Gastpost: Mag de school zomaar foto’s van mijn kind op Facebook plaatsen?

facebook-upload.pngDeze en volgende week ben ik met vakantie. Daarom vandaag een gastpost van blogger Nathalie Gloudemans-Voogd.

Foto’s van mijn kind op Facebook: ik ben er zelf terughoudend mee. De crèche waar mijn baby sinds kort naar toe gaat gelukkig ook. Maar ik heb meerdere vaders en moeders in mijn tijdslijn en zie tot mijn verbazing vaak foto’s gedeeld en ge-vind-ik-leukt van pagina’s die speciaal aangemaakt zijn door scholen. En op die foto’s prijken de schattige leerlingen van die onderwijsinstellingen. Als ik, zonder die pagina’s zelf leuk te vinden, zulke afbeeldingen in mijn tijdslijn kan zien is er iets mis. Die foto’s zijn dan namelijk openbaar. Is dat ok? Nee, niet echt.

Een foto zegt meer dan 1000 woorden aan persoonsomschrijving. Zo is uit een foto het ras van de afgebeelde persoon te achterhalen. En dat soort gevoelige gegevens vormen in de Wet bescherming persoonsgegevens ‘bijzondere persoonsgegevens’ (artikel 16 voor de liefhebbers) en genieten extra bescherming.

Een foto van een kind biedt dus teveel persoonlijke informatie om zomaar gedeeld te mogen worden zonder goedkeuring van de ouders. Uit onze Wet bescherming persoonsgegevens volgt dan ook: zonder uitdrukkelijke toestemming van de ouders mag zo’n foto van je kind niet online geplaatst worden. Pas zodra je spruit 16 is geworden, kan de school bij het kind zelf terecht voor toestemming. Toestemming die je eerder al gegeven hebt, kun je later trouwens intrekken.

Maar toestemming van de ouders is niet genoeg. Los daarvan heeft de school aanvullende verplichtingen om de privacy van haar leerlingen te beschermen. Op de school rust bijvoorbeeld de verplichting om de gegevens af te schermen van onbevoegden en zoekmachines.

Het Cbp noemt de optie van een wachtwoord op een site zetten, maar met een geheime en besloten groep op Facebook voldoe je hier waarschijnlijk ook aan. Zulke groepen worden niet gevonden binnen de Facebook zoekopties en zoekmachines. Anderen kunnen de inhoud van de groep niet zien en ook niet wie er lid van is. Bovendien kun je je alleen aansluiten bij die groep op uitnodiging van de groepsbeheerder.

Tegen ouders die net als ik een terughoudend beleid voor foto’s van hun kids op Facebook voeren en die foto’s verwijderd willen zien: untag de foto en dien een verzoek tot verwijdering in via Facebook. Dit doe je door de foto in Facebook te openen, via ‘opties’ de link ‘tags rapporteren/verwijderen’ te kiezen en aan te vinken wat van toepassing is. Lees voor een uitgebreide beschrijving van dit stappenplan mijn blogpost op kispi.nl.

En tegen die scholen met Facebook pagina’s vol afbeeldingen van groep-achters die afscheid nemen en vrolijke verjaardagsfeestjes van kleuters en wat er allemaal nog meer voorbij komt: maak alsjeblieft een geheime en besloten Facebookgroep aan. Niet alleen hebben scholen een wettelijke plicht om de privacy van hun leerlingen meer te beschermen, maar ook maatschappelijk gezien zouden we terughoudend moeten zijn met kiekjes van onze kinderen. Al was het maar vanwege nare bewerkingen die sommige mensen op die ogenschijnlijk onschuldige foto’s loslaten.

Althans, dat vind ik. Hoe denken jullie erover: kinderfoto’s op Facebook, prima of liever niet?

Nathalie Gloudemans-Voogd is blogger voor onder andere ondernemersblog kispi.nl en oprichter van saunagespot.nl.

Mag ik alles zeggen als ik er “ik vind” voor zet?

eerlijke-vinderVrijheid van meningsuiting is een groot goed, maar ook een erg lastig onderwerp. Je mag bijna alles zeggen maar er zijn grenzen. Eén merkwaardige kronkel die ik daarbij nog wel eens tegenkom, is dat mensen redeneren “als ik er ‘ik vind’ voor zet, dan is het een mening en die zijn altijd legaal”. Nou nee. Het klopt wel dat er onderscheid wordt gemaakt tussen opinie en feitelijke mededeling, maar zó eenvoudig is het niet.

De uitingsvrijheid of vrijheid van meningsuiting is in Europa niet onbegrensd. In de VS wel: daar mag je alles zeggen, en alleen als je direct en concreet oproept tot geweld kun je in de problemen komen. Natuurlijk kennen ze ook daar smaad en laster, maar die zijn een stuk lastiger te bewijzen dan hier. Wanneer het waar is, mag je het in de VS zeggen. Met name uitgesloten zijn “pure opinies”, zoals mensen eikels vinden. Pas als er feiten in het verhaal terugkomen, wordt het mogelijk een claim wegens ‘defamation’ (smaad) te construeren.

Wellicht dat “zet er ‘ik vind voor’ en alles mag” op die regel is gebaseerd. Maar dat klopt niet – niet hier en niet in de VS. Het gaat om meer dan alleen die twee woorden. Ik heb een hekel aan de frase “omstandigheden van het geval” omdat ze geen duidelijkheid geven, maar bij discussies over uitingsvrijheid ontkom je er niet aan. Zo is het relevant of iemand zich als columnist presenteert of als feitelijk nieuwsbrenger. Een columnist mag meer dan de Consumentenbond, bijvoorbeeld. Bij een column weet je dat je satire of absurditeiten gaat krijgen, bij een recensie van de Consumentenbond verwacht je dat die gewoon klopt.

Het verweer “maar ik zei er ‘ik vind’ voor” was in deze rechtszaak geen argument. Twee makelaars hadden ruzie, en de een had daarbij opmerkingen gemaakt in de trant van “heeft zich in mijn visie schuldig gemaakt aan oplichting en paulianeus handelen”. Daarop stapte de ander naar de rechter. Het verweer “ja maar er stond toch ‘in mijn visie'” hielp niet echt:

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de beperking “in mijn visie” een uiterst lichte relativering die niet of nauwelijks afbreuk doet aan de ernst van het verwijt oplichting en paulianeus handelen. Er is door [gedaagde] geen algemeen belang aangevoerd voor het geven van de kwalificaties “oplichting” en “paulianeus handelen”.

Enkel er ‘ik vind’ voor zetten, is dus niet genoeg. Je zult ook inhoudelijk moeten onderbouwen waarom je die mening zo presenteert, zeker als je kwalificaties hanteert die naar het strafrecht neigen. Er moet voldoende basis in de feiten zijn, zoals dat dan juridisch heet. Dat is niet hetzelfde als “bij de strafrechter gaat meneer veroordeeld worden voor wat ik zeg” – je mag mensen oplichter noemen terwijl ze zijn vrijgesproken van het delict oplichting, als er maar genoeg feiten waren om te mógen vinden dat iemand je opgelicht heeft.

Of het zódanig overdrijven dat geen mens het meer serieus kan nemen, natuurlijk. Hoewel dat nog best moeilijk blijkt soms. Menig artikel uit De Speld wordt voor waar rondgetwitterd, en er lopen nog stééds kettingbrieven rond met “bij duizend keer doorsturen geeft Bill Gates een miljoen aan die of die”.

Arnoud<br/> PS: Meer weten over dit onderwerp? Op 4 september geef ik een training Uitingsvrijheid.

Ik moet weg maar ze praten nog wel over mij!

Afgelopen week hadden we een interessante discussie in de comments bij de aloude vraag, moeten ze mijn berichten weghalen als ik dat eis? Het nieuwe aspect: als je verbannen wordt, mag je dan eisen dat men je berichten weghaalt en ook dat anderen niet meer over je praten?

Het weghalen van berichten bij forums is een van de meest frequent terugkerende onderwerpen bij deze blog. Er zit vaak een heel stuk emotie achter: je deed gezellig mee op een forum, er ontstaat ruzie en dan wil je boos weg. Het liefst geef je dat stomme beheer en die nitwits van medediscussianten dan nog een stevige trap na: al mijn berichten eraf, en wel nu, dat zal je leren. Denk ik dan met mijn abonnement op Psychologie-magazine. Maar die emotie zit er wel degelijk.

Juridisch gezien is het kader duidelijk: persoonsgegevens en berichten moeten weg, tenzij. Maar het venijn zit hem in dat tenzij. Dat tenzij komt namelijk neer op een belangenafweging: welke nieuws- of andere waarde voor het forum zit er aan het behouden van de berichten, en welk privacybelang zit er aan het weghalen? Daar kun je vanuit beide kanten de prachtigste verhalen over maken maar uiteindelijk komt het neer op een gevoelskwestie. En dat werkt niet echt prettig bij een situatie waar al zo veel ruzie in is gaan zitten.

Aanverwant is het probleem van praten óver ex-leden. Want zelfs als je naam is weggehaald bij je berichten (of zelfs de berichten zelf ook), dan nog weten andere forumleden die nog wel. En die gaan daarover praten. Moet je dat dan óók weghalen als beheer? Dan sta je in feite andermans discussies te smoren op verzoek van een exlid, en dat gaat me wel érg ver. Tegelijk: is het nog wel nodig dat men in die discussie je naam nog noemt? Wie weet over wie het gaat, hoeft de naam niet meer te weten. En voor wie de naam niet weet, is de discussie niet relevant. Dus ook hier weer: een gevoelskwestie.

Ik vraag me af of je hier ooit uitkomt. Vooraf harde regels stellen helpt ook niet per se, want de wetgeving rond persoonsgegevens is dwingend en kan dus niet zomaar worden gepasseerd. Mijn grondgedachte is eigenlijk, dit moet je helemaal niet juridisch willen oplossen. Maar ja, als je boos bent dan is het leuk smijten met artikel 8 Wet Bescherming Persoonsgegevens juncto de Richtsnoeren van het CBP natuurlijk.

Meelezende forummers, hoe gaat dat bij jullie, zulke weghaalverzoeken en/of -ruzies?

Arnoud

Omgaan met online reputatieschade

google-review-recensie-overnemen.pngWie ontevreden is over een product of bedrijf, kan zich op een website, blog of mailinglijst daarover afreageren. Dat mag dankzij het recht op vrije meningsuiting, maar wanneer daarmee de reputatie van het product of bedrijf wordt aangetast, willen veel bedrijven in actie komen want dat is toch smaad of laster, en het kost gewoon omzet. Maar wat kun je doen?

De mogelijkheid om online publiek zichtbare uitingen te doen, wordt veel gebruikt door ontevreden klanten. Op online fora ontstaat vaak een negatieve sfeer bij het samen lezen van verschillende berichten over een bepaald bedrijf. Het is een oud gezegde dat een tevreden klant drie mensen spreekt over het bedrijf, en een ontevreden klant tien. Dankzij internetfora kun je van die tien ondertussen wel tienduizend maken misschien.

In principe is dit niet tegen te houden. Het is toegestaan recensies over bedrijven/ondernemers te verzamelen of te (laten) plaatsen, ongeacht het soort dienstverlening. Of het bedrijf nu een zzp’er is of een BV met 800 medewerkers, men mag over het bedrijf praten. Afdwingen dat men geheel wordt verwijderd van een recensiesite, is dus niet mogelijk.

Een bedrijf kan tevreden klanten proactief uitnodigen een positieve recensie te plaatsen. De meeste klanten zijn hier wel toe bereid, en dit biedt dan een tegenwicht aan eventuele negatieve berichten. Daarnaast kan een bedrijf reageren op recensies. Hoewel een reviewsite niet wettelijk verplicht is een weerwoord te plaatsen, staan eigenlijk alle sites dit wel toe.

Een negatieve review juridisch aanpakken is een grote stap, die niet altijd tot het gewenste resultaat zal leiden. De eerste overweging is hoe serieus andere lezers het bericht zullen nemen. Hoe oud is het bericht, worden er concrete feiten genoemd en zou iemand zich hierdoor laten afschrikken? Is er sprake van één negatief bericht of een hele serie? Als er één recensie compleet negatief is tussen 89 best positieve berichten, dan zal een beetje normaal denkende lezer wel snappen dat die ene recensie een boze klant is, en deze dus minder serieus nemen.

Wanneer de klant te herkennen is, kan hem worden gevraagd de review te verwijderen of aan te passen. Dit vereist wel enige tact: de klant is immers boos, en dan gaan eisen en dreigen zal hem alleen maar nóg bozer maken, en misschien wel nog meer berichten gaan plaatsen. Soms is het beter het eigen gelijk te slikken en de klant tegemoet te komen.

De stap naar de reviewsite is de volgende. Een reviewsite moet ingrijpen bij klachten, als vaststaat dat de recensie geen basis in de feiten heeft en/of nodeloos grievend is. Negatief zijn mag, zelfs stevige taal is toegestaan. Een duidelijke mening of overdrijving is ook niet snel aan te pakken (“ik raad dit mijn ergste vijand nog niet aan”) maar zodra men feitelijke zaken gaat noemen, moeten deze wel kloppen.

Een probleem hierbij is dat de reviewsite moet gaan beoordelen of de klacht juist is. Dit is erg moeilijk als het gaat om een recensie. Bij auteursrechtinbreuk kan men op een website kijken van een fotograaf, of bellen met de filmmaatschappij. Bij discriminatie kan de uiting zelf erbij gepakt worden. Bij recensies van bedrijven of producten kan dat niet. Als de klager zegt, “ik heb het bestelde nooit gehad”, en het bedrijf zegt dat het bestelde wél is afgeleverd, wie heeft er dan gelijk?

Overleggen van bewijs is mogelijk, maar vaak is de zaak niet zó eenvoudig dat één document het gelijk bewijst. Een factuur is zo vervalst, immers. Het bewijs moet dus zo veel mogelijk uit objectieve bronnen komen: denk aan een handtekening die via TrackTrace.nl van Post.nl in te zien is. En dan nog: wat als de klant zegt dat hij een verkeerd product kreeg, of een retour gevraagd had die (volgens hem) ten onrechte is geweigerd?

De stap naar de rechter is als laatste redmiddel mogelijk. Hier zit wel een groot risico aan: een bedrijf dat een klant aanklaagt, trekt publiciteit aan. Derden zijn snel geneigd de kant van de klant te kiezen, omdat deze al heel snel de rol van de underdog kan aannemen. Ook rechtszaken tegen reviewsites en andere dienstverleners trekken aandacht. Dit kan ertoe leiden dat andere mensen nog eens wat extra gaan spitten naar de reputatie van het bedrijf, of dat andere klanten nu óók een negatieve duit in het zakje gaan doen. Daarmee wordt uiteindelijk de reputatieschade groter dan zonder rechtszaak.

Arnoud

Leerlinge mag niet terug naar school na raar getwitter

troll-twitterDe eerste keer dat het woord ’trollaccount’ in een Nederlands vonnis verscheen. De zaak is bepaald minder vrolijk: een leerlinge van het Adelbert College in Wassenaar die van school was gestuurd, mag niet terugkomen. Er was te veel onrust op de school, en een aantal seksueel zeer expliciete tweets zouden daaraan bijgedragen hebben. Hoewel niet vaststaat of de leerlinge die had verstuurd (of een troll), was alles bij elkaar plus het gegeven dat het schooljaar nog maar 4 weken zou duren er toch genoeg reden om haar te schorsen. Pff.

De leerlinge kwam van een andere school in de vijfde klas van de vwo-afdeling binnen. In december (2012) werd ze de toegang tot de school ontzegd, omdat de sfeer danig was verstoord. De school legde een zwaar deel van de verantwoordelijkheid bij haar: als voorwaarde voor de toelating gold dat door moest gaan met ondersteuning door professionele hulpverlening, en daar was ze mee gestopt omdat ze deze niet meer nodig zou hebben. En na de kerstvakantie had de politie bij de schoolleiding aangegeven dat zij, op grond van berichten op het internet niet konden instaan voor de leerlinges veiligheid op school.

Omdat het al zo’n tijd geleden is, is het moeilijk de feiten te reconstrueren uit objectieve bronnen. Als ik de naam van de leerlinge googel, vind ik een paar rare twitteraccounts maar die zou ik niet meteen aan een normaal persoon koppelen. Aan de andere kant, misschien zijn er dingen weggehaald en is het profiel aangepast. Dat maakt het een nóg intrigerender vraag: hoe kom je er in vredesnaam achter of een twitteraccount écht van iemand is en niet van een slimme trol? Update (18 juli) lees ook de reactie van de leerlinge zelf in de comments.

De rechtbank vindt dat niet vaststaat of de leerlinge zelf achter het account zat maar produceert dan deze kronkel die ik niet goed kan parsen:

Daar staat tegenover dat [eiseres] niet heeft weersproken dat zij tijdens de Frankrijkreis onderwerp van commotie is geweest, dat zij (grove) seksueel getinte uitlatingen heeft gedaan en dat zij (in ieder geval) destijds actief was op twitter en andere sociale media. Anders dan [eiseres] kennelijk meent, kan uit de vermelding van de naam‘[A]’ boven de geprinte twitterberichten niet worden afgeleid dat [eiseres] deze berichten niet heeft verzonden.

Wat staat hier nou? Je zit op Twitter dus kun je ook vanaf een nepaccount twitteren? Of, dat je naam er niet boven staat bewijst niet dat jij het niet was?

Afijn, de rechtbank oordeelt terecht dat niet kan worden vastgesteld welk aandeel [eiseres] in de commotie heeft gehad. Maar constateert vervolgens dat dat de commotie niet minder maakt, en dat de school toch íets moet om dat op te lossen. Elke keer dat zij op school verschijnt, ontstaat hernieuwd gedoe en dat komt de goede orde op de school niet ten goede.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechteris het onder die omstandigheden, en juist gelet op het feit dat het lopende schooljaar nog slechts vier lesweken telt, niet in het belang van de Stichting, de medeleerlingen van [eiseres] maar ook niet in dat van [eiseres] om haar weer toe te laten tot het onderwijs.

Omroep West meldt dat de leerlinge ‘ontzettend baalt’ en hoger beroep overweegt, hoewel dat vanwege het geld er waarschijnlijk niet in zal zitten. Volgens haar werd zij juist gepest door de rest van de school en is het dan de omgekeerde wereld dat zíj weg moet en niet de pesters. Een terechte als het klopt – maar hoe kóm je erachter of het klopt?

Arnoud

Kan twitteren over schoolzaken worden verboden?

Een lezer vroeg me:

Mag je zomaar alles tweeten of op Facebook over je school schijven, of mag de school daar regels over stellen? Op onze VWO-school worden leerlingen soms aangesproken als ze rare dingen online zetten.

Dit is een hele moeilijke. Natuurlijk heb je ook als scholier vrijheid van meningsuiting, maar de school heeft óók een belang, en dat is zorgen dat het op school ordelijk en netjes verloopt. De school mag wettelijk gezien regels stellen over wat scholieren doen.

In principe moeten die regels beperkt zijn tot wat men op school doet, maar in sommige gevallen mag de school ook iets zeggen over de vrijetijdsbesteding van de leerlingen – als dat van grote negatieve invloed is op de school. Denk aan pesten of lastigvallen van klasgenoten buiten schooltijd. Een school is verplicht een pestprotocol te hebben, bijvoorbeeld. (Terzijde: die website heet Pestweb en dat klinkt best wel gek.)

De wet omschrijft het zo:

In het leerlingenstatuut worden in elk geval voorschriften opgenomen, strekkende tot handhaving van de goede gang van zaken binnen de instelling en, de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.

Als er buiten de les gepest of afgezeken wordt, dan kan dat “de goede gang van zaken binnen de instelling” raken. Want dat pesten komt ook weer terug op school; plus de verbindende factor ís de school. Dus bij gepest op Facebook of het Youtuben van rare filmpjes kan er via het leerlingenstatuut zeker iets worden ondernomen.

Dat is echter niet hetzelfde als “je mag de naam van de school niet noemen” of “ieder negatief bericht over de school is verboden op straffe van schorsing”, want klagen over je school is niet hetzelfde als de goede gang van zaken op school verpesten.

Hoe ver dit kan en mag gaan, is nog nooit bij de rechter getest. Het gaat mij te ver als een school zou verbieden om überhaupt negatief te twitteren of facebooken, maar wanneer een school ingrijpt bij pesterij of concrete smaad door een leerling op Facebook dan zou ik dat prima kunnen billijken. Jullie?

Arnoud

Seksfilmpje versturen via WhatsApp is geen smaad of belediging

webcamHet versturen van een seksfilmpje via WhatsApp naar één persoon maakt je niet schuldig aan smaad, ook niet als die persoon het vervolgens doorstuurt. Dat bepaalde de rechtbank Overijssel deze week. Van smaad kan pas sprake zijn als “het publiek” kennisneemt van die berichten, en daarvan is bij een WhatsApp bericht geen sprake. Daarbij is de bedoeling immers dat alleen de ontvanger het bericht leest. Hoe juridisch om te gaan met ongewenst naakt blijft dus een lastige.

De verdachte had een seksfilm met hem en zijn partner (gemaakt tijdens zijn relatie) verspreid naar een gezamenlijke vriendin, en daarbij aangegeven dat deze het niet verder mocht verspreiden. En dan, eh, “bevestigt [zij] dat en verklaart dat zij dat desondanks tóch heeft gedaan. Vanaf dat moment is het filmpje verder verspreid en naar verluidt ook op internet beland.”

(Waarom dat filmpje nu zo nodig moest worden verspreid, wordt niet echt duidelijk. De verdachte was ‘boos’ dat zijn ex-vriendin een ander had, maar hoe je die situatie verbetert door iemand anders een naaktfilm te whatsappen ontgaat me.)

De politie kwam vervolgens bij hem aan met de strafbare feiten smaadschrift en belediging. Beiden komen kort gezegd neer op iemands eer en goede naam aantasten, hoewel het bij smaad vooral gaat om een specifiek feit (“Henk is een oplichter”) en bij belediging meer om gewoon nare taal (“Henk is een eikel”). Beiden zijn prima met een afbeelding te plegen – juridisch gezien heet zo’n afbeelding een geschrift, ook als het elektronisch is, en dat maakt het bij smaad in ieder geval erger want op smaadschrift staat een zwaardere straf.

Wel is bij beiden vereist dat sprake is van een uiting in het “openbaar”, althans “waaraan ruchtbaarheid wordt gegeven” bij smaad dan. Anderen moeten het gehoord of gezien hebben. Logisch ook wel: je kunt iemands reputatie moeilijk aantasten als niemand merkt dat dat gebeurt. Als niemand deze blog kan lezen, heeft Henk nergens last van.

Dat je iemands reputatie of goede naam kunt aantasten door een naaktfoto of -filmpje te verspreiden, lijkt me vrij duidelijk. Al in 2008 werd een man veroordeeld voor het publiceren van dergelijke foto’s van zijn ex. Wel moet je intentie erop gericht zijn om die goede naam aan te tasten. In de Manon Thomas-zaak was er geen sprake van smaad of belediging, hoewel me nog steeds niet duidelijk is waarom. Is het een compliment als iemand je foto’s online zet?

Hoe dan ook, een ander vereiste is dus dat de foto’s wel openbaar moeten zijn. En daarvan was hier geen sprake:

kan het versturen van één ‘WhatsApp’ naar één persoon, met de opdracht dit niet verder te sturen, niet gelden als in het openbaar gedaan. Evenmin kan bewezen worden dat verdachte, zoals ook is tenlastegelegd, heeft beledigd door via de ‘social media’ het filmpje naar derden te sturen. Hij heeft het filmpje immers naar slechts één persoon, anders dan het slachtoffer, verstuurd.

Dat vervolgens die andere persoon het verspreidde, valt hem niet aan te rekenen. Dat voelt wel een beetje gek aan, maar dat zat hem erin dat de verdachte het duidelijk had gemaakt dat het niet mocht. Eigenlijk had die andere persoon dus vervolgd moeten worden, maar dat was niet gebeurd. Onbevredigend voelt het wel.

Arnoud

Mag je iemands ware identiteit bekendmaken?

anoniem-pseudoniem-nickname-bijnaam-naam.pngDoxing is de wat merkwaardige internetterm voor “iemands identiteit achterhalen”. Veel mensen op internet zijn anoniem, en het kan dan een sport zijn te achterhalen wie dit werkelijk is. En soms heeft dat vervelende gevolgen voor die persoon, variërend van rare brieven bij de buren of stapels pizza’s tot de buurt moeten ontvluchten.

Het is niet verboden om iemands ware identiteit achter een pseudoniem te onthullen. Dergelijke informatie publiceren valt onder de vrijheid van meningsuiting, ook als de pseudonymous het niet leuk vindt. Pas als er bijkomstige omstandigheden zijn die schade opleveren, zoals dat die persoon vervolgens gevaar loopt, zou je onrechtmatig kunnen handelen.

Het is verboden om iemands ware identiteit achter een pseudoniem te onthullen. Dergelijke informatie maakt deel uit van de persoonlijke levenssfeer, en daar beslist de betrokkene zelf over. Pas als er bijkomstige omstandigheden zijn die publicatie rechtvaardigen, zou de publicatie legaal kunnen zijn. Dergelijke omstandigheden zouden kunnen zijn dat de naam essentieel deel is van een nieuwsfeit.

Ja, ik spreek mezelf tegen hier. Maar dit is wat je altijd krijgt bij botsende grondrechten, in dit geval de uitingsvrijheid versus de privacy. Beiden werken met een “mag, tenzij beperking noodzakelijk” constructie en die kun je niet in één regel samenvatten. De juridisch-pragmatische oplossing is dan de argumenten voor en tegen op een rijtje te zetten en af te wegen, wat voor blogs als deze zeer onbevredigend is want ik heb een hekel aan “dat hangt er van af” maar dat is de enige algemene regel.

Maar Arnoud, in de media vermelden ze toch altijd de namen van verdachten met een initiaal, waarom is dat dan? Nou, dat is niet gebaseerd op een wet. Ooit namen de Nederlandse hoofdredacteuren een vrijwillig besluit om geen volledige namen meer te publiceren, puur zelfregulering dus. De Leidraad van de Raad voor de Journalistiek verbiedt dat journalisten gegevens over verdachten (én veroordeelden) publiceert waarmee deze “eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd.” De Leidraad maakt uitzonderingen, onder meer wanneer de naam al algemeen bekend is, maar ook als de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt.

Toevallig kwam dit onderwerp aan de orde in een kort geding over een vrouw die publiceerde over de prostitutie onder de schuilnaam Patricia Perquin. De Volkskrant had haar ware identiteit achterhaald en wilde dit in een krantenartikel publiceren, omdat ze wat opmerkelijke feiten had ontdekt. De vrouw spande een kort geding aan, dat ze won omdat de krant onvoldoende onderbouwing had. Maar in een vervolgartikel had men het nodige bewijs op tafel gekregen.

De krant had twaalf argumenten op tafel gelegd, waarvan de meesten de rechter overtuigend voorkomen. Het enige echte tegenargument was dat de publicatie tot bedreigingen en gevaar tegen de vrouw zou leiden. Maar daar zet de rechter zijn twijfels bij, vooral omdat ze al eerder zelf aan een radioprogramma had meegewerkt zonder te eisen dat haar stem werd vervormd. Als je dat doet dan neem je al een risico, dus kennelijk viel het wel mee met dat gevaar. Ook speelde mee dat ze zelf de publiciteit had gezocht – iemand uit de anonimiteit trekken is ernstiger dan een populaire anonymous ontmaskeren.

Ook werd de Wbp weer eens in stelling gebracht tegen de persvrijheid, maar ook dat mocht niet baten. De rechter bepaalt allereerst dat er geen sprake is van een geautomatiseerde verwerking, en ziet vervolgens de persexceptie en houdt dan op met lezen. Jammer, eigenlijk had hier toch echt een expliciete afweging van de “dringende noodzaak” moeten plaatsvinden.

Stelling: het is onmogelijk op internet te publiceren zonder traceerbaar te zijn.

Arnoud

Zweedse overheid schrapt ‘ongoogelbaar’ uit woordenboek

Capture-1Na druk van Google heeft de Zweedse overheid ‘ongoogelbaar’ van de lijst met nieuwe woorden geschrapt, meldde Nu.nl dinsdag. De Zweedse Taalraad wilde het woord opnemen in het officiële woordenboek met de definitie ‘iets dat niet gevonden kan worden met behulp van een zoekmachine’, maar de zoekmachine zat fel op z’n merk en eiste dat ‘een zoekmachine’ vervangen zou worden door de eigen bedrijfsnaam. In reactie daarop schrapte de Taalraad het hele woord.

In een recente blogdiscussie kwam het ook al even aan de orde. Merkhouders houden er niet van als mensen hun merk als soortnaam of generieke term gaan gebruiken. Een merk verliest zijn geldigheid namelijk als het een generieke term is geworden, en als je dat wilt voorkomen dan moet je er dus bovenop zitten en overal en altijd piepen als mensen je merk als generieke term hanteren.

Ja, dat geldt ook bij niet-commercieel gebruik. Júist bij niet-commercieel gebruik zou ik zeggen, want juist daar vind je het generiek gebruik. Doe jij de luxaflex even dicht, dan zet ik een senseootje met m’n nieuwe Krupps, ondertussen even msn’en op facebook. Die zin levert me vier blafbrieven op van merkhouders gok ik. Maar als ze dat niet doen, dan wórdt senseo de generieke term voor koffiepad en msn’en synoniem voor chatten. (De term koffiepad is niet voor niets heel expliciet gemarket naast het merk Senseo.)

In de IT speelt dit heel erg, omdat nieuwe diensten vaak zó nieuw zijn dat er geen alternatieve term voor is. Of omdat de dienst zodanig synoniem is met de activiteit dat er geen ander woord bruikbaar is. Een avondje msn’en is gewoon gevoelsmatig wat anders dan een avondje chatten. Googelen bekt beter dan zoeken. En wat moet je anders zeggen dan “Facebooken” als je op het sociale netwerk gaat rondhangen?

Nu is dat op zich nog geen genericide – ja zo heet dat onder merkenmensen, en ja dat stelt volkerenmoord op één lijn met het verlies van een merk, maar dat terzijde. Maar het wordt het wel als je de term buiten de originele dienst gaat gebruiken. Ga je googelen met Bing dan verliest het merk Google waarde, wordt het synoniem voor zoeken. En dat is dus waarom Google die boze brief stuurde.

De reacte van de Taalraad snap ik dan weer niet. Met een disclaimer dat het gaat om een merknaam en/of een iets handiger definitie kunnen ze écht hun juridische case steviger maken. (Hela, Arnoud die zegt dat een disclaimer nut heeft.) Maar men is principieel en weigert dus te luisteren naar een merkhouder. Beetje rare reden, dat. Laat het dan op een rechtszaak aankomen.

Arnoud

Gaat een merk boven een voornaam?

no-name-street-naam-handelsnaam.pngVia Twitter een intrigerende: journalist Marie-Claire van den Berg had een domeinnaam geregistreerd met haar voornaam erin, en kreeg meteen een blafbrief van de Franse tijdschriftuitgever: ‘clearly an operation of cyber squatting’, meteen inleveren die domeinnaam en ongetwijfeld ook nog advocaatkosten geclaimd. Maar zo zegt ze op twitter, ze wilde er alleen een persoonlijke homepage van maken. Hoe kan dat merkinbreuk zijn? En bovendien, het is haar náám en zou ze die dan niet mogen gebruiken?

Nee, je mag je eigen naam niet gebruiken om producten of diensten mee aan te duiden als iemand anders daar al een merk op heeft. Tenminste, als de producten of diensten overlappen. Heet je toevallig Philips en wil je LED-lampen gaan verkopen, dan zul je écht een andere naam moeten verzinnen dan “Philips Ledlampenfabriek”. Lemnis Lighting bijvoorbeeld.

De merkenwet houdt maar héél weinig rekening met de belangen van iemands naam. Veel verder dan een uitzondering dat je je naam en adres mag noemen ook als daarin een merk zit, komt het niet. Die jongens van Lemnis mogen dus gevestigd zijn aan de Anton Philipslaan in Eindhoven. Wie nu héél creatief wil doen, kan zeggen dat een domeinnaam tegenwoordig valt onder “adres” zoals bedoeld in de merkenwet. Mevrouw Van den Berg is gevéstigd op die domeinnaam, net zoals ik gevestigd ben op blog.iusmentis.com. Toch? En heel misschien komt dat ook nog voorbij de giecheltoets, mits je maar zorgt dat de site verder overal duidelijk is dat het journalist Van den Berg betreft en niet “de online Marie-Claire”.

Ook is er een verbod op nietcommercieel gebruik dat afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. In een roman zeggen dat je de luxaflexen dichtdoet, kan door Luxaflex® worden aangepakt – je doet verticale lamellen dicht, en die zijn al of niet van het merk Luxaflex. Ook als je de roman gratis weggeeft. Maar dat lijkt me niet echt aan de orde bij de site van Marie-Claire.

Het argument van de persoonlijke homepage is sterker. De merkenwet is immers alleen bedoeld tegen commercieel gebruik, en een persoonlijke homepage is dat in principe niet. Hoewel? Als je er jezelf aanprijst als freelance journalist, zit er dan niet toch een indirect commercieel motief?

Arnoud