Mag je iemand vertellen dat hij stinkt?

smell-well-geur-probleem.jpgEen lezer wees me op SMELL-WELL.net, “waar u op een subtiele wijze uw vrienden, kennissen, collega’s of partner kunt attenderen op hun “Geur-probleem”.” Het idee is dat je iemand niet zomaar in z’n gezicht zegt dat hij slechte adem of stinkvoeten heeft. Deze anonieme dienst biedt dan een manier om dat toch te kunnen melden zonder dat jij er persoonlijk op aangekeken wordt.

Even afgezien van de ethische vraag: is het legaal om zo’n dienst aan te bieden? Het riekt (haha) naar een reclamedienst gebaseerd op het tell-a-friendprincipe. Nu zijn tell-a-friendsystemen onder voorwaarden legaal, dus laten we eens kijken of aan de voorwaarden is voldaan.

1. De communicatie gebeurt volledig op eigen initiatief van de internetgebruiker (of afzender), de website stelt hier geen (kans op) beloning tegenover voor afzender of ontvanger.<br/> Ik kan op de site nergens vinden dat jij of de ontvanger een beloning krijgt. Dit lijkt me dus prima.

Wel staat er een hyperlink naar deze site, waar je kunt kijken “welke oplossingen er voor je probleem beschikbaar zijn.” Dat is natuurlijk ook de insteek van deze site: reclame maken voor de producten van dit bedrijf.

2. Voor de ontvanger moet het duidelijk zijn wie de initiatiefnemer van de e-mail is, zodat hij diegene kan aanspreken als hij niet gediend is van dergelijke mails.<br/> In de mails die je ontvangt via deze dienst, staat

Met Vriendelijke Groet, )|( Smell-Well.net

3. De afzender moet volledige inzage hebben in het bericht dat namens hem wordt verzonden, zodat hij de verantwoordelijkheid kan nemen voor de persoonlijke inhoud van het bericht.<br/> Die krijg ik niet: na het invullen van het veld krijg ik alleen te horen dat de mail is verzonden. Wel krijg ik achteraf een kopie van de mail zoals verzonden, maar da’s natuurlijk een beetje laat.

4. De website in kwestie mag de e-mailadressen en andere persoonsgegevens niet gebruiken of bewaren voor andere doeleinden dan het eenmalig verzenden van een bericht namens de afzender. Daarnaast dient de website het systeem te beveiligen tegen misbruik, zoals het geautomatiseerd verzenden van spam.<br/> Ik twijfel of hieraan wordt voldaan, want nadat de mail is verstuurd krijgt de afzender nog een mail, met daarin

Mocht het door jou gemelde Geurprobleem zijn opgelost, dan verzoeken we je vriendelijk om op onderstaande link te klikken. Gooi deze e-mail niet weg, want met deze link wordt een automatisch bericht gestuurd naar de voormalige Stinker waarbij hij/zij wordt bedankt voor het aanpakken van het geurprobleem.
Ik kan uit de URL niet halen of daar het e-mailadres van de ontvanger in zit (“reporterid=3560&token=0e000c1328b0a0870ee0ba02e0b3a58a”), maar ik zit er zélf wel in gezien die reporterid. En dat mag niet van de tell-a-friendregels: het is mailen en weggooien die informatie.

Er is wel een beveiliging in de vorm van een captcha, dus het is niet eenvoudig om mensen grootschalig te spammen met mails. Ook moet de afzender eerst zijn e-mailadres bevestigen via een link.

Alles bij elkaar vind ik ‘m twijfelachtig. Jullie?

Arnoud

Administratiekosten van het CJIB bij verkeersboetes

flitspaal-beschadigd-boete-heffing-cc-by-nd-heiloo-online.jpgNiet echt internetrecht, maar ik krijg hier héél veel vragen over: mag het Centraal Justitieel Incassobureau die zes euro administratiekosten in rekening brengen als je een boete opgelegd krijgt? Dit met de discussie over administratiekosten bij bedrijven (mag het nu wel of niet) in het achterhoofd.

Ja, het CJIB mag die administratiekosten in rekening brengen. Dat volgt uit artikel 22 Wet Mulder en het bijbehorende Besluit, dat bepaalt:

Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is administratiekosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling.

En in artikel 1 van deze ministeriële regeling staat keurig het bedrag van ” 6 genoemd.

Recent werd een vonnis gepubliceerd waarin de kantonrechter oordeelde dat beroep en bezwaar mogelijk is tegen administratiekosten bij een boete. Daarbij werd wel gezegd:

De kantonrechter is evenwel van oordeel dat, gelet op de hoogte van de boete, niet gezegd kan worden dat de kosten disproportioneel zijn, nu de administratiekosten forfaitair zijn, niet gerelateerd zijn aan (de hoogte van) de sanctie en worden verantwoord als kosten van behandeling door het overheidsorgaan. Niet gezegd kan worden dat de in aanmerking genomen behandelingskosten exorbitant zijn.

Ik vind het wel erg merkwaardig, deze constructie met administratiekosten. Je zou zeggen dat zulke kosten gewoon in het boetebedrag verwerkt moeten zijn. Toen ik er voor het eerst van hoorde, leek het me een verkapte manier om de boete te verhogen zonder de wet met de boetebedragen aan te hoeven passen. Maar gezien het feit dat er een aparte wet is die bepaalt dat er administratiekosten berekend mogen worden, kan dat het argument niet zijn geweest.

Het waarom begrijp ik dus niet, maar dat het mag staat voor mij vast.

Arnoud<br/> Foto: Flitspaal – Heiloo Online (Creative Commons BY-ND).

Verwijdering eisen uit de banmanager van een forum

Een lezer vroeg me:

Op een forum waar ik zit, gebruikt men een zogenaamde banmanager. In de banmanager slaat het beheer twijfelachtige posts op van leden die ze vervolgens van het forum zelf verwijderen. Tevens worden waarschuwingen en bans hierin opgeslagen. Tot slot worden ook ip-adressen en andere usernames (‘undercover’s’) hier aan een user verbonden. In hoeverre is het eigenlijk toegestaan om zomaar forumposts van users op te slaan in een database waarin users ze zelf niet meer kunnen zien, editten of verwijderen?

Het lijkt me op zich toegestaan om een database op te bouwen met bewijsmateriaal van uitgedeelde bans. Je hebt als forumbeheerder het recht om bewijs te verzamelen voor je acties. Dat moet je dan ook ergens bewaren, en zo’n database als hier wordt beschreven, lijkt me een prima manier om dat te doen.

Auteursrechtelijk kun je daar niets aan doen, dit valt binnen de licentie die je geeft wanneer je iets plaatst.

De wet bescherming persoonsgegevens zegt dat je het recht hebt om te vragen welke gegevens men van je bewaart (artikel 35 Wbp). Het beheer moet je dus desgevraagd toelichten wanneer je in de bandatabase komt, wat men dan opslaat en wat er met die gegevens gebeurt. Dat zou niet zo’n probleem moeten zijn voor het beheer.

Eisen tot wijzigen of verwijderen kan echter alleen als de gegevens niet meer “ter zake dienend zijn”. In dit geval dient de database als bewijs, en het is niet handig als jij het bewijs over jezelf kunt aanpassen. Die eis gaat dus niet op.

Arnoud

Mogen bedrijven gebruik van sociale media ‘beteugelen’?

‘Werknemers kunnen hun werkgever ernstige schade berokkenen door het gebruik van sociale media. LinkedIn, Facebook of Twitter leggen bedrijfsgevoelige informatie bloot, zoals cv’s, zakelijk netwerk of klantenbestand’, zo opende een column in het Financieele Dagblad vorige week (via GeenStijl). De strekking: verbied al die sociale shizzle of ga er in ieder geval keihard bovenop zitten met je arbeidsreglement, want anders kan je bedrijf er wel eens aan onderdoor gaan.

Bij Recruitment Matters wordt alvast hard gelachen om deze naïeve advocaat, maar laten we hier eens inhoudelijk kijken. Welke grenzen gelden er bij sociale media en het werk?

Er is nog geen rechtszaak over gevoerd, maar het actief benaderen van oude klanten kan op deze manier zomaar onrechtmatig zijn. Vallen socialemediavrienden ook onder de beperkingen van een relatiebeding, waarin staat dat je geen zakenrelaties mag benaderen na einde dienstverband?

In theorie kan dat ja. Het is toegestaan om werknemers te verbieden om na afloop van het dienstverband actief onder je eigen klanten (relaties) te gaan werven voor zijn nieuwe werk. Of hij dat nu via Linkedin, e-mail, brieven, telefoongeheugen of de KVK-netwerkborrel doet, maakt niet uit. Wel moet het relatiebeding schriftelijk afgesproken zijn (art. 7:653 BW).

Het is dus niet toegestaan om ineens iedereen via een IT-reglement te melden dat je niet met klanten mag krabbelen of relaties aan je Linkedin mag koppelen. Maar als het schriftelijk in je arbeidscontract staat, dan zit je daar aan vast.

Een doeltreffend socialemediabeleid moet ook het bedrijfskapitaal beschermen. Enkele suggesties. Blokkeer sites als Twitter, LinkedIn of Facebook. Dat zal de arbeidsproductiviteit zeker ten goede komen.

Op zich is het natuurlijk toegestaan om sites te blokkeren – sterker nog, het is niet verplicht voor werkgevers om mensen toegang te geven tot internet of e-mail. Maar of het doeltreffend is? Dat lijkt me niet; mensen zijn zó gewend aan die middelen dat je alleen maar frustratie veroorzaakt en dat is bepaald niet goed voor de arbeidsproductiviteit.

Een alternatief voor blokkeren is monitoren, zodat je ‘goed’ gebruik kunt toestaan maar kunt ingrijpen als er ‘slechte’ dingen gebeuren. Alleen, je mag als werkgever internetgebruik niet zomaar monitoren, zeker niet wanneer dat persoonsgericht gebeurt. Volgens de privacywet is daarvoor een gerede verdenking richting die persoon nodig.

Voor Twitter en Hyves geldt dit privacypunt minder. Wat je voor iedereen zichtbaar op dergelijke media plaatst, is ook voor je werkgever leesbaar. En staat daar iets dat hem duidelijk schaadt, dan heb je toch echt een probleem.

Als een werknemer toch zijn profiel op zo’n site wil achterlaten, laat hem dan slechts in algemene zin naar buiten treden over zijn of haar werkzaamheden: zijn of haar exacte functie en werkzaamheden zijn vertrouwelijk. Ook mag de werknemer op het profiel niet aangeven welke opleidingen hij op kosten van de werkgever gevolgd heeft. Dat maakt hem alleen maar aantrekkelijk voor headhunters, en schept verplichtingen naar andere personeelsleden.

Natuurlijk mag je geen bedrijfsgeheimen publiceren op een profielensite, maar functie-informatie als bedrijfsgeheim? Oeps, dan zou ik maar gauw “company confidential” op je visitekaartjes laten zetten.

Het stukje over opleidingen heeft ergens een kern van waarheid, maar het lijkt me dat het aan de werknemer is of hij een gesponsorde opleiding wil noemen naar zijn collega’s. En als je sommige werknemers wel en andere niet zo’n opleiding wilt toestaan, dan zul je toch echt beleid moeten maken met de criteria. Die ‘verplichtingen’ kun je daarmee pareren.

En over headhunters: ik mag hopen dat mijn werknemers aantrekkelijk zijn voor headhunters. Je hebt echt een probleem als geen enkele headhunter je personeel zou willen hebben, toch?

Verbied de werknemer om actief klanten te benaderen via sociale media. Als het dienstverband beëindigd wordt, moet de werkgever kunnen controleren met welke klanten de werknemer via sociale media een relatie is aangegaan. De werknemer mag tot twee jaar na het dienstverband geen zakelijke contacten onderhouden met deze klanten.

Hier komen we dus terug op het punt rond relatiebedingen dat ik hierboven ook al noemde. Op zich mag dit inderdaad.

Wel roept dit soort bedingen snel lastige vragen op: is een Linkedincontact een ‘actieve’ relatie? En als ik mijn status update en die relatie leest dat in zijn wekelijkse Linkedinspamupdatemail, ben ik dan actief met hem aan het praten?

Die periode van twee jaar is wel meteen het maximum dat je kunt eisen volgens de jurisprudentie.

Tot slot kan worden afgesproken dat uitlatingen die niet in het belang zijn van de werkgever zo veel mogelijk moeten worden afgeschermd. Sociale media bieden genoeg mogelijkheden om informatie alleen te openbaren aan een selecte groep. De meer vergaande beperkingen of voorwaarden aan het gebruik van sociale media kunnen het best direct met de werknemer worden overeengekomen.

Dit gaat me echt te ver. “Niet in het belang” van de werkgever is nog geen reden om zomaar alles te kunnen verbieden. Je bent als werknemer verplicht je als “goed werknemer” (art. 7:611 BW) te gedragen. Ook al staat iets dus niet expliciet in de wet, als een goed werknemer dat niet zo doen dan behoor jij dat ook niet te doen. Op zich zijn er dus dingen die je moet laten om dat je daarmee de belangen van je werkgever schendt.

Daar staat tegenover dat óók de werkgever zo’n plicht heeft: inderdaad, die moet goed werkgever zijn (zelfde artikel). Zó hard bovenop alle sociale media zitten, lijkt me niet in het belang van de werknemer – en daarmee indirect ook niet in het belang van de werkgever zelf.

Meelezende werkgevers vinden bij Frankwatching een veel betere analyse van de problemen en mogelijke oplossingen.

Arnoud

Duits kansspelbeleid verboden, Nederland straks ook?

holland-casino-tryout-pakket-aanzetten-tot-gokverslaving.pngHet Europees Hof van Justitie heeft het Duitse kansspelbeleid min of meer ongeldig verklaard omdat dit beleid in de praktijk niet consequent werd uitgevoerd, hoorde ik gisteren van een lezer (dank!). De Duitse regering claimde gokverslaving te bestrijden maar maakte wel intensief reclame voor de staatsloterijen, en liet toe dat casino’s mensen actief uitnodigen om te komen spelen. Goh, waar doet dat nu aan denken?

Het is vaste rechtspraak van het Europese Hof dat een land het vrij verkeer van goederen en diensten mag beperken als het gaat om gokken en kansspelen. Zo werd in juni nog bevestigd dat Nederland bedrijven mag verbieden kansspelen via het internet aan te bieden. De rechtvaardiging hiervoor wordt gevonden in het algemeen belang om (gok-)verslaving en criminaliteit tegen te gaan.

In deze uitspraken (zaken C-316/07 en verder) bevestigt het Hof dat nog een keer. Regels opleggen mag, een staatsmonopolie op gokken ook, maar er moet een “dwingende noodzaak” zijn om dat te doen en de uitvoering daarvan moet

daadwerkelijk [beantwoorden] aan het verlangen de gelegenheden tot spelen te verminderen en de activiteiten op dit gebied op samenhangende en stelselmatige wijze te beperken.

En op die grond had de Europese Commissie al in 2008 gewaarschuwd dat Nederland haar kansspelbeleid zou moeten aanpassen.

Uit het persbericht van het Hof begrijp ik dat daar in Duitsland allesbehalve sprake van was. Er werd intensief reclame gemaakt voor loterijen (net als bij ons), er werden mensen actief verlokt om naar het casino te komen (net als bij ons) en er werd “daarbij de klemtoon [gelegd] op de behoefte aan financiering van sociale, culturele of sportieve activiteiten waarvoor de behaalde winsten bestemd zijn” (net als bij ons). Dat vindt het Hof genoeg om te oordelen dat hier geen sprake is van daadwerkelijk bestrijden van gokverslaving.

In die zaak van juni werd nog geoordeeld dat het Nederlands kansspelbeleid net zo goed een Europeesrechtelijk probleem zou hebben als de rechter oordeelt dat Nederland

een beleid van sterke expansie van de kansspelen voert door de consument op buitensporige wijze te stimuleren en aan te moedigen om hieraan deel te nemen met als hoofddoel gelden in te zamelen, en dat om die reden de financiering van sociale activiteiten uit een deel van de opbrengsten van de toegestane kansspelen niet een bijkomend gunstig voordeel vormt, maar de daadwerkelijke rechtvaardiging voor het door deze lidstaat gehanteerde restrictieve beleid

Dit Duitse arrest bevestigt dit nog eens. Het woord is nu aan de Hoge Raad, want die moeten nu op basis van bovengenoemde arresten een nationaal oordeel vellen. Ik ben benieuwd waar ze mee komt. Het zal in ieder geval bijzonder lastig worden om te betogen dat het Nederlands kansspelbeleid keurig binnen de regels blijft.

Arnoud

Mogelijk tijdslot voor internetuitzendingen publieke omroep

kijkwijzer-iconen-reet.pngMogelijk komt er wetgeving die het publieke omroepen verbiedt programma’s met een bepaalde leeftijdsclassificatie voor een bepaalde tijd op internet uit te zenden, meldde Nu.nl gisteren. Dat klopt niet helemaal: de wetgeving is er al, de vraag is alleen of deze ook geldt voor internetcontentaanbieders. Bij Tweakers wordt het iets beter uitgelegd:

Streams, ook on-demand, die een Kijkwijzer-classificatie van twaalf jaar en ouder hebben, zouden dan vanaf acht uur ’s avonds mogen worden bekeken; inhoud die alleen geschikt is voor zestien jaar en ouder pas vanaf tien uur ’s avonds.

Dit heeft te maken met de Mediawet, die regels stelt voor het aanbieden van audiovisuele content die “schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar”. Zo mag een omroep die alleen uitzenden op televisie als ze zich houden aan de regels van de Kijkwijzer, een vorm van bindende zelfregulering opgezet door het NICAM. Onderdeel van die regels zijn de hierboven gegeven tijdslimieten voor uitzending (artikel 3.1 Deelreglement Televisie van de NICAM reglementen).

Nu spreekt de wet van “televisieprogramma-aanbod”. Valt Uitzendinggemist daar onder? Als ik de sliert aan definities napluis die daarvoor nodig zijn, dan kom ik echt alleen uit bij “media-aanbod op basis van een chronologisch schema” en juist niet bij de “mediadienst op aanvraag” die Uitzendinggemist is. Maar in artikel 4.6 van de Mediawet staat dat deze regels (en dus ook de Kijkwijzer) ook gelden voor het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten. Daarmee moet de publieke omroep zich dus óók bij Uitzendinggemist.nl houden aan de regels van Kijkwijzer.

Wie dus heel formeel leest, kan tot de hierboven geciteerde conclusie komen. Maar ik heb grote moeite met die aanpak. Ten eerste omdat de regels van “na acht uur / na tien uur” niet voor niets in het Deelreglement Televisie staan: ze zijn specifiek voor televisie. Akkoord, je houden aan Kijkwijzer geldt ook voor andere diensten, maar moet je dat zó ver doortrekken? Ik zou verwachten dat die regel alleen geldt voor de algemene bepalingen uit Kijkwijzer, niet de televisiespecifieke.

En ten tweede omdat het volgens mij de bedoeling was dat “niet-lineaire diensten” (zoals dat zo mooi heet) een lichter wettelijk regime zouden krijgen dan “lineaire” of chronologische diensten. Met deze interpretatie trek je de twee precies gelijk, en het kan niet de bedoeling zijn dat alle televisieregels ook gaan gelden voor internetcontent.

Update (25 april 2012) ze gaan het echt doen, meldt Tweakers.

Arnoud<br/> Afbeelding: Kijkwijzersymbolen gecompileerd door reet, en dit zijn “door de Merkplaats geregistreerde merken” (lolwut?)

Mag een provider Sedo-advertentiepaginas neerzetten op klantensites?

sedo-parking.pngEen lezer schreef me:

Een site die ik zo af en toe bezoek had vanochtend opeens een “Pagina niet beschikbaar” melding. Dat kan, de site zal wel over haar datalimiet heen zijn of zo. Maar de provider had er allemaal advertenties van Sedoparking eronder geparkeerd, dus ik kon gelijk doorklikken naar allerlei schaarsgeklede dames en andere fraaie onderwerpen die niets met die site te maken hadden.

Mag een hosting provider dit zomaar doen? Het zal ongetwijfeld rechtmatig zijn dat je bij overschrijding van het verbruik de pagina blokkeert maar om dan er maar advertenties met een compleet andere (expliciete) inhoud op te zetten waarvan de inkomsten (if any) ongetwijfeld gewoon naar de hosting provider vloeien is natuurlijk een andere zaak. Nog maar afgezien van potentiële imagoschade door de expliciete content.

Een provider is inderdaad gerechtigd een site te blokkeren (“op zwart” te zetten) wanneer de voorwaarden van het hostingcontract worden overtreden. Er moet dan wel iets komen te staan als mededeling aan bezoekers, al was het maar “Site gesloten ivm overschrijding dataverkeer”. Daar is niets mis mee.

Soms zie je ook dat zo’n site dan wordt doorgeleid naar de homepage van de provider. Ik vind dat al dubieus eerlijk gezegd: als bezoeker kom ik voor die site, niet voor de provider. Als in het winkelcentrum de boekhandel die ik zoek gesloten is, wil ik ook niet meteen doorlopen naar de supermarkt een verdieping lager.

Het lijkt me echt niet kunnen om een pornopagina of zelfs maar een ‘gewone’ Sedo-parkeerpagina met advertenties neer te zetten in de plaats van een website van een klant. Daar is geen enkele rechtvaardigingsgrond voor. Het is de site van de klant en niet van de provider. De site mag op zwart, er mag een zakelijke waarschuwingstekst bij maar geld verdienen met zulke advertenties kan echt niet door de beugel.

Arnoud

Voorlichting op gemeentewebsite Den Haag bindend bij parkeerboete

parkeren-den-haag-verboden-te-parkeren-asfalt-weg.pngZo, ik ben weer terug van vakantie. En gelijk een leuk vonnisje gevonden: welke rechten kun je ontlenen aan de website van een gemeente? In een rechtszaak over het parkeerbeleid van de gemeente Den Haag genoeg om geen parkeerboete te hoeven betalen in ieder geval.

Een burger had haar auto geparkeerd aan de Suezkade te Den Haag, een “plaats waar mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting” zoals dat zo mooi heet. Zij kreeg een boete, haar digitale parkeervergunning zou niet op de juiste manier zijn aangemeld en daarmee niet geldig zijn geweest.

In de beroepsprocedure voerde de parkeerder aan dat de voorwaarden van de vergunning niet meegestuurd waren in de envelop waarmee de parkeervergunning opgestuurd was. Ze was daarom op de website van Den Haag gaan kijken, en ze had de instructies daar keurig opgevolgd. Dat die instructies dan onvolledig zijn, kon toch niet haar schuld zijn?

De gemeente vond van wel: ze had gewoon even moeten bellen en dan hadden ze de voorwaarden keurig op kunnen sturen. Wie gaat er nou op internet kijken als er een stuk papier ontbreekt in een envelop? Gelukkig vindt de rechtbank dat argument net zo’n onzin als ik:

Met eiseres is de rechtbank van mening dat – uiteraard indien en voor zover dat voorhanden is – daartoe kan worden volstaan met het raadplegen van de informatie op de internetsite van de gemeente Den Haag.

Op de website stonden enkele voorwaarden vermeld, zoals het moeten plaatsen van een parkeerschijf en niet langer dan twee uur aaneen parkeren, maar nu net niet de voorwaarde dat je de bezoekersvergunning na aanvraag nog eens moet aanmelden. Dat was waar de gemeente de boete op baseerde, maar de rechtbank verwijst deze eis naar de prullenbak:

Nu in de digitale gebruiksinstructie niets staat vermeld over het aanmelden van de digitale vergunning, behoefde eiseres niet te weten dat dit een noodzakelijke voorwaarde was. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet hoeven te twijfelen aan de op internet door de gemeente gegeven informatie. Dit geldt temeer daar de op internet – en op Schermprint I – weergegeven informatie en voorwaarden voldoende specifiek en uitgebreid zijn.

Het zou leuk zijn geweest als de rechtbank ook nog wat had gezegd over de proclaimer van de gemeente, want erg ‘pro’ vind ik die niet:

De gemeente Den Haag garandeert echter niet dat de inhoud van het Platform volledig, accuraat en juist is. … De informatie op dit Platform is uitsluitend bedoeld als algemene informatie en voor algemeen gebruik. Er kunnen geen rechten aan de informatie op het Platform worden ontleend. De gemeente Den Haag is niet aansprakelijk voor enige schade die is of kan ontstaan als gevolg van (blablabla).

Het idee van een proclaimer was toch juist vermelden “wat lezers en gebruikers wél kunnen verwachten”?

Prachtig hoe dat dan gaat: oh, we moeten een proclaimer, dan nemen we de aanbevolen proclaimertekst over maar laten we Juridische Zaken er even naar kijken. En die typt er dan toch weer precies die standaarddisclaimerzinnen in over die er nu net uitgegooid waren. Argh! Ik heb zo’n hekel aan copypastejuristerij.

Afijn, de rechtbank is gelukkig recht door zee: op de site staat het duidelijk en ondubbelzinnig, dus als burger kun je daar rechten aan ontlenen. Of de rechtbank (net als heel Nederland) vergeten is de disclaimerproclaimer te lezen of deze bij voorbaat al aperte onzin vond, weet ik niet, maar de uitkomst is hoe dan ook terecht.

Update (25 november) zie ook deze zaak over een verouderd postadres van de Belastingdienst dat nog op hun website stond. Ook daar mocht de burger vertrouwen op de site.

Update (30 september 2011) zie ook deze strafzaak waarin informatie op gemeentewebsites meewoog bij de vraag of verdachte “redelijkerwijze had kunnen vermoeden” (waar het om het primair tenlastegelegde gaat) of het “wist of redelijkerwijs had kunnen weten” van het subsidiaire tenlastegelegde. De gemelde informatie was onjuist maar dat bleek alleen uit recente nieuwe inzichten. Vrijspraak.

Update (12 juli 2012) voor het mogen heffen van parkeerbelasting op een extra koopavond in Nijmegen is de enkele vermelding daarvan op de website niet genoeg. Koopavonden moeten ook ter plaatse kenbaar zijn gemaakt.

Update (22 december 2013) dit vonnis moedigt disclaimers aan (ben ik bang) door te oordelen dat een uitgebreide webpagina over wat je verzekering dekt, bóven de verzekeringsvoorwaarden gaat.

(…) de tekst op de website van AnderZorg (ten aanzien van de vraag of kosten van plastische chirurgie onder de basiszorgverzekeringen vallen) uitgebreid is en uit niets blijkt dat de opsomming en tekst niet limitatief of niet volledig zou zijn. De conclusie is daarom dat [eisende partij] er op grond van de tekst van de website vanuit mocht gaan dat die tekst de volledige aard en omvang van de door haar gesloten zorgverzekering met AnderZorg, in elk geval voor wat betreft de kosten van plastische chirurgie, betrof.

Arnoud<br/> Foto: Conanil, CC-BY 2.0

Nederlandse organisaties ernstig bezorgd over ACTA

Omdat ik officieel nog met vakantie ben, nog even geen nieuwe eigen blogpost. Wel graag uw aandacht en steun voor het volgende:

Een brede groep Nederlandse organisaties heeft ernstige zorgen over de totstandkoming en de inhoud van het anti-namaakverdrag ACTA. De onderhandelingen over dit verdrag vinden nu grotendeels in het geheim plaats. De organisaties roepen de Nederlandse regering in een open brief (PDF) op om de transparantie rond ACTA te vergroten en de reikwijdte van het verdrag te beperken.

De onderhandelingen over ACTA raken veel Nederlanders, maar zij krijgen door het gebrek aan transparantie vrijwel geen inspraak. Volgens de ondertekenaars vergroot dat de weerstand tegen aan ACTA gerelateerde nationale wetgeving, zeker nu andere verdragen in veel meer openheid zijn onderhandeld.

Bovendien is in ACTA een uitgebreid hoofdstuk over de handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de digitale omgeving opgenomen. ACTA heeft daarmee mogelijk onwenselijke gevolgen voor het grondrecht op communicatievrijheid, onze kenniseconomie en de persoonlijke vrijheid van internetgebruikers.

De organisaties roepen de Nederlandse regering op alles in het werk te stellen om de transparantie over dit verdrag te verbeteren. Daarnaast roepen zij de regering op om ACTA te beperken tot namaakgoederen en dit niet uit te breiden tot de handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de digitale omgeving. De brief is geschreven door een brede coalitie van belanghebbenden in de informatiemaatschappij. De ondertekenaars zijn:

  1. Bits of Freedom
  2. Consumentenbond
  3. FOBID
  4. Free Knowledge Institute
  5. HCC
  6. Health Action International Europa
  7. Internet Society Nederland
  8. Kennisland
  9. Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten
  10. Open Domein
  11. Platform Burgerrechten
  12. Privacy First
  13. VrijBit
  14. VrijSchrift

Arnoud

Wat moeten wij met het nieuwe wetsvoorstel computercriminaliteit?

Plannen voor een nieuwe wet computercriminaliteit. Dat zou alweer de derde worden. Er is al veel over geschreven over het afsluitbevel, en ook vanwege mijn vakantie houd ik het kort (goed he, Steven?). Wie zin heeft in uitgebreid & diepgaand, leze Jan-Jaap Oerlemans’ analyse.

Allereerst dat afsluitbevel. Op zich is het nu al mogelijk (art. 54a Strafvordering) om een internetprovider of hoster te bevelen een website offline te halen of materiaal te blokkeren als deze kennelijk strafbaar is. Alleen is nu een machtiging van de rechter-commissaris nodig, dus van de rechterlijke macht. Volgens het wetsvoorstel zou een bevel van de officier van justitie genoeg zijn, waarmee de onafhankelijke toets komt te vervallen.

Bits of Freedom maakt terecht bezwaar tegen deze ‘censuur’. Voor mij is daarbij het belangrijkste argument dat het niet goed werkt, zoals Schellekens, Koops en Teepe in 2007 al concludeerden. Plus natuurlijk het argument dat nergens uit blijkt waar dit voor nodig is. Het enige dat ik kan bedenken is dat rechters-commissarissen niet altijd zomaar een machtiging afgeven, maar dat lijkt me een wat wankel argument.

Ook ergerlijk vind ik het idee om het opnemen van gesprekken te verbieden zonder instemming van de wederpartij. Dat is nergens voor nodig, en zal in de praktijk voor veel problemen zorgen. Bewijs vergaren bij niet-schriftelijke transacties wordt ontzettend moeilijk als je geen geluidsopnamen van de onderhandelingen of andere gesprekken kunt maken. Want natuurlijk gaat een malafide handelaar geen toestemming geven. Ik zou wellicht iets zien in een publicatieverbod (tenzij zware maatschappelijke noodzaak) maar het opnemen zelf moet te allen tijde kunnen als je deelnemer bent.

Ook wordt er een artikel voorgesteld dat het overnemen van “niet openbare gegevens zonder toestemming” verbiedt. Hiermee wil men sites aan kunnen pakken die gestolen gegevens herverspreiden. De aanleiding was de Manon-Thomaszaak, wier gestolen foto’s op diverse sites opduikten zonder dat daar strafrechtelijk wat aan gedaan kon worden. De dief kon wel worden vervolgd (computervredebreuk met gegevensdiefstal) maar het herpubliceren van zulke informatie is geen heling.

Alles bij elkaar zie ik weinig voordeel in dit wetsvoorstel. De WCC II was zeker een verbetering ten opzichte van de wet uit 1993, maar dit concept-WCC III mag wat mij betreft meteen naar de prullenbak.

Arnoud