Website klant op slot? Alleen met expliciet beding daarover!

| AE 6831 | Intellectuele rechten | 10 reacties

gallery-website-templates.pngWie een website bouwt voor een klant, mag niet op grond van zijn auteursrecht eisen dat deze offline gaat tot de facturen zijn betaald. Dat vonniste de rechtbank Amsterdam vorige week. Een lastige uitspraak voor de praktijk want wat is er nu logischer dan met intrekking van een gegeven recht dreigen wanneer je je geld niet krijgt?

In deze zaak had een mediabureau een website ontworpen voor een opslagbedrijf. Het mediabureau had de auteursrechten behouden op de site, een veel voorkomende praktijk. En in dit geval gaf ze dat een stok om mee te dreigen: er stonden nog facturen open en als die niet snel werden betaald, zou de site op zwart gaan. De rechtbank bepaalt dat het mediabureau inderdaad de auteursrechten heeft. ook al heeft het opslagbedrijf teksten en afbeeldingen aangeleverd en het website-thema gekozen (kennelijk uit een set standaardthemes), uiteindelijk lagen de creatieve keuzes bij het mediabureau.

De website is door het mediabureau live gezet, ook al stonden er nog facturen open. Mocht men nu de aldus gegeven impliciete licentie (gebruiksrecht) tijdelijk intrekken? Nee, want daar staat niets over in het contract. De rechtbank maakt een analogie met het eigendomsvoorbehoud: als je een fysiek product verkoopt maar je wilt het kunnen terughalen bij wanbetaling, dan moet je de eigendom expliciet voorbehouden (art. 3:92 BW). En dat moet dus ook bij het opschorten van een gebruiksrecht of intrekken van een licentie wegens wanbetaling.

Wel woog mee dat een aantal facturen al wél waren betaald. Mogelijk dus dat de rechter de maatregel niet proportioneel vond gezien het resterende bedrag en daarom eiste dat de botte bijl expliciet in het contract had moeten staan. Als de wederpartij niets had betaald, had dit wellicht anders uitgepakt. Ook speelde mee dat de vordering betwist werd. Het voelt dan unfair (“misbruik van recht”) om je gelijk af te dwingen.

Zelf adviseer ik altijd om getrapte maatregelen door te voeren, bijvoorbeeld eerst de beheersaccounts beperken zodat de klanten nog wél bestellingen kunnen plaatsen en je bij bestellingdata kan, maar er geen nieuwe producten meer in de webshop kunnen. Als volgende stap gaat dan de database op alleen-lezen zodat er niets verloren gaat maar nieuwe klanten krijgen een storing. En daarna gaat de site voor klanten op zwart maar kan men nog wel bij de backend zodat noodgevallen nog afgehandeld kunnen worden maar de dienstverlening er verder toch aardig onder piept en kraakt. Of juist alleen de backend op zwart zodat de klant het niet merkt maar je wel een prikkel hebt om het snel op te lossen. Wellicht dat een dergelijke getrapte maatregel hier ook beter had gewerkt?

Arnoud

De leesbare versus de juridisch bindende algemene voorwaarden maken

| AE 6509 | Informatiemaatschappij | 18 reacties

pen-contract-ondertekenen-algemene-voorwaardenEen lezer vroeg me:

Je ziet soms websites die hun algemene voorwaarden in een ‘leesbare’ en ‘juridische’ versie hebben. Die laatste is dan uiteraard bindend, maar wat is dan nog de waarde van de leesbare versie?

Algemene voorwaarden zijn, zoals de wet dat omschrijft, “opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen”. Zeg maar juridische #include-files. Het idee is dat je dan niet elke keer hoeft te onderhandelen over ondergeschikte punten zoals wie het bezorgrisico draagt of wat de betalingstermijn is.

Meestal héb je niet eens onderhandelingsruimte bij algemene voorwaarden. Zeker bij internetdiensten, daar dien je braaf een vinkje te zetten en verder niet te veel te zeuren over rare voorwaarden. Ze kunnen toch op ieder moment wijzigen. Lekker puh.

Oké dat was een tikje cynisch. Steeds meer bedrijven zien in dat al te eenzijdige en cryptisch-juridisch opgestelde voorwaarden niet handig zijn, en proberen ze dus leesbaar te krijgen. Een manier daarvoor is een ‘vertaling’ naar normaal Nederlands er boven zetten, met dan de opmerking dat deze vertaling niet bindend is. Creative Commons is denk ik de bekendste exponent van deze trend: zij bieden een “voor mensen leesbare”, een “voor juristen leesbare” en een “voor computers leesbare” versie van al hun vrije-inhoudslicenties aan.

Ik vind het een heel goed idee om juridisch bindende teksten voor gewone mensen leesbaar te maken, maar juist weer erg slecht om die leesbare teksten dan als niet bindend te verklaren. Je doet echt iets verkeerd als je doelgroep je juridische tekst niet kan lezen. En een “dit betekent het, maar misschien ook niet, succes met alsnog de juridische tekst ontrafelen” is dan echt een zwaktebod.

In Nederland is er trouwens al een soort van wettelijke plicht om je algemene voorwaarden leesbaar te houden. De wet eist namelijk (art. 6:238 sub 2 BW) bij een overeenkomst tussen bedrijf en consument dat:

… de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de wederpartij gunstigste uitleg.

Het enige probleem hiermee is dat een rechter ook een jurist is, en die zal dus (vrees ik) eerder denken dat een beding duidelijk is dan de gemiddelde internetdienstafnemende consument.

Ik raak er steeds meer van overtuigd dat we een Wet op de cloud moeten krijgen, met daarin onder meer een hoofdstuk met standaardvoorwaarden voor webdiensten. Een wettelijke default EULA of TOS zeg maar, zodat niet iedereen opnieuw zelf het wiel hoeft uit te vinden.

Arnoud

Hoe bewijs je dat een webpagina bestond op een bepaald moment?

| AE 5674 | Informatiemaatschappij | 27 reacties

Dat kan geen toeval zijn: gisteren kreeg ik drie keer (in iets verschillende bewoordingen, dat wel) de volgende vraag:

Wat moet je eigenlijk doen om de inhoud van een webpagina op een bepaald moment rechtsgeldig vast te leggen i.v.m. schadeclaims e.d.? Een “Akte van Inhoud” laten opmaken door een notaris, of op een andere manier ergens deponeren waardoor een rechter dit als feit kan hanteren, ook al is de pagina nadien veranderd?

In Nederland gelden geen formele regels voor bewijs: alles dat je kunt aandragen om je standpunt te onderbouwen, is welkom. Het verhaal “dit is onrechtmatig verkregen want” zal je weinig helpen. Hooguit kun je er een rechter achterdochtiger mee maken over de échtheid van het bewijs. Maar als partijen geen punt maken van die echtheid dan mag de rechter er gewoon op afgaan. Ook bij iets triviaals als een MSN-chatlog.

Als mensen wél gaan betwisten dat iets de waarheid is, dan wordt het lastig. Want hoe bewijs je dat een website echt wél online was met bepaalde inhoud op een bepaald moment. Ik herinner me een vonnis (helaas het LJN vergeten) waarin een webwinkel de bewijsopdracht kreeg aan te tonen dat haar bestelprocedure zoals gehanteerd bij de procederende klant anderhalf jaar geleden een aanvinkvakje voor de algemene voorwaarden bevatte. Nou, succes. Wie heeft er überhaupt screenprints of een filmpje van zijn bestelprocedure?

In de andere zaak werd de gedaagde verplicht om iedere verwijzing naar het merk van de eiser van zijn site te verwijderen. Na de deadline waren er in Google nog zoekresultaten zichtbaar met de merknaam in de URL, dus dat gaf een executiegeschil. Daarbij werden screenprints overlegd, maar die waren onvoldoende als bewijs:

Allereerst geldt dat op grond van de schermafbeelding niet is vast te stellen of de getoonde URL daadwerkelijk toegang gaf tot de website van het ’t Stokertje, die volgens het oordeel van de rechtbank in haar bodemvonnis inbreuk maakte op de merkrechten van Smeedatelier De Jong.

Het was dan ook een screenprint van de Google zoekresultaten. Ja, mijn eerste gedachte was ook, wtf, waarom niet een screenprint van de pagina zelf. Mogelijk dat het idee was dat Google-zoekresultaten er officiëler uitzien, of mogelijk was de site zelf onbereikbaar en was dit de enige optie.

En in een zaak uit 2012 stond ter discussie wie de ontwerper was van een set lampen. Daar had de eisende partij een mooie oplossing voor: registratie bij de Belastingdienst (wat niet meer kan tegenwoordig). Maar

de door [appellante A.] overgelegde registraties bewijzen niets meer dan dat [appellante A.] in 2008 en 2010 foto’s bij de Belastingdienst heeft gedeponeerd.

Dat is juist maar wel érg formeel: wie als eerste een registratiedatum kan laten zien, mag toch gevoeglijk worden vermoed de maker te zijn. Wat pijnlijker was dat de registratie door een Commanditaire Vennootschap was gedaan en niet door [appelante A].

Ook had zij screenprints uit Windows Photo Viewer en uit Windows Picture and Fax Viewer overlegd, waarbij per foto tevens de eigenschappen zichtbaar waren, zoals de aanmaak-, bewerkings- en toegangsdatum. Deze screenshots bewijzen niet dat het [appellante A.] was die de lampen had ontworpen. Het Hof komt met diverse scenario’s:

– de screenshots kunnen afkomstig zijn van een andere computer dan die van [appellante A.];
– de ontwerpenkunnen door een ander vervaardigd zijn op [appellante A.]s computer;
– de afbeeldingen kunnen afkomstig zijn van bestanden welke elders, op een andere computer of door iemand anders, zijn vervaardigd en vervolgens op deze computer zijn gezet en al dan niet (op al dan niet onderge-schikte onderdelen) zijn aangepast,
– ongeacht wie de op de screenshots zichtbare ontwerpen heeft “vervaardigd” kan het ook gaan om het resultaat van een poging om lampen welke degene die achter de computer zat elders had gezienna te maken;
– de datum op de computer kan zijn gemanipuleerd.

Daarvan zeggen ze meteen, we wéten niet of dat is gebeurd maar deze mogelijkheden geven zo veel twijfel dat we er geen overtuigend bewijs in zien. Wederom, wat erg formeel. Maar in deze context wel kloppend: de gedaagde hád er een punt van gemaakt dat niet vaststaat dat de eiser de maker/rechthebbende was. En dan is een screenshot inderdaad wat weinig.

Hoe dan wel? Allereerst lijkt me een objectieve datumbron van belang. Dus niet een screenshot vanaf je eigen PC, maar een i-depot, een akte door de notaris of proces-verbaal van constatering door de deurwaarder. Dan staat in ieder geval vast wáár het om gaat en wannéér. Maar bij al deze diensten geldt dat ze geen verificatie doen, geen verificatie kúnnen doen van het werkelijke makerschap. Ik kan een ontwerp stelen en de deurwaarder laten constateren dat het in mijn bezit is of op mijn website staat. Zolang de bestolene niet hardop piept, zou ik dan kunnen claimen maker te izjn.

Bij bewijs over wat de inhoud van een site was (zoals die merkinbreukzaak hierboven of bij zeg smaad) zou zo’n proces-verbaal wél kunnen helpen. De deurwaarder gaat dan zelf naar de site, leest wat er staat en zet dat in zijn proces-verbaal (al dan niet met screenshot). Dan staat vast dat die tekst online stond toen de deurwaarder ging kijken. Een i-depot lijkt een goedkoop alternatief, maar je kunt een webpagina natuurlijk snel even bewerken voor je ‘m i-deponeert dus dat zou iets minder bewijskracht geven.

Algemeen denk ik dat er geen keiharde oplossing is voor het probleem. Hebben jullie suggesties?

Arnoud

Wanneer ben ik als websitebouwer aansprakelijk voor content?

| AE 5485 | Intellectuele rechten, Ondernemingsvrijheid | 27 reacties

Een lezer vroeg me: Ik heb als freelance websitebouwer een site gebouwd voor een klant, met voetbalnieuws en een forum. Nu heb ik ze meerdere malen gevraagd hoe het zit met auteursrechten op wat ze me aanleverden, en het antwoord was altijd “maak je niet druk, je kunt dit gewoon gebruiken”. En je raadt het… Lees verder

Van wie is die website (met CMS)

| AE 4705 | Intellectuele rechten, Iusmentis | 68 reacties

Weer een regelmatig terugkerende kwestie: mensen laten een website bouwen, denken daar eigenaar van te zijn maar er blijkt een door de sitebouwer zelf ontwikkeld CMS achter te liggen. En artikel 18.3 van diens algemene voorwaarden bepaalt dat het eigendom daarvan “ten alle tijde” (sic) bij hem ligt. Ja, dat is rechtsgeldig ondanks die taalfout…. Lees verder

Het auteursrechtelijk beschermde website-ontwerp

| AE 2640 | Intellectuele rechten | 12 reacties

Ontwerpen voor websites kunnen zelf auteursrechtelijk beschermd zijn. Het overnemen van zo’n ontwerp is dus problematisch, zeker als je dat doet nadat je het ontwerp hebt gekregen bij een offerte van een websitebouwer. Dat blijkt uit een vonnis (met plaatjes, leuk!) van twee weken terug (via). Natuurlijk betekent dit niet dat elk schetsje van een… Lees verder

Wie vindt de Googlecache? 1183,81 euro beloning!

| AE 2644 | Uitingsvrijheid | 20 reacties

Een beloning van ” 1183,81 voor wie de verliezer in een rechtszaak aanwijst welke pagina hij nu moet verwijderen. Toegegeven, die had ik nog niet eerder gezien. In een kort geding (via) kreeg de eigenaar van Rechtinnederland.nl te horen dat hij enkele publicaties moet opschonen (wat hijzelf “censureren” noemt, waar ik dan weer jeuk van… Lees verder

Zwartelijstweek: Hoe mogen websitevoorwaarden worden gewijzigd?

| AE 2634 | Informatiemaatschappij | 17 reacties

Vanwege mijn vakantie deze week geen gewone blogs, maar een zomerserie die ik ‘Zwartelijstweek’ heb gedoopt. Welke websitevoorwaarden zouden moeten worden verboden? Of hoe ver zouden website-exploitanten nog mogen gaan bij een site waar gebruikers ook een bijdrage leveren? In de items tot nu toe is het al een paar keer aan de orde gekomen:… Lees verder

Zwartelijstweek: Wat mogen websites met je persoonlijke informatie?

| AE 2637 | Informatiemaatschappij | 13 reacties

Vanwege mijn vakantie deze week geen gewone blogs, maar een zomerserie die ik ‘Zwartelijstweek’ heb gedoopt. Welke websitevoorwaarden zouden moeten worden verboden? Of hoe ver zouden website-exploitanten nog mogen gaan bij een site waar gebruikers ook een bijdrage leveren? Privacy op sociale media en websites is een hot topic, maar tegelijkertijd een verschrikkelijk lastig onderwerp…. Lees verder