Open source databanken: de OpenDatabankLicentie versie 1.0

Al eerder gemeld, maar nu is het definitief: de nieuwe open source licentie voor open en vrije databanken. Databanken bevatten vooral feitelijke data, en er komt zelden creativiteit aan te pas. Bestaande open source licenties zijn eigenlijk vooral bedoeld voor software, en ook de Creative Commons-licenties passen niet goed bij databanken. Vandaar deze nieuwe licentie.

De licentie noemt expliciet drie rechten: auteursrecht, databankenrecht en het recht op toegang tot de databank. Recht op toegang? Ja, wie een database publiceert, of algemener gezegd wie een dienst aanbiedt met een server, kan op grond van zijn eigendomsrecht op die server regels stellen over het gebruik van die dienst. Daar hoef je uiteindelijk helemaal geen intellectueel eigendomsrecht voor te hebben. Slim gevonden dus.

Ik heb al een paar keer (deel 1, deel 2, deel 3) aandacht besteed aan de vraag hoe het zit met afgeleide werken, kaarten die gemaakt worden op basis van de OpenStreetmap-databank. Ik kom volgende week met deel 4 trouwens, beloofd.

De ODBL is speciaal geschreven voor dit soort situaties. De definities bevatten de term “Produced Work”, en die luidt als volgt:

a work (such as an image, audiovisual material, text, or sounds) resulting from using the whole or a Substantial part of the Contents (via a search or other query) from this Database, a Derivative Database, or this Database as part of a Collective Database.

En het is natuurlijk de bedoeling dat zo’n Produced Work net zo vrij beschikbaar is als de oorspronkelijke brondatabase. Vandaar:

If You Publicly Use a Derivative Database or a Produced Work from a Derivative Database, You must also offer to recipients of the Derivative Database or Produced Work a copy in a machine readable form of:

a. The entire Derivative Database; or<br/> b. A file containing all of the alterations made to the Database or the method of making the alterations to the Database (such as an algorithm), including any additional Contents, that make up all the differences between the Database and the Derivative Database.

Onder “Use” wordt dan weer verstaan “alles wat normaal onder auteursrecht of databankenrecht valt, maar in ieder geval kopiëren, verspreiden, openbaar maken etcetera”. En “publicly” wil hier zeggen “naar personen die niet voor jou werken”.

Kort gezegd: wie een kaart maakt van een ODBL-databank, en deze kaart online aanbiedt aan het publiek, moet de databank erbij doen inclusief alle wijzigingen die hij op de databank heeft doorgevoerd.

En dat geldt zelfs als blijkt dat je helemaal geen recht hebt op grond van je auteurs- of databankenrecht om zoiets te eisen: het is immers een gebruiksvoorwaarde om toegang te krijgen tot de site. Op zich is dat slim bedacht, hoewel ik me afvraag in hoeverre dat ook echt werkt. Tegenover de persoon die dit accepteert en de site bezoekt lijkt het me wel rechtsgeldig. Die gaat het contract aan, en kan daar in principe aan gehouden worden. Uit het XS4All/Ab.Fab-arrest van de Hoge Raad blijkt dat je als eigenaar van een site in principe elke voorwaarde aan het gebruik mag stellen die je wilt. Maar tegenover derden? Dat kan nog een hele interessante worden.

Arnoud

Het mensenrecht op downloaden?

satelliet-schotel-ontvangst-meningsuiting-informatievrijheid-restrictie-prikkeldraad.jpgEen verbod op downloaden is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zo las ik gisteren in Trouw. Hendrik Rood van van Stratix zegt in dat artikel namelijk:

In [het EVRM] is vastgelegd dat een inwoner van Europa niet belemmerd mag worden bij het ontvangen van informatie. Overheden mogen die ontvangst niet blokkeren en ook bedrijven mogen dat niet. Dit recht op informatie is sindsdien herhaaldelijk door de Europese Unie herbevestigd.

Inderdaad, artikel 10 EVRM bepaalt dat “een ieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting” en rekent daar ook het ontvangen van inlichtingen of denkbeelden onder. De overheid, maar ook private partijen, mogen je niet zomaar hinderen bij deze ontvangst. Vandaar dus dat een woningbouwvereniging of vereniging van eigenaren niet zomaar het ophangen van satellietschotels aan je gehuurde appartement kan verbieden.

Maar om daar nu uit te concluderen dat downloaden dus te allen tijde mag gaat me ook weer te ver. Lid 2 van dit artikel biedt namelijk wel degelijk mogelijkheden om grenzen te stellen aan de uitoefening van dit mensenrecht. Eén van die mogelijkheden is “de bescherming van de rechten van anderen”, en het auteursrecht is een voorbeeld van zo’n recht.

Het Scientology-arrest is bij mijn weten de enige keer waar een hogere rechter zich moest uitlaten over de vraag of het mensenrecht van artikel 10 EVRM boven het auteursrecht kon gaan. Het antwoord was “ja mits”, en de mits legde hier een hoge drempel. Belangrijk aspect in die zaak was namelijk dat Scientology a) geen commercieel doel had met haar auteursrechten en b) “met hun leer en organisatie de verwerping van democratische waarden niet schuwen”. Daar kwam bij dat de teksten al openbaar waren via de Amerikaanse rechtbank.

Dus ja het kán maar het is wel zeer uitzonderlijk. Er zal een zeer zwaarwegende reden moeten zijn, bijvoorbeeld politieke discussie of een belangrijk maatschappelijk debat, op grond waarvan auteursrecht opzij gezet kan worden. “Gewoon willen downloaden” is ben ik bang niet genoeg daarvoor. Zoals professor Hugenholtz het in 1999 formuleerde (Word-file):

[T]he European Commission has been reluctant to accept freedom of expression and information arguments in cases where property rights in information are merely exercised to ensure remuneration, and the flow of information to the public is not unreasonably impeded. For European legislatures the message is clear: as long as licenses are made available under reasonable conditions, or statutory licenses apply, the European Court is unlikely to find that copyright and Article 10 collide.

Dat stukje over “statutory licenses” oftewel in goed Nederlands “heffingen” intrigeerde me. Aan de thuiskopie-exceptie zit immers al langer een heffing gebonden, tenminste als je downloadt of kopieert naar CD’s, DVD’s en dergelijke. Met even doorzoeken vond ik dan ook dit artikel van Robert Jacob Danay over peer-to-peer informatieverspreiding versus auteursrecht. Hij past het EVRM strak toe: de hoofdvraag is hierbij altijd of het gehanteerde middel om de meningsuiting of informatiegaring te beperken wel het minst inbreukmakend is. In plaats van iets keihard verbieden zou je het ook in beperkte vorm kunnen toestaan bijvoorbeeld.

Als je dat vertaalt naar downloaden en filesharen, dan wordt de vraag dus: is er een maatregel te verzinnen die ontvangst van informatie minder belemmert dan een verbod? En het antwoord daarop van Danay is: jazeker, je kunt ook gewoon heffingen instellen. De bekende “internet tax” of downloadtoeslag dus. Hiermee worden rechthebbenden ook gecompenseerd, en de informatievrijheid wordt minder aangetast dan bij een keihard verbod. En die toeslag geldt dan dus voor down- én uploaden.

Terugkomend op het artikel in Trouw: Rood heeft dus gelijk dat het kan, maar er zal wel iets aanvullends nodig zijn in de wet om dit op een juiste manier te regelen.

Arnoud

Eurocommissaris bepleit één Europese heffing op films

Eurocommissaris Viviane Reding (Informatiemaatschappij en Media) wil dat de filmindustrie stopt met het heffen van aparte rechten voor landen. las ik in de NRC. Het toegankelijker maken van digitale content heeft de hoogste prioriteit, omdat daarmee de piraterij moet worden teruggedrongen, voegt Tweakers daaraan toe. Eindelijk eens een strategisch voorstel over auteursrechten waar ik het mee eens kan zijn.

In het voorstel verklaart zij:

Today, right holders and online service providers need to spend far too much time and money on the administration of rights, instead of investing this money in attractive services. And consumers often cannot access online content if uploaded in another Member State. For online content in a single market of 27 Member States, economies of scale and consumer-friendly solutions will require a much simpler and less fragmented regulatory framework than the one of today. We had a similar problem when commercial satellite TV started more than 30 years ago. As right clearance for this per se cross-border service became increasingly complex, Europe developed the Cable and Satellite Directive and introduced a simplified system of rights clearance for the whole of Europe. I believe it is now time to develop similar solutions for the evolving world of online content.

Of zoals NRC het samenvat: “Iemand die in een onlinewinkel te horen krijgt dat die film of dat liedje niet in zijn land verkrijgbaar is, zal het de volgende keer zelf wel zoeken.”

Reding snapt waar de pijn zit bij de contentindustrie: het rechten clearen is zo duur dat niemand het aankan, omdat het allemaal individueel moet. Alleen als rechten collectief en ineens afgekocht kunnen worden, bestaat er een mogelijkheid om de concurrentie met gratis aan te gaan. Een uitstekend initiatief dus, dat wat mij betreft liever vandaag dan morgen nog wordt ingevoerd.

Kijk mevrouw Gerkens, <a href=”https://blog.iusmentis.com/2009/06/18/kamercommissie-presenteert-propaganda-pardon-initiatiefnota-auteursrechten/””>zo kan het dus ook: een wetgever die een wettelijke regeling verzint om een vastgelopen markt op gang te helpen, in plaats van alleen maar maatregelen voor repressie te bedenken.

Arnoud

Indexeringsites en auteursrechten, een spanningsveld? (gastpost)

Vandaag een gastbijdrage van Maarten van Amerongen, student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Deze bijdrage is een ingekorte versie van zijn afstudeerscriptie.

Er zijn honderden websites met een index aan eD2k-links, torrents en NZB’s, er hun aantal lijkt voortdurend toe te nemen. Voor mijn masterscriptie heb ik onderzoek gedaan naar drie P2P netwerken en evenzoveel websites die om verschillende redenen interessant zijn voor de behandeling van de problematiek rond de indexeringsites. Geclaimde massale inbreuken via zulke sites en gestelde miljoenenverliezen voor de rechthebbenden, een actueel probleem wereldwijd met in Nederland een tweestrijd tussen, voornamelijk, auteursrechtenbeschermer Stichting Brein en de beheerders van de indexeringsites. Veel indexeringsites worden door Stichting Brein als eendrachtig en inbreukmakend beschouwd maar de verschillen zijn zoveel interessanter.

In de loop van het afgelopen decennium is de werkwijze van Stichting Brein tegen indexeringsites en hun bezoekers veranderd. Ook de geleerden, rechterlijke macht en overheid lijken niet goed te weten wat men met de indexeringsites aanmoet. Zo haalde rechtenprofessor D.J.G. Visser in een artikel in Computerrecht 2001 de P2P dienst Napster aan. Destijds achtte hij Napster niet aansprakelijk voor auteursrechteninbreuk, wel leverde de dienst een onrechtmatige daad op. In een P2P dienst zónder centrale database zag hij geen probleem, het zijn dan uitsluitend de gebruikers die de auteursrechtelijk relevante handeling verrichten. Nu, enkele jaren later, staat Visser Stichting Brein bij in een procedure tegen de bittorrentindexeringsite Mininova. Een site die slechts torrentbestanden host voor het gedecentraliseerde Bittorrent netwerk en daarbij een streng Notice-and-takedown beleid voert. De inhoud van de procedure Stichting Brein/Mininova veronderstel ik als bekend.

De Stichting Brein voert keer op keer procedures tegen ISP’s of websitehouders om indexeringsites van het internet te krijgen. Hierbij verwijst Stichting Brein maar al te graag naar een paar behaalde matige successen uit het verleden. Relevante uitspraken die de stichting minder behagen worden doodgezwegen. De status van de indexeringsite is hierdoor, mijns inziens onterecht, op een hellend vlak gekomen waarbij de onrechtmatigheid van dergelijke websites dikwijls onterecht en steeds maar sneller wordt aangenomen, veelal door de voorzieningenrechter en zonder degelijk inhoudelijk feitenonderzoek. Een onterechte gang van zaken. Er mag vanuit worden gegaan dat de stichting weliswaar representatief is op het gebied van piraterijbestrijding maar dat hun zelfuitgeroepen expertise en oordeel in redelijkheid niet als waarheid overgenomen mogen worden in rechtelijke procedures. Ze zijn belangenbehartiger met een opinie en géén (onafhankelijk) expert, ook al profileren zij zich wel als zodanig. Een aanwezigheid van medewerkers van Stichting Brein bij doorzoekingen van woningen door de politie naar aanleiding van verdenkingen van intellectuele eigendomsfraude is derhalve volstrekt overbodig en ongewenst voor een deugdelijk onderzoek.

Hoe dan om te gaan met de indexeringsites? Naar mijn opvatting bestaat reeds afdoende wetgeving in de vorm van artikel 6:196c BW om de indexeringsite uit het juridische “grijze gebied” te halen. Een indexeringsite vormt in zekere zin een dienst van de informatiemaatschappij waarbij van de beheerder een vorm terughoudendheid van verlangd mag worden als het gaat om de controle van de inhoud van de door bezoekers geplaatste hashcodes, links of andersoortige data. Controle leidt immers te snel tot een ongewenste vorm van censuur.

In de lijn van de wetsgeschiedenis en jurisprudentie valt op te maken dat een beheerder van een website binnen het kader van de bescherming van artikel 6:196c BW valt indien hij adequaat optreedt bij meldingen van rechthebbenden inzake verwijzingen naar onrechtmatige data. Een dergelijke toepassing van art. 6:196c BW geeft een rechthebbende naar mijn mening in een procedure een sterke positie indien een beheerder weigerachtig blijft om links te controleren en verwijderen.

Het ligt derhalve voor de hand aan te nemen dat een beheerder van een indexeringsite in redelijkheid verplicht is informatie in de vorm van links, torrents, NZB’s etc. te verwijderen zodra hij wordt geïnformeerd door de rechthebbende over de onrechtmatigheid van de bestanden achter de verwijzing. Echter totdat de beheerder is geïnformeerd meen ik te kunnen concluderen dat de -mijns inziens ongefundeerde- klaagbeden van de nationale en internationale rechthebbendenorganisaties over de enorme verliezen die jaarlijks geleden zouden worden als gevolg van het downloaden van auteursrechtelijk beschermd materiaal als gevolg van links die opgenomen zijn bij de P2P indexeringsites, genegeerd kunnen worden. Ik zie in beginsel, en onder voorbehoud van speciale omstandigheden, weinig tot geen juridische problemen in het bestaan van dergelijke sites.

Maarten van Amerongen is student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Zijn scriptie is begeleid door mw. prof. mr. drs. M. de Cock Buning. Na het behalen van zijn masterdiploma ambieert hij een functie in de advocatuur, richting IT/IE.

Van mededeling naar conversatie

Aanstaande vrijdag mag ik spreken bij stichting VOICE over “wat er misging met auteursrecht vanuit de visie van internetters en hoe moet dat anders”. Op dit moment zit ik (om ongerelateerde redenen) in een hotelkamer in Chemnitz, en de viesbruine muren blijken iets minder inspirerend dan ik had gehoopt. Mag ik uw reactie op onderstaand concept?

(Update: zie ook de slides van deze presentatie.)

Understatement van de eeuw: het auteursrecht staat onder druk door internet. Nu is het niet de eerste keer dat een nieuwe technologie als bedreiging voor het auteursrecht (of beter gezegd, de auteursrechthebbenden) wordt gezien. Van drukpers tot radio tot videocassette, elke keer werd de nieuwe technologie als gevaar neergezet ” en elke keer bleek de nieuwe technologie uiteindelijk bijzonder winstgevend voor de rechthebbende.

Internet is echter meer dan een nieuwe kopieertechniek of een nieuw distributiemedium. Of nou ja, de tubes zijn dat misschien wel, maar de manier waarop consumenten met internet omgaan is wezenlijk anders. Internet laat mensen participeren, actief aan de slag gaan met werk. Mensen downloaden, uploaden, remixen, bewerken, becommentariëren, parodiëren en publiceren andermans werk. Mensen die voorheen alleen braaf op de bank de werken consumeerden die hen door de industrie werd aangereikt.

En die mensen vinden dat doodnormaal.

De reactie daarop van de rechthebbenden is echter allesbehalve normaal te noemen: dit is inbreuk, piraterij, het faciliteren van misdrijven en waarschijnlijk ook nog steun aan terrorisme. En het blijft niet bij retoriek. Er worden rechtszaken gevoerd, boetes geëist en sites gesloten waarvan internetters met de beste wil van de wereld niet kunnen begrijpen waarom. Er wordt nu zelfs serieus overwogen om internetproviders een verplichting op te leggen om elk internetpakketje digitaal te fouilleren ” met deep packet inspection en geautomatiseerde controlesoftware elke vermeende schending tegenhouden. Dit kost tonnen per jaar en zal binnen enkele maanden technisch irrelevant blijken, maar dat mag de pret niet drukken.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dan ook niet dat er steeds meer tegengeluiden en -bewegingen ontstaan, waar de diverse “piratenpartijen” de recenste exponent van zijn. De Zweedse piratenpartij is nu de op twee na grootste politieke partij van het land en heeft een zetel in het Europarlement verkregen. En ook in andere Europese landen schieten deze clubs als paddestoelen uit de grond.

Niet dat dit de rechthebbenden en hun vertegenwoordigers ook maar iets overtuigd: integendeel, met name stichting BREIN lijkt in Nederland met een groots offensief begonnen te zijn tegen alles dat downloadt, uploadt of daar hoe indirect ook mee te maken heeft. Maar helpt het? Tot nu toe lijkt het vooral een hoop werk voor juristen op te leveren. Een merkbare “dip” in het up- en downloaden is er niet.

Doorgaan op deze weg acht ik dan ook volstrekt heilloos. Het auteursrecht zoals het nu voor ligt, is dringend aan een grondige herziening toe. Niet aan een volledig afschaffen ” dat is een stroman. We hebben een manier nodig om weer draagvlak te creëren voor de rechten van creatievelingen. De enige manier daarvoor is een ander uitgangspunt van auteursrecht te nemen, dat beter recht doet aan de huidige verhoudingen tussen auteur en gebruiker.

Over de geschiedenis en de grondslagen van het auteursrecht is veel geschreven. Ik zal daar niet nader op ingaan. Waar het om gaat is de praktijk van vandaag, en die is dankzij vérgaande verdragen (met name WIPO 1996 en TRIPS) een model van absolute controle door de rechthebbende. Iemands werk is zijn eigendom en hij beslist dus wie wat daarmee doet. Dat maakt ieder gebruik van een werk verdacht: wat moet dat met andermans spullen? En als ik zeg “ieder gebruik” dan bedoel ik ook echt ieder gebruik. Elke kopie, hoe tijdelijk of technisch bepaald ook, is in beginsel een auteursrechtelijk relevante handeling. Eén van de grootste juridische blunders ooit, wat mij betreft.

Dat model van controle en eigendom werkte prima toen inbreuk vooral enkele professionele partijen betrof en auteurs in hun silo’s werkten. Maar het model stort compleet in wanneer iedere grapjas met een computer aan een perfecte kopie kan komen en daarmee kan doen wat hij of zij wil. En dat is precies wat er nu gebeurt. Zoals Metallica-advocaat Howard King het in de zaak tegen filesharing netwerk Napster mooi samenvatte: “The gumball machine broke and all the gumballs are rolling down the floor.”

Alleen, creatieve werken zijn geen kauwgumballen, en het auteursrecht is geen automaat die bij iedere draai, ieder gebruik, geld zou moeten opleveren. Het is precies die visie die zegt van wel ” ik noem dat het eigendomsdenken ” die verantwoordelijk was voor het gigantisch oprekken van het auteursrecht en de problemen waar we nu mee zitten. Daar moeten we dus zo snel mogelijk vanaf. Maar hoe moet het dan wel?

Het internet draait om samenwerking, om conversaties. Abraham Drassinower publiceerde vorig jaar het artikel “Authorship as Public Address“, waarin precies dit idee als uitgangspunt voor auteurswetgeving wordt gepropageerd. De auteur doet niet slechts een “mededeling aan het publiek” zoals de wet dat nu noemt; hij initieert of participeert in een publieke discussie. En doel van de wet moet zijn om te zorgen dat die publieke discussie op een eerlijke en voor alle partijen werkbare manier blijft lopen.

Deze visie sluit precies aan bij hoe de internetter, voorheen de consument, aankijkt tegen auteursrecht. Voor geld andermans bijdrage aan een conversatie presenteren als je eigen: nee, dat moet niet kunnen. Dergelijk letterlijk verspreiden van werk is en blijft verboden. Maar andermans bijdrage verwerken in je eigen betoog, je eigen werk bouwen op basis van bestaande muziek of films voegt iets toe, en dat moet dan ook niet meer dan doodnormaal zijn.

Arnoud

Frauduleuze auteursrechtenclaims?

Een lezer wees me op een interessant paper over copyfrauds: het onterecht claimen van auteursrechten op werken, meer in het bijzonder op werken die in het publiek domein zijn gevallen.

Copyfraud is everywhere. False copyright notices appear on modern reprints of Shakespeare’s plays, Beethoven’s piano scores, greeting card versions of Monet’s Water Lilies, and even the U.S. Constitution. Archives claim blanket copyright in everything in their collections. Vendors of microfilmed versions of historical newspapers assert copyright ownership. These false copyright claims, which are often accompanied by threatened litigation for reproducing a work without the owner’s permission, result in users seeking licenses and paying fees to reproduce works that are free for everyone to use.

Een Nederlands voorbeeld is deze publicatie van de Beatrijs waar een “© 2001 dbnl” bij staat. Dit is een veertiende-eeuwse tekst, dus deze ligt gewoon in het publiek domein. je vraagt je af waar die auteursrechtclaim vandaan komt.

Een legitieme mogelijkheid is een “vertalers”-auteursrecht. Wie een oude tekst naar modern Nederlands omzet, krijgt een auteursrecht op zijn omzetting omdat daar eigen creativiteit aan toegevoegd is. Maar dat zie ik in dit voorbeeld niet terug, de tekst bevat alleen oud-Nederlands.

Hetzelfde geldt voor foto’s, zoals ik al eerder besprak. Wie een oud schilderij fotografeert of bijvoorbeeld een oude kaart inscant, doet dat normaliter om een zo technisch perfecte kopie te krijgen. Die kopie is dan niet beschermd door auteursrecht, want daar zit geen eigen creativiteit van de fotograaf of scanner in.

Het auteursrechtvoorbehoud van het Nationaal Archief wringt zich in een interessante bocht: weliswaar claimt men overal auteursrechten op, maar de publiek domein foto’s staan op Flickr met een aanduiding “no known copyright restrictions” en dat is dan weer heel netjes.

Het “copyfraud” paper hierboven gaat er vanuit dat al die clubs dit opzettelijk en met boze intenties doen, en maakt zich kwaad omdat er zo weinig aan te doen is. Nu vraag ik me af of er werkelijk vaak sprake is van boze opzet. Menige website heeft alleen een copyrightnotice omdat de webdesigner er eentje in het template heeft gehangen. En auteursrechten claimen is niet automatisch hetzelfde als auteursrechten hebben.

Maar stel nu dat iemand werkelijk ten onrechte een auteursrecht claimt, kun je daar dan iets tegen doen? Ik denk het wel – als je geld gaat eisen op grond van zogenaamde auteursrechtinbreuk maar je hebt die rechten niet, dan is dat een vorm van oplichting. Je neemt immers een “valse hoedanigheid” aan, namelijk die van auteursrechthebbende. En daarmee beweeg je iemand om geld af te geven. De kans dat het Openbaar Ministerie hiervoor gaat vervolgen, lijkt me echter zo goed als nul.

Persoonlijk zou ik dus zeggen, als duidelijk is dat het werk publiek domein is, negeer dan de copyrightvermelding gewoon. Maar daar zit hem natuurlijk de kneep: weet je zeker dat het werk publiek domein is?

Arnoud

Wie is eigenaar van de verenigingswebsite?

hand-in-hand-vereniging-union.pngEen lezer mailde me:

Ik heb lange tijd voor een vereniging geheel vrijwillig de taak op me genomen om de website te onderhouden. De layout en vrijwel alle tekst is van mijn hand (afgezien van nieuwsbrieven en enkele aangeleverde stukken). Nu wil het bestuur echter van mij af, de details zal ik u besparen. Mijn vraag: kan ik nu eisen dat de site offline gaat? Ik zie het namelijk als mijn werk, en als het bestuur van mij af wil, dan gaat mijn site met mij mee weg.

Wie een website maakt, heeft daarop het auteursrecht. Dat is de hoofdregel, en die geldt ook bij vrijwilligerswerk. Natuurlijk behouden anderen die bijdragen leveren, hun auteursrecht. De nieuwsbrief is en blijft eigendom van de auteur daarvan, en foto’s van een lid met een camera blijven ook auteursrechtelijk van dat lid. Maar de websitebouwer heeft normaliter in ieder geval het auteursrecht op het “verzamelwerk” dat die website is.

De websitebouwer verleent dan de vereniging een licentie, een gebruiksrecht om ‘zijn’ site te mogen gebruiken als verenigingssite. Bij die licentieverlening worden zelden tot nooit nadere afspraken gemaakt. Ik zou zeggen dat de vereniging dan mag verwachten dat de licentie en dus de website voor eeuwig door hen gebruikt mag worden. Het lijkt me niet dat het bestaan van de verenigingssite afhankelijk moet zijn van het lidmaatschap van één persoon.

Wanneer de site ook nog eens voorzien is van een auteursrechtvermelding op naam van de vereniging, dan kun je zelfs goed betogen dat het auteursrecht niet eens bij het lid maar bij de vereniging ligt. Zie artikel 8 Auteurswet:

Indien eene openbare instelling, eene vereeniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij eenig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden, wordt zij, tenzij bewezen wordt, dat de openbaarmaking onder de bedoelde omstandigheden onrechtmatig was, als de maker van dat werk aangemerkt.

De hierboven geschetste situatie lijkt me niet onrechtmatig, en dus is de site van de vereniging. Dan kan het ex-lid dus al helemaal niet eisen dat de site offline gaat als hij moet vertrekken.

(Dit is dus niet hetzelfde als wanneer een forumlid verwijdering van zijn bijdragen vraagt.)

Arnoud

Afgeleide werken bij Openstreetmap (3)

openstreetmap-logo.pngEn daar waren we dan weer met deel drie van de vraag welke rechten er op de databank van het vrijelandkaartenproject Openstreetmap zitten. Al in deel 1 bleek dit een lastige kwestie. Want: wat wordt nu precies waarvan afgeleid? (Waar vanaf geleid? Waar van afgeleid? Argh.) In deel 2 leek de tussenconclusie te zijn dat de kaarten gemaakt uit de OSM-database een afgeleid werk lijken te zijn van de stylesheet.

Kaarten uit OpenStreetmap worden namelijk gemaakt door een grote hoeveelheid GPS-coördinaten in een databank te stoppen en te voorzien van verbindingen die labeltjes krijgen met bijvoorbeeld “fietspad” of een straatnaam. Op basis van die databank kun je dan kaarten genereren voor elk oppervlak en op elke schaal die je wilt. Die stylesheet bepaalt welke kleuren en dergelijke er in die kaarten terechtkomt. Een voorbeeld uit de OSM-documentatie:

Vier kaarten uit het OpenStreetmap project, gebaseerd op dezelfde data

Het lijkt me dus zeker verdedigbaar dat een stylesheetmaker een auteursrecht kan claimen op de stijlkeuzes. Maar is een kaart een afgeleid werk van de stylesheet?

Ik vermoed van wel, al zal het afhangen van welke elementen uit de stylesheet zelf in de kaart terechtkomen. Want een afgeleid werk moet wel op een of andere manier concrete beschermde elementen uit het werk overnemen waar het van afgeleid is. Nu hoeft dat niet letterlijk – een toneelstuk is een afgeleid werk van een boek bijvoorbeeld, zelfs als de spelers geen woord letterlijk zeggen zoals het in het boek staat. In die situatie zijn zaken als het plot, de karakters, uiterlijk, verloop en dergelijke van het verhaal overgenomen, en dat is al genoeg.

Maar: wat neem je over uit de stylesheet in de kaart die uiteindelijk gegenereerd wordt? De kleurkeuzen in ieder geval, en de kleur en positionering van teksten zo te zien ook. De derde kaart uit dit voorbeeld heeft bijvoorbeeld veel duidelijker aanduidingen van plaatsnamen dan de andere drie.

Opvallend (voor mij dan) is dat ik geen enkele stylesheet kan vinden waar een expliciete licentie bij staat. De meest gebruikte stylesheet is Mapnik maar zelfs daarvan zie ik nergens wat daarmee mag. Ik neem aan dat ze onder dezelfde Creative Commonslicentie horen te vallen als de rest van het project, maar het staat nergens.

Nou, en nu eens inlezen in het databankenrecht zoals dat geldt voor kaarten.

Arnoud

Kamercommissie presenteert propaganda, pardon initiatiefnota auteursrechten

auteursrechten-rapport-parlementaire-werkgroep.jpgWat een tegenvaller. Studeert de Tweede Kamer eindelijk weer eens op auteursrecht, krijg je een slap aftreksel van BREIN-propaganda.

Afgelopen woensdag presenteerde de werkgroep Auteursrechten de Initiatiefnota Auteursrecht (via Tweakers). Hoewel het rapport claimt een “een onafhankelijk oordeel over de toekomst van het auteursrechtbeleid” te presenteren, is de achterliggende lijn zeer éénzijdig. Auteursrecht dient onbeperkt ingezet te kunnen worden; consumenten van werk dienen te betalen en gebruikers van werk zijn in beginsel dieven en piraten (“klankjatters”, p. 36) tenzij ze een zeer beperkte uitzondering in de Auteurswet kunnen vinden. Het enige voor gebruikers voordelige item is dat de wildgroei aan collectieve-incassoörganisaties(*) ingeperkt dient te worden.

Immers:

Allereerst zetten technologische ontwikkelingen het auteursrecht zodanig onder druk dat gebruik van informatieproducten steeds meer plaats vindt in de privésfeer. Dat heeft een mentaliteitsverandering bij het grote publiek teweeggebracht die niet zo maar kan worden teruggedraaid.

En die mentaliteitsverandering is het probleem dat de rest van het rapport gaat oplossen. Het Groenboek Auteursrecht van de Europese Commissie, waarin juist werd onderzocht welke mogelijkheden en behoeften gebruikers hebben, wordt volstrekt genegeerd. Ook zaken als citaatrecht en remixen komen niet aan de orde. Het is namelijk heel simpel: creatievelingen maken werken en de rest van de wereld consumeert die braaf, uiteraard tegen vergoeding. Wie met Creative Commons wil werken, is eigenlijk een beetje gek maar ach, we zijn tolerant dus dat mag best. Maar die moeten verder niet zeuren dat CC actief gestimuleerd moet worden.

Waar ik nu heel benieuwd naar ben: wie is er allemaal geraadpleegd bij de totstandkoming van dit rapport? Men heeft een werkbezoek aan Philips Research gebracht en van “veel organisaties” advies ontvangen. Maar uit het rapport ademt overduidelijk de toon van de auteursrechtconservatieven zoals BREIN en Thuiskopie. Waar jurisprudentie wordt besproken, wordt deze als feit genoemd wanneer deze in lijn is met de visie van die clubs en “betreurd” wanneer een rechtbank niet in diezelfde lijn blijkt te zitten.

Opmerkelijk is dat men vast een voorschot neemt op de Mininova-zaak: “de werkgroep is van mening dat het geld [dat Mininova verdient] aan de auteurs toebehoort.” Zou het niet netjes zijn geweest, beste wetgevende macht, om eventjes te wachten tot de rechter hierover geoordeeld heeft?

Zinnen als “BREIN is een private organisatie die kleine(re) en grote overtreders aanschrijft en boetes op kan leggen” (p. 25) overtuigen mij niet bepaald van de juridische kwaliteiten van de werkgroep. Zeker niet als de iets verderop gesignaleerde knelpunten precies de natte droom van die club presenteren: downloaden moet verboden worden, net als het faciliteren van up- en downloaden, en ISP’s moeten NAW-gegevens van gebruikers opvragen, verifiëren en gebruiken zodat BREIN ze op kan vragen.

Mooi is dat in hoofdstuk V de technische context en geschiedenis wordt geschetst, zonder daarbij te melden dat de entertainmentindustrie elke stap (van fonogram tot internet) fel heeft bevochten. Want dat is namelijk precies wat er nu ook weer gebeurt: was het eerst de fonogram die het concert zou bedreigen, daarna de bioscoop die het toneel zou bedreigen en daarna weer de videoband die de bioscoop zou bedreigen, is het nu “de expansie van het internet en het relatief ongecontroleerde gebruik daarvan [dat] continu spanning oplevert met de intellectuele eigendomsrechten van creatieve geesten in onze samenleving.”

Hoe nu verder? Tsja, vooral veel repressie dus.

??chte aanbevelingen doen durft men niet: na aanstippen dat je met Bittorrent best geld kunt verdienen, zegt men “een dergelijk model zou ook voor de entertainmentindustrie goed kunnen werken. Het is echter niet aan de werkgroep om dit verder uit te werken”. NATUURLIJK is het wel aan de werkgroep om dat uit te werken. Je bent toch de politiek, de wettenmaker? Dan BEPAAL je welke maatregelen er nodig zijn om cultuur en economie te stimuleren!

Werkgroeplid Teeven zou onder zijn eigen rapport strafbaar bezig zijn op zijn blog trouwens. Misschien moet ik eens de blogs van al deze auteurs langslopen om te zien welke plaatjes en teksten ze nog meer gejat hebben.

Arnoud<br/> (*) Nee, ik snap nog steeds niets van de nieuwe regels over samengestelde woorden.

Opdrachtgever krijgt auteursrecht bij industrieel ontwerp

potloden-ontwerp-design.jpgWie een werk maakt, heeft daar zelf het auteursrecht op. Ook als hij dat in opdracht doet van een ander. De opdrachtgever moet contractueel de rechten opeisen. Dat is de hoofdregel uit het auteursrecht – of dat was hij, beter gezegd. Een arrest uit 2007 van het Benelux Gerechtshof, bevestigd in een recent arrest van het Gerechtshof Amsterdam (via Boek 9) draait die hoofdregel nu om voor industriële vormgeving, zoals verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen. Dat betoogt professor Dirk Visser in zijn noot bij het arrest van het Hof Amsterdam.

Industriële ontwerpen worden beschermd via het Benelux-Verdrag voor de Intellectuele Eigendom, vroeger bekend als het Benelux-Verdrag inzake tekeningen en modellen. Onder dit verdrag valt “elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp, met inbegrip van onder meer onderdelen die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden samengevoegd, verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen”. Een ontwerp kan daarnaast ook auteursrechtelijk beschermd zijn, hoewel het criterium daarvoor iets strenger is dan voor bescherming als tekening of model.

Het BVIE heeft een expliciete bepaling over de eigendom van zulke ontwerpen in artikel 3.8.2:

Indien een tekening of model op bestelling is ontworpen, wordt, behoudens andersluidend beding, degene die de bestelling heeft gedaan als ontwerper beschouwd, mits de bestelling is gedaan met het oog op een gebruik in handel of nijverheid van het voortbrengsel waarin de tekening of het model is belichaamd.

Dit is dus precies het omgekeerde van wat de Auteurswet zegt. Wie dus in opdracht een tekening of model maakt en daar een tekening- of modelrecht op vestigt, is de auteursrechten daarop volautomatisch kwijt. Maar, zo laat Visser zien, het gaat nog verder: ook als je geen modelrecht aanvraagt kun je die rechten kwijt zijn aan je opdrachtgever.

Het BVIE kent namelijk ook de zogeheten ongeregistreerde modelrechten. Wie een tekening of model maakt dat voldoet aan de definitie uit dit verdrag, krijgt volautomatisch drie jaar bescherming tegen overname door anderen. Zoals het Hof Amsterdam het formuleert:

Genoemde bepalingen van het BVIE (evenalsvoorheen de BTMW) komen er ” voor de onderhavige situatie samengevat ” op neer dat indien een model op bestelling is ontworpen de opdrachtgever, behoudens andersluidend beding tussen opdrachtgever en ontwerper, als ontwerper wordt beschouwd en dat aan deze daarmee ook het auteursrecht inzake dat model toekomt.

Grafisch ontwerpers doen er dus goed aan hun algemene voorwaarden nog even door te nemen of daar wel een expliciet beding in staat waarmee zij hun auteursrechten voorbehouden.

Arnoud