en alleen de advocaten plus de rechtbank mochten daarnaar kijken (artikel 27 Rechtsvordering). De reden was -neem ik aan- dat als Ad Hoc die sleepers onthult, de cafégids die er gauw uit verwijdert en dan kan claimen dat er nu echt niets meer overgenomen is.

De rechter accepteert deze gang van zaken echter niet.

[Ad Hoc] wordt niet in haar belangen geschaad als zij in de databank van gedaagde aangetroffen sleepers openbaart: er zullen in haar databank nog genoeg andere sleepers blijven staan en zij kan in volgende edities van haar databank nieuwe creëren en tussenvoegen, aldus gedaagde. Een gang van zaken als door [Ad Hoc] verlangd, een besloten zitting, zou het de advocaat van gedaagde onmogelijk maken namens deze verweer te voeren tegen aangevoerde bewijsmiddelen . Het zou onaanvaardbaar zijn als gedaagde wordt veroordeeld op basis van geheime bewijsmiddelen.

Op zich terecht: je moet je inderdaad kunnen verweren tegen zulk bewijs, bijvoorbeeld door te controleren of die sleepers wel echt nep (echt nep, ahem) zijn en of die ook in de CD van Ad Hoc stonden. Maar het is wel lastig nu voor Ad Hoc als die sleepers bekend worden. Want je kunt wel zeggen ‘stop maar nieuwe in je volgende editie’ maar daarmee is de huidige versie alsnog kwetsbaar voor onbewijsbare overname. Het is dus maar te hopen voor Ad Hoc dat ze inderdaad genoeg andere sleepers in die database heeft.

Arnoud

“Onze algemene voorwaarden staan op onze website”, mag dat nu toch?

Ter hand stellen van algemene voorwaarden via internet, het blijft een moeilijk verhaal. Ook in de rechtspraak. Afgelopen donderdag oordeelde de rechtbank Maastricht nog dat “vermelden dat de algemene voorwaarden ‘staan vermeld op de website” onvoldoende is”. Maar eerder diezelfde week verscheen een arrest van het Hof Den Bosch waarin de algemene voorwaarden bij een zakelijk contract juist wél rechtsgeldig waren aangeboden dankzij deze tekst:

Storage activities are subject to the Warehouse Conditions Amsterdam-Rotterdam, filed with the Registrars of the District Courts of Amsterdam and of Rotterdam, latest version.(..) A copy of these conditions will be sent to you free of charge immediately upon your request or they can be viewed on [website]”.

Een beetje raar, want dit zijn de vereisten uit artikel 6:234 lid 1 sub b BW, en dat artikel geldt alleen wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om de voorwaarden aan de wederpartij te overhandigen. Hoezo zou dat niet kunnen, denk ik dan, voeg ze gewoon bij de mail?

Het Hof zoekt het echter bij de elektronische overeenkomst, wat ook in artikel 6:234 lid 1 BW genoemd wordt. Bij een elektronische overeenkomst mag je de algemene voorwaarden “langs elektronische weg ter beschikking stellen”, zeg maar als PDF meesturen met je offerte. Dat is hier dus niet gebeurd, verwijzen naar een website is niet “beschikbaar stellen”.

Maar volgens het Hof telt hier “het gegeven dat de voorwaarden via de aangegeven website kenbaar waren, hetgeen ingevolge artikel 6:234 lid 1 sub c BW in dit geval toereikend is.”

Ik vermoed dat het Hof zich hier laat leiden door de bijzin uit sub c dat het genoeg is als je

aan de wederpartij heeft bekend gemaakt waar van de voorwaarden langs elektronische weg kan worden kennisgenomen, alsmede dat zij op verzoek langs elektronische weg of op andere wijze zullen worden toegezonden

maar dat zou fout zijn want deze bijzin geldt alleen als het redelijkerwijs niet mogelijk is om de voorwaarden elektronisch mee te sturen, bijvoorbeeld als je een overeenkomst per sms sluit. Een andere verklaring voor deze interpretatie kan ik echter niet bedenken.

In 2007 oordeelde ook de rechtbank Haarlem in deze lijn. De motivatie was daar dat “op een website zetten en URL meesturen” tegenwoordig een doodnormale manier van aanleveren van documenten is. Ik denk niet dat het Hof Den Bosch deze zaak kende (hij wordt niet geciteerd in het vonnis) maar men lijkt dezelfde aanname te doen.

Hoewel het volgens mij niet klopt volgens de tekst van de wet, is het ergens wel sympathiek om het zo te kunnen doen. Al was het maar omdat het een hoop nodeloze bijlagen (plus mails met “je was de bijlage vergeten”) zou schelente vergen. Dus zullen we met z’n allen maar afspreken dat we dit normaal vinden vanaf nu?

Arnoud