Een wettelijk verbod op antirecensieclausules, is dat nodig?

Binnenkort wordt het in heel de VS verboden om in je algemene voorwaarden clausules op te nemen die consumenten straffen voor negatieve recensies, las ik bij The Consumerist. Dit naar aanleiding van akkefietjes als deze, waarbij bedrijven in hun algemene voorwaarden een verbod met boete zetten op negatieve uitlatingen. Leuk, hoewel niet echt nodig onder de Amerikaanse vrijheid van meningsuiting. Maar hoe zit dat bij ons?

De populariteit van recensiesites is zodanig groot dat je als bedrijf behoorlijk in de problemen kunt komen als je veel negatieve reviews krijgt. Dit zou zelfs zo ver gaan dat gasten allerlei gunsten eisen onder dreiging van een negatieve review. Logisch dus dat bedrijven zoeken naar opties hier wat tegen te doen, en een clausule als “U zult geen negatieve recensies achterlaten zonder onze toestemming” is natuurlijk een mooie. Wil je dat handhaven, dan is een contractuele boete er zo in gefietst.

Houdt dat stand? Geen seconde.

Allereerst omdat het opleggen van boetes als zodanig op de blauwe lijst staat, wat betekent dat het in beginsel onredelijk bezwarend is als algemene voorwaarde (art. 6:233 BW). Daarmee is die voorwaarde dus eenvoudig te vernietigen.

Meer algemeen omdat de vrijheid van meningsuiting een grondrecht is, en het inperken van grondrechten sowieso in een contract niet snel aan de orde is. Je zult echt een hele goede reden moeten hebben, en “we willen klachten graag zelf oplossen” of “we zijn bang voor onterechte recensies” is echt niet genoeg. Als mensen willen spuien, dan moeten ze dat mogen.

Dan is er nog de slimme truc van het opeisen van het auteursrecht op de recensie. Creatieve hack: zo voorkom je de inhoudelijke discussie maar kun je de recensie wel weghalen via de eenvoudige DMCA notice/takedownprocedure. Maar dit zal ook niet werken, in ieder geval niet bij online contracten om de eenvoudige reden dat auteursrechtoverdracht ondertekening van een stuk papier (een akte) vereist, en algemene voorwaarden zijn geen akte.

Plus, ook hier loop je dan weer tegen de regel van onredelijkbezwarendheid aan: er is geen legitieme reden om dat auteursrecht op te eisen. Dit is geen prijsvraag waarbij je de winnende inzending wil gebruiken op je bedrijfsbusjes of zo. Dit is gewoon het kunnen blokkeren van onwelgevallige recensies, en dat is gewoon niet legitiem.

Arnoud

Tweede Kamer wil agent niet meer herkenbaar in beeld, eh nee vergeet het maar

politie-bordje-logo-aangifte-bureau.jpgDe Tweede Kamer vindt dat politieagenten voortaan niet meer herkenbaar in beeld mogen worden gebracht, las ik bij het AD. Men spreekt zelfs van het tegengaan van ’treitervloggers’ die kennelijk agenten hinderlijk volgen. Maar de motie, die oproept tot een wetsvoorstel, gaat verder dan dat: agentenportretten mogen dan niet meer worden uitgezonden waar dan ook zonder blur. Ik zie niet hoe dat juridisch moet gaan werken.

De zorg van agenten snap ik, en ik zie zeker ook dat het echt irritant is om achterna gezeten te worden door een hijgerig typ met een GoPro op zijn hoofd die hoopt op een Dumpert-scoop. Maar een regel schrijven die dát verbiedt maar gewone journalistiek (“informatiegaring”) toestaat, lijkt me nog een hele kluif.

Eerlijk gezegd zie ik als jurist ook het probleem niet helemaal. Agenten hebben gewoon portretrecht, en al sinds 2005 weten we dat dat in principe betekent dat agenten moeten worden geblurd bij uitzending van beelden van hun werk. De persoon onder die pet doet voor het nieuws zelden ter zake, is daarbij de gedachte. Dat de politie iets raars zou doen, moet kunnen worden getoond, maar zonder identificatie van de specifieke persoon.

Natuurlijk, voor portretrecht moet die agent zelf naar de rechter. Dat is een civiele claim, dus dat kan duur en tijdrovend zijn. Maar je zou als werkgever – de politie – kunnen zeggen, wij betalen en regelen dat. Stukje goed werkgeverschap, en ik weet dat het ook al wel gebeurt. In theorie zou je zelfs als Openbaar Ministerie kunnen zeggen, we stoffen artikel 35 Auteurswet af: dat stelt strafbaar het zonder recht openbaar maken van iemands portret. Dan kan het OM dat gedoe op zich nemen en is de individuele agent verlost van het gedoe.

Het belangrijkste is echter dat al die regels een belangenafweging ingebouwd hebben. En dat mis ik in dit kabinetsvoorstel. Als er gewoon goede redenen zijn om een agent herkenbaar in beeld te brengen, dan moet dat mogen. Dan wint de uitingsvrijheid het van de privacy. Dat geldt voor burgers, dus waarom niet voor de politie. Dus nee, hier zie ik totaal geen heil of noodzaak in.

(Natuurlijk, het wetsvoorstel kan gewoon ook die belangenafweging hebben maar dan staat er hetzelfde als nu bij het portretrecht geldt: het mag niet tenzij een ander belang zwaarder weegt. Dat lijkt me weinig nuttig.)

Arnoud

Waarom is fakenieuws eigenlijk niet gewoon strafbaar?

krant.jpgEen lezer vroeg me:

Sinds de verkiezing van Trump is er veel te doen over fakenieuws en hoe dat geholpen zou hebben bij de verkiezing. Maar waarom wordt er niet opgetreden tegen al dat nepnieuws? Het is toch valsheid in geschrifte, compleet verzonnen ‘nieuws’ uitbrengen alsof het serieus en waar is?

Ik vrees dat dit juridisch wel érg ingewikkeld zou worden. Inderdaad is valsheid in geschrifte strafbaar, maar het gaat dan wel om een specifieke handeling (art. 225 Strafrecht):

Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Het moet allereerst dus gaan om een geschrift. Oké, elektronisch telt ook, dus daar is aan voldaan bij zo’n nepsite. Maar dan komt het: het geschrift moet bestemd zijn om tot bewijs van een of ander te dienen. En daar gaat het mis. ‘Bewijs’ betekent hier niet “er wordt iets verteld als waarheid”, het geschrift moet de functie van bewijsstuk hebben. Een diploma, een identiteitskaart, een bioscoopkaartje, dat soort zaken. Een onware mededeling is dus niet strafbaar onder dit artikel.

Meer algemeen loop je al heel snel tegen de vrijheid van meningsuiting aan. Naast gewone verslaggeving is ook de satire en parodie een belangrijk deel van de uitingsvrijheid. En een nepbericht wordt meestal onder die noemer gebracht. Zo hebben wij in Nederland natuurlijk al jaren het geweldige De Speld: nepnieuws maar wel altijd met een duidelijke hint én een grappige ondertoon. Geen twijfel over dat dat legaal is, ook al zijn er regelmatig mensen die de Speld voor waar aannemen. Dat noemen we “er in trappen” maar dat maakt het bericht niet strafbaar.

Alleen is er nooit echt gedacht aan de situatie dat mensen opzettelijk legitiem uitziende berichten gaan maken die echt nep zijn en zonder een spoortje van humor of poging daartoe. Natuurlijk, je had altijd mensen die leugens verkondigde, maar die kwamen niet door het filter van krant of televisie heen. Dat loste zichzelf dus altijd wel op. En een krant die een vals bericht verspreidde, rectificeerde dat (meestal vrijwillig, anders via de rechter) en dan kwam het weer goed. Of het bleek een grap en dan lachten we erom. Deze situatie is dus echt nieuw: echt keihard nepnieuws dat gepresenteerd wordt als volkomen echt, en niet eens een poging om het onder satire te rangschikken.

Ik zou het lastig vinden als officier van justitie hier wat aan te doen. Waar begin je? Wanneer zeg je, dit is geen poging tot humor meer maar echt volksverlakkerij? Hoe vermijd je de schijn van vooringenomenheid, je treedt wel op tegen dat fakenieuws over Mark Rutte maar niet tegen dat over Wilders. Hoe ga je om met de reactie, je snapt de grap niet. Nee, ik zou mijn handen er niet aan willen branden.

Arnoud

Hoe je met een nepvonnis je reputatie op kunt schonen

grumpy-cat-no-nee-weigering-juristTwee Californische advocaten worden ervan beschuldigd met neprechtszaken hun cliënten beter in zoekmachines te laten uitkomen, las ik bij Ars Technica. Of nou ja, neprechtszaken: ze bestonden echt, en er werd ook echt wat geëist. Gelukkig voor partijen kwam men meteen tot een schikking. Dus hoezo is dat raar, en vooral wat levert het je dan op voor je zoekresultaten?

Eigenlijk is de truc briljant in zijn eenvoud. Waar het hier om ging, is het weg krijgen van onwelgevallige publicaties over je cliënt. De meeste blogdiensten en recensiesites doen dat naar goed Amerikaans gebruik alleen met een court order want free speech en zo. Notice en takedown heeft dus niet echt zin, tenzij je auteursrechtelijke trucs gaat toepassen. Je moet naar de rechter, en zijn vonnis “die recensie is smaad” is het enige waarmee dat bericht dan weggehaald wordt.

De scam komt erop neer dat je een bereidwillige stooge (hoe noem je dat bij ons, een katvanger?) zoekt die zich wel wil laten aanklagen voor die recensie. Je dagvaardt hem voor een verklaring voor recht en misschien één dollar schadevergoeding, hij erkent meteen dat hij schuldig is en daarmee is voor de rechter de zaak snel klaar.

Immers wat niet wordt betwist, is voor de rechter waar. Als beide partijen het erover eens zijn dat deze meneer de auteur is en dat de inhoud onrechtmatig is, dan kan de rechter dus niet nader bewijs eisen of die meneer écht de review geschreven heeft, of alsnog gaan beslissen dat géén sprake is van onrechtmatigheid. Vonnis, stempel, klaar. En vooral: opsturen dat vonnis naar de site met de review. Want weet die veel welke persoon achter Henkiepenkie123 zit?

Nee, natuurlijk klopt dat van geen kant. Zeker niet als je als eisende advocaat wéét dat de meneer die je dagvaardt, niet de schrijver van het bericht is. Maar dat is lastig te bewijzen als de gedaagde niet gevonden kan worden. En op zich is het niet gek dat een auteur van een smadelijke tekst niet meer gevonden wil worden. Heb je dan verder ook geen identiteitsgegevens of wat dan ook van je Henkiepenkie123, dan sta je als reviewsite dus met lege handen. Ja, zeer creatief.

Arnoud

Softwarepatenten als inbreuk op vrijheid van meningsuiting

patent-fiets.pngEen Amerikaanse rechter van het gerecht dat beroepen in patentzaken behandelt, is van mening dat patenten op software inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting. Dat las ik bij Tweakers vorige week. De opmerking komt uit een concurring opinion in de Intellectual Ventures/Symantec zaak, waarbij voor de zoveelste keer een softwarepatent kansloos sneuvelde onder de Alice-criteria.

Softwarepatenten in de VS zijn berucht, maar sinds de Alice-uitspraak uit 2015 vrijwel kansloos. In die afspraak bepaalde de Supreme Court dat abstracte ideeën alleen nog octrooieerbaar zijn als ze iets toevoegen dat significant meer is dan het idee an sich, en “het idee, maar dan per computer” is dat per definitie niet.

Onder die criteria houdt vrijwel geen softwareoctrooi het, zo blijkt uit onderzoek: meer dan 90% van de softwareoctrooien wordt in hoger beroep ongeldig verklaard. De motivatie is vaak wel wat makkelijk: lees de claims een beetje half, concludeer dat het abstract is en pak gelijk door dat er niets significants meer bovenop zit. Maar goed, ik kan niet ontkennen dat veel van die octrooien ook niet meer zijn dan een abstract idee verpakt in octrooigemachtigdenjargon met een pro forma computer erbij.

Ook in die IV/Symantec zaak is dat niet anders:

But when a claim directed to an abstract idea “contains no restriction on how the result is accomplished . . . [and] [t]he mechanism . . . is not described, although this is stated to be the essential innovation[,]” id. at 1348, then the claim is not patent-eligible.

De opvallende uitspraak uit de titel van deze blog komt uit de concurring opinion van rechter Mayer. Een concurring opinion is iets typisch Angelsaksisch, een rechter die het wel eens is met de uitkomst maar daar via een andere weg had willen komen. Dit is geen jurisprudentie, maar juridisch stoom afblazen zeg maar.

Mayer zag een fundamenteler probleem met softwarepatenten:

I write separately, however, to make two points: (1) patents constricting the essential channels of online communication run afoul of the First Amendment; and (2) claims directed to software implemented on a generic computer are categorically not eligible for patent.

Dat punt 2 komt ook al uit de hoofduitspraak, dus laten we dat eerste punt er even bij pakken. Het ligt al meteen iets genuanceerder dan de kop: niet softwarepatenten an sich zijn in strijd met de vrije meningsuiting, maar softwarepatenten die (online) communicatie volledig aan banden leggen. The asserted claims speak in vague, functional language, giving them the elasticity to reach a significant slice of all email traffic. Daarmee zou de octrooihouder dus iedereen kunnen blokkeren die iets met e-mail doet, en dat gaat véél te ver. De zogenaamde uitvinding daarbij is zo vaag en rekbaar dat alles er wel onder te rekenen is.

Natuurlijk is daar wel wat op af te dingen. Als een patent zo breed is dat het bestaande infrastructuur afdekt, dan is het per definitie ongeldig want bestaande zaken kunnen niet later ineens alsnog gepatenteerd worden. Dat patent is dan niet nieuw en dus ongeldig. Het standaardverweer is dan natuurlijk, het dekt alleen een specifieke innovatie binnen de bestaande infrastructuur, maar dan kan het patent dus niet Jan en alleman blokkeren en al helemaal niet de free speech die in de VS boven alles gaat.

Tegelijk zie ik het meer principiële argument wel. Een patent dat zó breed is dat het in feite alle variaties op een idee dekt, blokkeert in ieder geval een ríchting in de innovatie, in de infrastructuur van morgen. Dat gaat veel verder dan waar patenten voor bedoeld waren. Het octrooi op de benzinemotor blokkeerde Otto Diesel niet in het ontwikkelen van zijn alternatieve verbrandingsmotor, bijvoorbeeld. Dat waren twee concrete fysieke machines met een innovatieve functionaliteit. En dat is het fundamentele probleem denk ik met softwarepatenten: geen beperking tot iets concreets (al dan niet fysieks) waardoor er geen duidelijke grenzen te trekken zijn bij de beschermingsomvang. En dáár is niemand mee gebaat.

Arnoud

Volkskrant moet schadevergoeding betalen aan man op foto Schiphol

volkskrant-schiphol-veiligDe Volkskrant moet 1.500 euro schadevergoeding betalen aan Mohammed Rashid, die stond afgebeeld bij een artikel over veiligheid op Schiphol. Dat meldde NRC gisteren. Rashid werd bij een controle gefotografeerd, en de foto verscheen onder tendentieuze kop in de Volkskrant. Philippe Remarque, hoofdredacteur van de Volkskrant, ziet het vonnis als het begin van het einde van de persvrijheid. Eh, kom nou.

Remarque denkt kennelijk dat de persvrijheid als grondrecht boven de privacy staat. Dat is dus niet zo: grondrechten zijn in Nederland gelijkwaardig, en bepalen wie er wint bij twee grondrechten (privacy versus persvrijheid) is dus altijd een kwestie van alle factoren bij elkaar optellen en een conclusie trekken.

Remarque:

We hebben Rashid niet bij naam genoemd, wij hebben hem nergens van beschuldigd, we hebben hem op geen enkele manier met terrorisme willen associëren. Maar volgens de rechter moeten we rekening houden met mogelijke associaties bij de lezers. ‘Mogelijke associaties’; ik vind dat glad ijs.

‘Mogelijke associatie’? Ik lees wat anders in het vonnis:

Nu het hier een ernstige kwestie betreft die de gemoederen in negatieve zin bezighoudt, stelt [eiser] zich terecht op het standpunt dat publicatie van zijn foto bij deze tekst inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer, te meer nu het hier gaat om een paginabrede foto, waarop hij duidelijk herkenbaar is en die op de voorpagina van een landelijk dagblad is afgedrukt. Deze inbreuk treft [eiser] als persoon des te ernstiger, omdat hij een – zoals De Volkskrant omschrijft – moslim-achtig uiterlijk heeft en omdat onveiligheid in deze tijd sterk wordt geassocieerd met terrorisme vanuit islamitische hoek.

De rechter zegt dus precies wat vrijwel iedereen al wel op zijn klompen aanvoelde: een persoon met ‘moslimachtig’ uiterlijk op de foto bij een controle met een kop over dreigende onveiligheid bij Schiphol, dat wekt de indruk dat hij iets terroristisch is. Daar is niks speculatiefs aan. Volkomen terecht dus dat de rechter hier de publicatie onrechtmatig verklaart en een schadevergoeding toewijst (€1.500).

Dat de controles op zich nieuws zijn, doet daar niets aan af. Het was eenvoudigweg niet nodig om deze man herkenbaar in beeld te brengen bij dit nieuwsfeit. En dat samen met de evident te verwachten negatieve associatie voor meneer maken dat de publicatie niet door de beugel kon.

Einde van de persvrijheid? Welnee. Gewoon een dertien-in-een-dozijn vonnis over privacy versus publicatie, waarbij alle omstandigheden op een rijtje zijn gezet en de rechter onder de eindstreep komt tot “nee, dit mocht niet”. En volgens mij hoort het ook zo te werken in een rechtsstaat: je publiceert, je neemt je verantwoordelijkheid onder de wet en als je te ver blijkt te zijn gegaan dan fluit de rechter je terug.

Arnoud

Mag de Volkskrant een portretfoto tendentieus koppen?

volkskrant-schiphol-veiligDe Volkskrant kreeg boze reacties op de voorpaginafoto van dinsdag, las ik gisteren. In dat artikel kondigde men een groot verhaal aan over beveiliging van Schiphol door het leger (en dus niet meer alleen politie en marechaussee), met een foto van een controle van een man met een “moslim-achtig uiterlijk” (zie plaatje hiernaast, foto Guus Dubbelman). Die was daar niet over te spreken: met de kop “Is Schiphol nog veilig?” direct boven zijn hoofd werd hij toch behoorlijk tendentieus neergezet. Schending van portretrecht?

Nee, zegt de Volkskrant. Het ging om de verscherpte controle, en het beeld laat die zien, niets meer en niets minder. Meneer staat op de foto omdat hij wordt gecontroleerd net als iedereen daar, puur toeval dus. Oké de kop was misschien een tikje onhandig maar uiteindelijk is dat niet heel erg, als ik het goed begrijp.

En trouwens, dat mag gewoon want: “Bij foto’s die kranten in de openbare ruimte maken, weegt het recht op vrije nieuwsgaring in principe zwaarder.” Maar nee. Grondrechten zijn in Nederland gelijkwaardig (HR Van Gasteren/Hemelrijk), het is dus zeker niet zo dat de vrije meningsuiting wint tenzij. Ook niet dat de privacy wint tenzij – het is een belangenafweging waarbij je alle factoren van het geval bij elkaar optelt en dan een conclusie trekt.

In maart hadden we discussie over een foto bij de NOS van een gewonde stewardess bij de aanslag van toen op Zaventem. Soort van dezelfde situatie: de foto liet een actuele en belangrijke nieuwssituatie zien, maar de persoon die herkenbaar centraal stond, was een toevallig onderwerp en niet de focus van het nieuws. In die situatie kun je moeilijk zeggen dat de nieuwswaarde van de foto automatisch over de privacy van die persoon heen gaat.

Daarbij komt dat je een foto niet los van de context kunt zien. En de context wordt hier gezet door de kop, dus die als ‘onhandig maar ach’ aan de kant schuiven gaat niet op. Dat bepaalt in hoge mate of het een privacyschending en/of aantasting van eer en goede naam oplevert.

Verder heb ik er nog moeite mee om hier van ‘gewoon’ een foto aan de openbare weg te spreken. Mensen worden staande gehouden door politie of marechaussee, daarbij kun je moeilijk nog spreken van vrijwillig ergens in de openbaarheid zijn. En dan op de foto gezet worden is dus heel wat anders dan toevallig gewoon langs een openbare camera hobbelen. Als ik een camera zie, kan ik omlopen. Maar als ik staandegehouden ben, kan ik dat niet. Dat weegt óók mee.

Bij NRC las ik nog het argument dat de fotograaf wilde laten zien dat: “Dit is de werkelijkheid. Alleen de moslimmannen worden uit de rij gepikt.” Dat zou kunnen, maar dat is niet uit het artikel terug te halen. En uiteindelijk weeg je nieuwswaarde en privacy op basis van wat er is gepubliceerd, niet wat er gepubliceerd had kunnen worden of wat er oorspronkelijk boven stond voordat de koppenmaker los mocht.

Het gewraakte artikel bevat nu overigens een andere foto die dezelfde politieactie laat zien maar zonder expliciet in beeld zijnde staandegehoude passant. Wat volgens mij het punt onderstreept dat de meneer van de oude foto er echt niet toe doet.

Arnoud

Mag een blogger over je rechtszaak publiceren?

blogger-blogspot.pngIemand filmt met de verborgen camera een opdracht tot een huurmoord, en verkoopt de beelden aan het programma Peter R. de Vries, die er een ophefmakende uitzending van maakt. Met een bevredigend slot: de opdrachtgever wordt strafrechtelijk veroordeeld (voor de fijnproevers: niet voor opdracht tot moord maar poging tot uitlokken van medeplegen van moord). Daarover verscheen een blog, waartegen het onderwerp van de uitzending bezwaar maakte. Moet die eraf?

Zowel rechtbank als Hof zien niets onrechtmatigs aan het artikel. Er was voldoende basis in de feiten en het artikel had voldoende nieuwswaarde. Aan de beelden wordt niet getwijfeld. Dat er voldoende basis in de feiten was, blijkt onder meer uit het feit dat de eisende partij strafrechtelijk veroordeeld werd (hoewel hoger beroep nog loopt). Verder kan natuurlijk geen beroep worden gedaan op het recht op bescherming van reputatie als het verlies van goede naam een voorzienbaar gevolg is van het eigen gedrag, zoals het plegen van een strafbaar feit (EHRM 27 oktober 2004, 55480/00, EHRC 2004/90, Sidabras, r.o. 49).

De blogger had er voor gekozen de eiser met volledige naam en toenaam én foto te noemen. Dit loopt tegen de journalistieke gewoonte aan om verdachten en veroordeelden met initialen aan te duiden, maar die gewoonte is geen harde rechtsregel. En natuurlijk kunnen ook bloggers gewoon profiteren van de vrijheid van meningsuiting. Je hoeft niet bij de pers te werken om informatie, feiten of ideeën aan het publiek te verkondigen.

Vervolgens brengt de eiser de Wet bescherming persoonsgegevens in stelling. Immers, het publiceren van feiten over een persoon op internet is een verwerking van diezelfde persoonsgegevens, en zonder toestemming is verwerking in beginsel niet toegestaan. In beginsel, want er zijn meer grondslagen. De hier relevante is artikel 8 sub f Wbp: een eigen dringende noodzaak van de verantwoordelijke (de blogger, en afgeleid ook Google) om de gegevens te verwerken, waarbij zo veel mogelijk rekening is gehouden met de privacy. Dit zijn strenge eisen.

Data protection is the new libel, heet het in sommige juridische kringen. De Wbp biedt immers zo’n mooie stok: niets mag behalve in héél specifieke situaties, en daarnaast zijn er genoeg afgeleide eisen (zoals beveiliging, informatieplichten en algemene principes van doelbinding en zorgvuldigheid) waar iemand altijd wel op te ‘pakken’ is. Zit je dus met een lastige publicatie, dan is een vordering op grond van de Wbp kansrijker dan op grond van smaad of laster.

Althans, zo lijkt het. Al eerder werd bepaald (het Kleintje Muurkrant-arrest, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP3921) dat de Wbp géén aparte grondslag biedt voor de onrechtmatigheid van een publicatie. Als een publicatie volgens een afweging van belangen (uitingsvrijheid enerzijds en privacy anderzijds) rechtmatig is, dan is deze dat automatisch ook onder de Wbp.

Een bijzondere situatie ontstaat nog omdat het bericht bijzondere (strafrechtelijke) persoonsgegevens verwerkt. Voor deze gegevens geldt immers een nóg hogere lat binnen de Wbp: deze mogen niet worden verwerkt tenzij de Wbp bepaalt van wel (art. 16 Wbp). Dit verbod kent geen belangenafweging. In een eerdere zaak dit jaar achtte de rechter dan ook een publicatie over een strafrechtelijke veroordeling (wegens wapenbezit) in strijd met dit artikel. Dit was echter onjuist: de Wbp kent een persexceptie, en hoewel deze de journalist niet ontslaat van de gewone regels over toestemming of dringende noodzaak, is de journalist wél vrij om bijzondere persoonsgegevens te verwerken als dat nodig is bij de publicatie (art. 3 lid 2 Wbp).

Ook de argumenten tegen Google als hosting provider van de betreffende content slagen niet. Google is weliswaar als hoster gehouden in te grijpen bij klachten, maar daarvoor is vereist (art. 6:196c lid 4 BW) dat de klachten gaan over onmiskenbaar onrechtmatige inhoud, en daarvan is hier geen sprake. Ook het beroep op het Delfi-arrest slaagt niet: voor een ‘commercially-run Internet news portal’ geldt soms een iets hogere aansprakelijkheidslat, maar ook dat is pas relevant als de publicatie op zo’n portal (of de daarop volgende reacties) onrechtmatig is.

Alles bij elkaar ziet het Hof geen reden om het bestreden vonnis in stand te houden. En wij hebben er weer een mooie refresher in de onrechtmatige perspublicatie bij.

Arnoud

Mag een browserextensie je waarschuwen voor oplichters?

chrome-zwartelijstAfgelopen maand heb ik in de avonduren een chrome extensie ontwikkeld die op elke webpagina zoekt naar IBAN, telefoonnummer, e-mailadressen, las ik (dank, tipgever) bij Gathering of Tweakers. De poster was slachtoffer van oplichting geworden en ontdekte dat hij dit had kunnen voorkomen door even dergelijke gegevens door Google te halen. Vandaar de extensie: de gegevens worden vergeleken met een blacklist van 10.000+ fraudeurs (die elke nacht wordt bijgewerkt) en je krijgt een waarschuwing. Oké, komt ie: mag dat?

Allereerst de vraag: hoe komt deze extensie aan zijn gegevens? Als ik het goed begrijp, dan scant hij webpagina’s op e-mailadressen, bankrekeningen en adressen en matcht hij die tegen een lijst. Zo’n extensie kan die gegevens makkelijk uitlezen, en een lijst binnenhalen met brongegevens is ook niet heel moeilijk. Ik zie alleen niet wat de beheerders van die lijsten daarvan vinden. Dat zóu een probleem met databankrecht kunnen zijn, want op lijsten met verdachte gegevens als deze kan databankrecht zitten als de beheerder er substantieel in geïnvesteerd heeft. Dus even navragen (en een bronvermelding) lijkt me wel verstandig.

Belangrijker is echter de vraag, mag dat wel van de Wbp? Want hoe logisch het ook klinkt dat je nu gewoon een Google-opdracht in een extensie stopt, de Wbp ziet zulke dingen altijd anders. Als jij zelf gegevens gaat verwerken, dan moet jij dat verantwoorden en “Google doet het ook” is géén verantwoording. Waarom heb jij het recht die gegevens zo te ontsluiten?

Meer specifiek ziet de toezichthouder zwarte lijsten als deze als een soort verwerking waar voorafgaand verlof voor nodig is, vanwege de impact die zulke lijsten kunnen hebben. Je zult eens door een paar boze klanten als oplichter worden aangemerkt en dan levenslang via zulke extensies worden gehinderd.

Oh ja, en ik lees nog dat mensen dan bezwaar kunnen maken bij de extensie-beheerder: haal mij van de lijst. Maar het is zeker geen automatisme dat mensen op grond van de Wbp bezwaar kunnen maken tegen opname op zo’n lijst. Ik zie zo’n openbare lijst als een stukje vrijheid van meningsuiting, mensen willen waarschuwen voor oplichting is een legitiem doel en de Wbp mag daar niet zomaar doorheen fietsen.

Dus nou ja, mag het? In principe niet, want een zwarte lijst vereist toestemming. Maar als je de lijst kunt verantwoorden als aan de kaak stellen van misstanden, dan mag het denk ik wél.

Belangrijkste zal zijn dat je de lijst actueel en juist houdt, want wie achterhaalde gegevens als zwarte lijst inzet, heeft een probleem.

Arnoud

EC formuleert samen met techbedrijven gedragsregels tegen haatzaaien op internet

leeuw-boos-trol-figuur.jpgSamen met Microsoft, Facebook, YouTube en Twitter heeft de Europese Commissie een gedragscode tegen haatzaaien op internet opgesteld, meldde Tweakers vorige week. Daarin is onder andere vastgelegd dat dergelijke inhoud binnen 24 uur verwijderd wordt. De gedragscode is een uitvloeisel van nieuwe wetgeving voor online mediaplatforms.

Het doet wat gek aan, maar gezien de partijen waarmee de EC dit heeft opgesteld toch weer logisch. In het Amerikaans recht, waar deze clubs vandaan komen, staat de vrijheid van meningsuiting op een hoog voetstuk. Tussenpersonen zoals forumbeheerders zijn daarom volledig beschermd tegen aansprakelijkheid (47 U.S.C. § 230) voor hetgeen hun gebruikers plaatsen. Hierop geldt slechts één uitzondering: wanneer een forumlid een auteursrechtinbreuk begaat, is de beheerder gehouden op klacht de inbreuk te beëindigen (een DMCA notice/takedown). Maar ook al staat je sociale netwerk vol met de meest ranzige haat, je bent er formeel niet aansprakelijk voor.

In het Europese recht ligt de bescherming van tussenpersonen genuanceerder. De E-commercerichtlijn bepaalt dat tussenpersonen wiens dienst eruit bestaat dat zij informatie van anderen opslaan en doorgeven, niet aansprakelijk zijn voor de inhoud wanneer zij deze niet vooraf screenen en een adequaat notice-takedown regime hanteren. Dit betreft echter alle mogelijke onrechtmatige inhoud, en niet alleen auteursrechtinbreuk. Je moet dus bij ons sowieso al in actie komen als er haatzaai-inhoud geplaatst wordt.

Wel zit je natuurlijk met de lastige vraag wanneer sprake is van dergelijke inhoud. Onder de huidige regels moet sprake zijn van onmiskenbaar onrechtmatige inhoud, oftewel iets waar niet aan te twijfelen valt. De gedragscode maakt daar geen verwijzing naar. Wel zie ik een definitie van haatcontent, en die is specifiek gericht op bevolkingsgroepen en xenofobie:

all conduct publicly inciting to violence or hatred directed against a group of persons or a member of such a group defined by reference to race, colour, religion, descent or national or ethnic origin.

Je vraagt je dan af waarom niet doorgepakt naar álle vormen van discriminatie, zoals op grond van geslacht of seksuele voorkeur. Misschien omdat het zo beter te verkopen was aan de Amerikanen? Of omdat de werkgroepen in kwestie alleen gericht zijn op rassendiscriminatie?

De bedrijven beloven in principe binnen 24 uur te reageren op onderbouwde klachten, en wel door de berichten te blokkeren of weg te halen. Ook zeggen ze toe hun gebruikers op te gaan voeden op dit punt.

Ik zit een beetje in dubio. Enerzijds is dit (volgens Europese en Nederlandse regels) niets nieuws. Je moest sowieso al reageren op alle (evident juiste) klachten, ook bij haatzaaien en discriminatie. Je moest sowieso al op de stoel van de rechter gaan zitten als hoster/tussenpersoon en ingrijpen. “Kom maar terug met een gerechtelijk bevel” was nooit een geldige reactie. Maar anderzijds voelt het alsof er nu iets nieuws ingevoerd wordt, alsof de lat lager ligt en de verplichting hoger. Ik krijg er alleen niet de vingers achter waar hem dat in zou zitten.

Arnoud