Laptop kopende agent ongeschikt voor functie

diefstal-theft-politie.jpgJe koopt een laptop die gestolen blijkt, en vervolgens raak je je baan kwijt. Kan dat? Ja dat kan, tenminste als je observant bij de politie bent. Dan toont zo’n aankoop aan dat je niet goed kunt observeren en dus “geen goed ambtenaar” bent (art. 72 lid 2 Barp). Dat oordeelt de rechtbank Rotterdam bij een beroepzaak tegen een overplaatsing naar de geüniformeerde dienst.

De ambtenaren hadden gereageerd op een advertentie op Marktplaats voor een laptop (‘nieuw in doos nooit gebruikt”) voor ” 800. Deze moest worden afgehaald bij een belwinkel, maar wel na sluitingstijd. De laptop zat verpakt in folie in de doos met de bijbehorende garantiebewijzen. De verkoper had erbij gemeld dat hij een partij laptops in België had gekocht. Er werd geen aankoopbon gekregen of gevraagd.

Daarbij in aanmerking genomen de status van de buurt waarmee eisers vanuit hun werk als observant bekend waren, had van eisers mogen worden verwacht dat zij alert waren geweest op de risico’s die zij met de aankoop liepen, en dat zij van de koop hadden afgezien, ofwel dat zij nader onderzoek hadden gedaan naar de herkomst van de laptop.

Op basis van dit alles oordeelt de rechtbank dat de ambtenaren toch wel enige argwaan hadden moeten hebben. Dit waren dubieuze omstandigheden, en als politie-agent behoor je dan terughoudend te zijn. Omdat dat niet is gebeurd, is het begrijpelijk dat ze uit hun functie worden gezet:

Daarbij heeft verweerder belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat het doel van de functie van medewerker van het observatieteam is het stelselmatig observeren ten behoeve van de opsporing van stafbare feiten. Juist op dit punt, het herkennen en inschatten van de situatie zijn eisers tekort geschoten, terwijl van hen juist extra alertheid mocht worden verwacht.

Oftewel: als een agent/observant laat zien dat hij niet goed is in het observeren van een mogelijke strafbare transactie, dan is hij niet geschikt voor het werk. Zit wat in.

Arnoud

De giecheltoets als uitleg van recht

giggle-test-giecheltoets.jpgDe laatste tijd gebruik ik ‘m steeds vaker in presentaties en workshops: de giecheltoets. De giecheltoets is mijn vuistregel voor juridische argumenten: als je het argument niet kunt uitleggen zonder in lachen uit te barsten, of als je publiek het niet kan aanhoren zonder te gaan lachen, dan is het argument niet geldig.

Het gebeurt namelijk vaak dat mensen (opvallend vaak IT-ers) die een juridische regel horen, deze meteen tot het extreme gaan oprekken. Nou is stresstesten een goede zaak bij software, maar juridische regels zijn niet zo ontworpen. Die gaan uit van een redelijke en billijke omgeving, en regels tot in het extreme oprekken is gewoon niet de bedoeling. De consequentie van dat toch doen, is dat je een absurde uitkomst krijgt, en daar moeten mensen om lachen. Vandaar de giecheltoets.

In de VS bestaat de giggle test al, maar in Nederland heb ik hem nog niet aangehaald zien worden. Jullie wel? Of andere handige vuistregels?

Arnoud

Ik wil niet op uw nieuwsbrief!

Een lezer vroeg me:

Regelmatig heb ik wel eens mail-contact met bedrijven (vaak MKB-bedrijven). Nu merk ik dat het de laatste tijd steeds vaker voorkomt dat ik meteen nadat ik mailcontact heb gehad, op hun nieuwsbrief geabonneerd bent. Mag dat eigenlijk wel?

Hoofdregel bij commerciële mail is dat je toestemming nodig hebt van de ontvanger voordat je deze mag sturen. De Telecommunicatiewet is streng en biedt maar weinig uitzonderingen op deze regel. Er zijn er grofweg twee:

  1. Contactgegevens die een bedrijf zelf publiceert voor dat doel.
  2. Contactgegevens die zijn verkregen in het kader van de verkoop van een product of dienst.

Bij de eerste uitzondering (die niet geldt voor contactgegevens van consumenten) moet je denken aan e-mailadressen als acquisitie@bedrijfsnaam.example, persberichten@nieuwssite.example of opensollicitaties@bedrijfsnaam.example. Bij zulke adressen is het duidelijk wat daarheen mag, en daar is dus geen nadere opt-in voor nodig.

De nieuwsbrief van de vraagsteller valt daar niet onder, al was het maar omdat een mailtje sturen naar een bedrijf niet is voor het doel “op iemands nieuwsbrief komen”. Bovendien overkomt dit ook vaak particulieren, en die uitzondering geldt daar dus niet voor.

De tweede uitzondering zegt kortweg dat je je klanten mag spammen met reclame, mits je ze maar bij elke mail een opt-out biedt. Dat begrip ‘klant’ wordt hier dus opgerekt tot “iemand die ons mailde”. Dat gaat me nogal ver. De wet spreekt duidelijk van “in het kader van de verkoop”. Ik kan me nog vinden in een interpretatie dat toeleveranciers (die aan het bedrijf verkopen) zomaar gespamd mogen worden, maar zomaar iemand die een vraag mailde? Nee.

Je zou natuurlijk nog kunnen zeggen dat nieuwsbrieven geen “commerciële” mail zijn maar informatieve. In theorie kan dat, maar de nieuwsbrieven van de meeste bedrijven zijn niet meer dan verkapte reclamefolders.

Arnoud

Eéndaagse cursus: Internetrecht, ook voor u

Internet is allang niet meer uitsluitend voor gespecialiseerde kantoren. Ook in de algemene rechtspraktijk komen internetgerelateerde casussen steeds vaker voor. Uw cliënt kan zijn besmaad op Hyves, te maken krijgen met oplichting bij een webwinkel of worstelen met een online auteursrechtschending.

De kennis opbouwen over dit rechtsgebied is voor veel niet-gespecialiseerde advocaten lastig. Gespecialiseerd adviesbureau ICTRecht biedt u daarom een ééndaagse cursus over de belangrijkste aspecten van het internetrecht. Haar ervaren juristen geven u zonder onnodig technisch jargon de praktische handvatten om het internetrecht te lijf te gaan.

Tijdens de cursus komen onder andere de volgende onderwerpen aan bod: onrechtmatige uitingen, auteursrecht, elektronische handel, webwinkels, getting things done, privacy, positie van tussenpersonen en het verzamelen van bewijs.

De cursus kost ” 499,- ex BTW. Een tweede en volgende persoon van uw kantoor betaalt slechts ” 399,- ex BTW. Dit bedrag is inclusief cursusmaterialen, koffie, thee en lunch. U ontvangt ook het boek De wet op internet van ICTRecht-partner Arnoud Engelfriet.

De cursus worden gehouden op donderdag 16 september en dinsdag 21 september in Seats2meet in Utrecht. Er zijn maximaal 30 deelnemers per cursus. Plaatsing geschiedt op volgorde van aanmelding.

Download de folder of neem contact op met ICTRecht voor meer informatie.

Belgische spoorwegmaatschappij verbiedt deeplinken naar zijn site

belgieDe Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen verbiedt sites om naar zijn internetpagina’s te linken, meldde Tweakers gisteren. Linken naar de startpagina mag alleen na toestemming:

Om een link te leggen, dient u de hierna volgende procedure te volgen:
  • u vraagt per e-mail (communicatie@b-holding.be) aan de NMBS of u een link mag leggen, met vermelding van de naam van de site, van de verantwoordelijke ervan en van het doel waarvoor de link wordt gevraagd; en
  • u verklaart uitdrukkelijk in voormelde e-mail dat u de voorwaarden van de NMBS om een link te leggen alle zonder enig voorbehoud aanvaardt en zal respecteren; en
  • de NMBS onderzoekt uw aanvraag en geeft u, voorafgaandelijk aan het leggen van de link, per e-mail haar akkoord of desgevallend haar weigering.

Kan dit ook in Nederland, vroegen diverse mensen mij.

Nee, dit kan niet. Het is een volstrekt uitgemaakte zaak dat een gewone hyperlink naar een gewoon vrij online staande webpagina niet verboden kan worden. Pas als je linkt naar iets dat niet online hoort te staan of naar een pagina die niet direct toegankelijk hoort te zijn (maar dat door bv. een programmeerfout is) kán dat anders komen te liggen. Dat blijkt bv. uit de zaak Deutsche Bahn vs Indymedia) en XS4All/Deutsche Bahn).

Een site kan natuurlijk wel op basis van de referer mensen blokkeren die via jouw link op hun site komen. Het is hun site dus zij bepalen wie erop mag (Ab.Fab/XS4all).

Arnoud

Mijn Linkedin-profiel moet in onze huisstijl!

Een lezer vroeg me:

Ik heb al jaren een Linkedin profiel. In het kader van de online marketing strategie eist mijn werkgever nu dat ik dit profiel aanpas aan een bepaalde Linkedin huisstijl. Ik voel me daar niet prettig bij; mijn Linkedin profiel is toch van mij en niet van mijn werkgever? Kunnen ze dit eisen?

Er is een algemene wettelijke regel dat je je als “goed werknemer” moet gedragen. Daar kan alles onder vallen, mits het redelijk is dat dat er onder valt. Op zich lijkt me de regel “zakelijke uitingen moeten conformeren aan de huisstijl” wel redelijk. Zo kan men eisen dat je een bepaalde signature onder je mail hangt of dat je je Powerpoints van een bepaald template voorziet.

Bij Linkedin heb ik een beetje een dubbel gevoel. Ja, daar staat de bedrijfsnaam bij dus dat is wellicht te zien als zakelijke uiting. Maar het is uiteindelijk /jouw/ profiel en niet dat van je werk. Als je op een borrel vertelt dat je bij bedrijf X werkt, moet je dan ook meteen de corporate missie & visie erbij vertellen en een stropdas om?

Arnoud

De mogelijkheden van het internet beproeven

Toegang tot informatie is een grondrecht, zo bepaalt artikel 10 EVRM. Ja, de vrije meningsuiting omvat niet alleen het recht dingen te zeggen maar ook dingen te horen. Een verbod om bepaalde informatiekanalen aan te boren kan dus in strijd zijn met dat recht. En met die redenering wordt nog wel eens geprobeerd een verbod opzij te zetten om satellietschotels op te hangen aan een flat of huurhuis.

Dat gaat met wisselend succes. Dat recht om informatie te ontvangen mag namelijk worden ingeperkt als dat nodig is om belangen van anderen te beschermen. Het belang van de huisbaas of de vereniging van eigenaren om een mooi uitziend pand te houden (en geen oerwoud aan schotels) is zo’n belang. De rechter moet dan deze belangen tegen elkaar afwegen: hoe groot is het belang om televisiekanalen te ontvangen via een schotel en hoe groot is het belang om een mooi pand te behouden?

Die afweging is vaak erg afhankelijk van de specifieke situatie. In deze zaak werd bijvoorbeeld de schotel toelaatbaar geacht, omdat deze nauwelijks zichtbaar was vanaf de plek waar deze hing (“de kantonrechter heeft het hoofd in de nek moeten leggen om vanaf de straat de schotelantenne door het struweel van de bomen heen te kunnen zien”). Bovendien was een internetabonnement voor deze huurder (een bijstandsmoeder) een te grote investering.

Maar in deze zaak (via NJBlog) werd juist het argument “ga maar eens op internet” als doorslaggevend aangemerkt:

Voorts geeft artikel 10 EVRM geen recht op gratis informatie. Huurder heeft niet gesteld of aangetoond dat de kosten van de alternatieven zodanig hoog zijn dat hij deze redelijkerwijze niet kan betalen, terwijl bovendien van hem verlangd kan worden de mogelijkheden van het internet te beproeven.

Maar daar moet wel aan worden toegevoegd dat het hier ging om het ontvangen van Franse, Italiaanse en Spaanse zenders, terwijl in de andere zaak het ging om Turkse zenders. Er zijn genoeg Franse/Italiaanse/Spaanse zenders op de kabel, zodat de verhuurder sneller kan aantonen dat zijn belang zwaarder moet wegen.

Update (22 juni 2011): het Hof Arnhem vindt in een andere zaak dat een schotel wel degelijk eraf moet, omdat de huurder geen specifiek belang had aangegeven bij de zenders die hij wilde kijken. Ook stond het pand niet “in een buurt zonder enige esthetische aspiratie”. De verhuurder had daarmee een zwaarder wegend belang.

Update (1 november 2011): in nog een schotelzaak wordt het antenneverbod in strijd met artikel 10 EVRM geacht. Het vonnis benoemt de “zuiver esthetische belangen” van een antenneloos pand en de boosheid van andere bewoners dat hun antenne er wél af moest als onvoldoende om de inbreuk op het grondrecht te rechtvaardigen.

Arnoud

Nederland mag internetgokken verbieden

Nederland mag bedrijven verbieden kansspelen via het internet aan te bieden, las ik in De Pers van donderdag. In twee arresten (C 258/08 en C 203/08) maakt het Europese Hof van Justitie duidelijk dat het vergunningsbeleid van de Nederlandse staat (“alleen de Staatsloterij want dat is goed tegen gokverslaving”) door de Europese beugel kan.

Nederland heeft een erg restrictief kansspelbeleid: alleen met vergunning mag je kansspelen aanbieden, en die vergunning krijgt alleen de Staatsloterij. Met één aanbieder zou de behoefte gedekt kunnen worden, en kan er goede controle op witwassen, fraude en gokverslaving worden gehouden. Maar daarmee wordt wel het vrij verkeer van diensten gehinderd: concurrenten van Staatsloterij kunnen niet legaal opereren, en daarmee botsen onze kansspelregels met het Europese Verdrag.

Het Hof oordeelt in de Ladbrokes-zaak dat er geen sprake is van een inbreuk op dat vrij verkeer. Het is legitiem om een nationale wet te hebben die “is gericht op de beteugeling van gokverslaving en het tegengaan van fraude”. Het is dan ook toegestaan om één gokbedrijf toe te laten op de markt en geen anderen. Hiermee volgt het Hof haar arrest uit 2009 waarin voor Portugal ongeveer hetzelfde werd geoordeeld maar dan voor het staatsbedrijf. In Nederland hebben we echter geen staatsbedrijf, maar een privaat bedrijf dat onder vergunning opereert. Ook dat wordt nu acceptabel geacht. (In de Sporting Exchange wordt verder bepaald dat de wijze van toekennen van de vergunningen niet in strijd is met Europees recht.)

Wel moet de nationale rechter altijd controleren of het beleid “daadwerkelijk bijdraagt” aan het gestelde doel. En dat kan nog wel eens een leuke worden: als je zegt dat deze regel nodig is om gokverslaving tegen te gaan, kun je het dan wel maken om zo veel reclame te maken voor de Staatsloterij, Holland Casino, De Lotto en al die andere gokproducten? Oftewel, gáát het Nederlands kansspelbeleid daadwerkelijk wel gokken tegen?

Het Hof laat zich daar niet over uit, maar geeft wel een algemene overweging:

Indien mocht blijken dat het Koninkrijk der Nederlanden een beleid van sterke expansie van de kansspelen voert door de consument op buitensporige wijze te stimuleren en aan te moedigen om hieraan deel te nemen met als hoofddoel gelden in te zamelen, en dat om die reden de financiering van sociale activiteiten uit een deel van de opbrengsten van de toegestane kansspelen niet een bijkomend gunstig voordeel vormt, maar de daadwerkelijke rechtvaardiging voor het door deze lidstaat gehanteerde restrictieve beleid, moet worden geconcludeerd dat een dergelijk beleid de activiteiten met betrekking tot weddenschappen niet op samenhangende en stelselmatige wijze beperkt en dus niet geschikt is ter bereiking van de doelstelling, gokverslaving bij de consument te beteugelen.

Het ligt dus voor de hand dat onze Hoge Raad (die om dit arrest had gevraagd) nu gaat oordelen aan de hand van deze overweging. Dat kan nog interessant worden, want dit zal waarschijnlijk een diepgravend feitenonderzoek vergen. In 2008 oordeelde de Europese Commissie overigens nog dat ons beleid zeer zeker niet aan deze eis zou voldoen.

Wordt vervolgd, gok ik.

Arnoud

Je kind zien via internet

Met dank aan de onvolprezen RSS-feed van Jure.nl vond ik een beschikking (geen vonnis) in de categorie personen-en familierecht waarin internet een opvallende rol speelt. Het feit dat een man regelmatig met het kind van zijn partner chatte, gaf de doorslag bij de vraag of hij mede het gezag over dat kind kon krijgen.

In deze zaak ging het om het verkrijgen van gezamenlijk gezag over een kind. Dat kan volgens de wet (art. 1:253t BW) als er sprake is van “een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind”, dat wordt uitgelegd als dat de moeder minstens drie jaar alleen het gezag had en haar partner minstens een jaar samen met de moeder voor het kind gezorgd had.

Het kind bleek echter uit huis geplaatst. Kan dan nog wel sprake zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking”? De rechtbank overweegt van wel. Het is niet vereist dat de niet-ouder met de minderjarige in één woning verblijft, zo blijkt uit eerdere jurisprudentie.

Gebleken is dat de moeder en haar partner [naam kind 1] één keer per maand zien, dat er elke dag telefonisch contact is tussen [naam kind 1] en hen en er regelmatig via internet een chatsessie met [naam kind 1] plaatsvindt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan de eisen van artikel 1:253t BW is voldaan.

Natuurlijk speelde er meer mee, maar ik vond het toch wel goed om te zien dat deze factor wordt meegenomen. Het is steeds makkelijker om langs elektronische weg met je kinderen contact te houden. Veel ouders (en verzorgers) doen dat dan ook. Ik ben blij dat de rechtspraak dat ook erkent en mede op basis daarvan beslist dat sprake is van de vereiste nauwe band.

Arnoud

Kans maken op een iPhone, mag dat?

Een lezer vroeg me:

Ik had begrepen dat je in Nederland alleen kansspelen mag aanbieden als je een vergunning hebt, en afgezien van Holland Casino heeft niemand die. Maar hoe kan het dan dat er zo veel sites zijn waar je kunt pokeren of andere gokspellen spelen en dan ook nog eens prijzen kunt winnen?

Je hebt in Nederland inderdaad een vergunning nodig voor het aanbieden van kansspelen (ook op internet). Tenminste, als deelnemers aan dat kansspel prijzen zoals geld of producten kunnen winnen. Een funcasino of pokerspel waarbij je alleen met fictieve muntjes speelt, is dus niet verboden. Zo’n vergunning is onmogelijk te krijgen tenzij je Holland Casino heet (iets waar het Europese Hof mee bezig is).

Omdat deze wet zou betekenen dat geen enkele winkelier nog een prijsvraag of “raad het aantal augurken in deze pot”-spel meer kan doen, is er in 2006 een regeling promotionele kansspelen ingevoerd. Deze komt erop neer dat je niet vervolgd wordt als je een kansspel opzet ter promotie van bedrijven, producten of diensten en je je daarbij aan de beperkingen houdt uit die regeling. Een electronicazaak mag dus een prijsvraag uitschrijven waarbij je een iPhone kunt winnen met een slimme slogan, of met een TV naar huis kan gaan als je een potje poker op de openingsavond wint.

Het promotioneel kansspel bestaat in twee vormen: het klein en het groot promotioneel kansspel. Een kansspel is “klein” als de prijzenpot niet meer dan ” 4500 bevat. Een dergelijk spel mag je zo vaak organiseren als je wilt. Is de waarde meer dan dit bedrag, dan is het een groot promotioneel kansspel en dan mag je het spel maximaal eens per jaar uitvoeren. Verder zijn er nog restricties op bv. de kosten voor deelname (niet meer dan de postzegel of 60 cent communicatiekosten) en moet je toestemming van de ouders hebben als minderjarigen (zestienminners) mee willen doen. Een duidelijk wedstrijdreglement en inzage in de wijze van uitreiken van prijzen is ook verplicht.

Deze regeling geldt ook voor internet, maar blijkt daar nogal wat onduidelijkheden op te roepen. Vaak zie je namelijk dat niet een winkelier zelf maar een derde een site met kansspelen opzet waarmee je producten kunt winnen bij die winkelier(s). Het is niet duidelijk of dat ook onder de regeling valt. Daar staat namelijk in:

Promotionele kansspelen mogen uitsluitend ter promotie van een product, dienst of organisatie dienen en mogen niet als een zelfstandige activiteit worden aangeboden.

Het woord “en” suggereert dat de twee genoemde deelzinnen tegenstellingen zijn, maar dat is niet zo – je kunt best een product promoten als zelfstandige activiteit. Ik denk dus dat je best www.pokerenwineeniphone.nl mag opzetten in samenwerking met iPhoneverkopers, maar ik sluit niet uit dat je dan een boze brief van Justitie krijgt.

Arnoud