Mag een prijs exclusief BTW getoond worden?

bonnetjes-btw-ontvangst-betalen-bewijs-rekening-kassabon.jpgEen lezer vroeg me:

Laatst bestelde ik iets bij een webwinkel. Tot mijn verbazing zag ik bij het besteloverzicht (nog net vóór het afrekenen) ineens dat er BTW bij alle prijzen werd gerekend. Ik ben toen terug gaan kijken, en in de disclaimer onderaan de pagina stond “e. BTW” in hele kleine lettertjes. Mag dat dan zomaar, prijzen in een webwinkel exclusief BTW?

Nee, dat mag niet – tenzij de webwinkel alleen en uitsluitend op zakelijke klanten is gericht en dat ook duidelijk communiceert. De BTW of omzetbelasting moet verplicht worden geheven bij alle transacties. Voor ondernemers geldt dat ze de BTW vaak kunnen terugvorderen, vandaar dat prijzen bij ondernemers onderling meestal zonder BTW worden gegeven. (In deze zaak bijvoorbeeld: “als feit van algemene bekendheid kan gelden dat ondernemers onderling vanwege de verrekenbaarheid daarvan, steeds prijzen exclusief BTW hanteren”.)

Bij transacties met consumenten is de BTW echt gewoon onderdeel van de prijs, en dat moet dan ook als zodanig worden behandeld. Artikel 38 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 is hier heel duidelijk in:

Het is de ondernemer verboden aan anderen dan ondernemers en publiekrechtelijke lichamen goederen en diensten aan te bieden tegen prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de prijzen zou zijn begrepen.

Specifiek voor internettransacties wordt dat nog eens onderstreept in artikel 7:46c BW:

Tijdig voordat de koop op afstand wordt gesloten, moeten aan de wederpartij met alle aan de gebruikte techniek voor communicatie op afstand aangepaste middelen en op duidelijke en begrijpelijke wijze, de volgende gegevens worden verstrekt, … de prijs, met inbegrip van alle belastingen, van de zaak;

Ook is het sinds enige tijd op grond van de Wet Oneerlijke Handelspraktijken verboden om een prijs exclusief BTW (of andere belastingen) te vermelden richting een consument. De prijs inclusief BTW is “essentiële informatie” (art. 6:193e BW) en mag dan ook niet ontbreken in een reclame, aanprijzing of aanbod gericht op consumenten.

Het is dus niet toegestaan om een consument een prijs exclusief BTW te melden, ook niet als je erbij zet dat de prijs exclusief BTW is. Er moet echt een prijs inclusief BTW bij staan. (Je mag natuurlijk wél de prijs zowel inclusief als exclusief melden.)

Wettelijke regels genoeg dus: niet meer doen, beste winkelier.

Arnoud

Amerikaans Hof: auteursrecht op software kan niet uitgeput raken

“EULAs, and whatever nonsense they may contain, are legally binding in the US.” OSNews berichtte afgelopen vrijdag over een arrest van het Amerikaanse Hof van beroep (9th Circuit) waarin werd geoordeeld dat levering van software niet als verkoop gezien moet worden, maar puur als een licentieverstrekking. Dat betekent dat een verkrijger van software in de VS deze niet mag doorverkopen als dat in de licentie verboden is. Het principe van “first sale” oftewel uitputting geldt daarmee niet (meer) voor software in de VS.

Het Hof komt hiermee terug op een vonnis uit 2009 waarin de rechtbank juist wél oordeelde dat een licentienemer van software gerechtigd is deze door te verkopen. Tenminste, als hij de software op de originele dragers doorverkoopt natuurlijk. De basis daarvoor was de regel uit het auteursrecht die zegt dat legaal op de markt gekomen “exemplaren” vrijelijk mogen worden doorverkocht. Het Hof zegt nu dat die regel niet geldt voor software, omdat daarbij de licentie (EULA) vérgaande beperkingen stelt aan het gebruik. Meer precies: uitputting geldt niet wanneer

  1. De auteursrechthebbende expliciet het woord “licentie” gebruikt.
  2. De licentie “significantly restricts the user’s ability to transfer the software” (oftewel gebruikt een standaardzin dat de licentie niet overdraagbaar is).
  3. De licentie “imposes notable use restrictions” (zoals dat maar één gebruiker de software mag gebruiken).

Als aan die drie eisen is voldaan, dan zou volgens het Hof duidelijk moeten zijn dat je géén eigenaar bent van het exemplaar maar slechts een gebruiker. Je zou dit kunnen vergelijken met een huurder – die weet ook duidelijk dat hij huurt en niet koopt, en dat zijn gebruik aan de nodige beperkingen onderworpen is.

De zorg van OSNews, en ook van Ars Technica, is dat het Hof hiermee lijkt te zeggen dat rechthebbenden alles in zo’n EULA mogen zetten en dat dat dus bindend is. Dat gaat me wat te ver. Het Hof zegt in het arrest alleen dat áls aan die drie items voldaan is, er geen sprake is van uitputting. Men ontkent niet dat er ontoelaatbare eisen in een licentie kunnen staan.

In Nederland lijkt uitputting voor voorgeinstalleerde software juist wel te bestaan, tenminste volgens de rechtbank Dordrecht. Die oordeelde:

Er zijn dus exemplaren van de CAD-software geïnstalleerd op dragers (werkstations) in het verkeer gebracht door middel van eigendomsoverdracht aan Nelcon door de exclusief distributeur Han Dataport, en dus met toestemming van de auteursrechthebbende. … Dit heeft tot gevolg dat Han Dataport zich niet kon verzetten tegen de verdere verspreiding van deze software(…).

De inhoud van de licentie was daarbij irrelevant.

Deze aanpak van de rechtbank Dordrecht spreekt me wel aan, maar hij gaat alleen op voor verkoop van software op fysieke dragers. En daarvan is steeds minder sprake natuurlijk vandaag de dag. Meer en meer software (maar ook andere content, zoals muziek en films) gaat digitaal, en daarbij geldt de uitputtingsregeling sowieso niet. Wat mij betreft wordt het tijd om hier expliciete regels over te maken (wat ook in het Ninth Circuit-arrest gezegd wordt.)

Arnoud

Blogdialoog: Een goede markt voor digitale downloads (Toekomst van auteursrecht)

dvd-five-euro-counterfeit.jpgAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

Deze week de reactie van Future of Copyright op mijn post Laat de maatschappij beslissen:

Ha, dat gaat goed. We hebben allebei één post geplaatst en de stellingen zijn ingenomen. De maker versus de massa. Het leuke van deze discussie is dat we eigenlijk hetzelfde willen. Commenters (dank voor jullie waardevolle bijdragen), Arnoud en wij willen allemaal een online omgeving met een goed, ruim en makkelijk toegankelijk aanbod aan mooie films, games, e-boeken, journalistiek, muziek en ga zo maar door. En daar willen we best voor betalen.

Het grote verschil zit in ieders geduld en de route die we kiezen naar het eindstation.

Lees verder bij Future of Copyright. En reageer dan ook alsjeblieft (hier of daar) want jullie comments zijn absoluut zeer waardevol.

Arnoud

Duits kansspelbeleid verboden, Nederland straks ook?

holland-casino-tryout-pakket-aanzetten-tot-gokverslaving.pngHet Europees Hof van Justitie heeft het Duitse kansspelbeleid min of meer ongeldig verklaard omdat dit beleid in de praktijk niet consequent werd uitgevoerd, hoorde ik gisteren van een lezer (dank!). De Duitse regering claimde gokverslaving te bestrijden maar maakte wel intensief reclame voor de staatsloterijen, en liet toe dat casino’s mensen actief uitnodigen om te komen spelen. Goh, waar doet dat nu aan denken?

Het is vaste rechtspraak van het Europese Hof dat een land het vrij verkeer van goederen en diensten mag beperken als het gaat om gokken en kansspelen. Zo werd in juni nog bevestigd dat Nederland bedrijven mag verbieden kansspelen via het internet aan te bieden. De rechtvaardiging hiervoor wordt gevonden in het algemeen belang om (gok-)verslaving en criminaliteit tegen te gaan.

In deze uitspraken (zaken C-316/07 en verder) bevestigt het Hof dat nog een keer. Regels opleggen mag, een staatsmonopolie op gokken ook, maar er moet een “dwingende noodzaak” zijn om dat te doen en de uitvoering daarvan moet

daadwerkelijk [beantwoorden] aan het verlangen de gelegenheden tot spelen te verminderen en de activiteiten op dit gebied op samenhangende en stelselmatige wijze te beperken.

En op die grond had de Europese Commissie al in 2008 gewaarschuwd dat Nederland haar kansspelbeleid zou moeten aanpassen.

Uit het persbericht van het Hof begrijp ik dat daar in Duitsland allesbehalve sprake van was. Er werd intensief reclame gemaakt voor loterijen (net als bij ons), er werden mensen actief verlokt om naar het casino te komen (net als bij ons) en er werd “daarbij de klemtoon [gelegd] op de behoefte aan financiering van sociale, culturele of sportieve activiteiten waarvoor de behaalde winsten bestemd zijn” (net als bij ons). Dat vindt het Hof genoeg om te oordelen dat hier geen sprake is van daadwerkelijk bestrijden van gokverslaving.

In die zaak van juni werd nog geoordeeld dat het Nederlands kansspelbeleid net zo goed een Europeesrechtelijk probleem zou hebben als de rechter oordeelt dat Nederland

een beleid van sterke expansie van de kansspelen voert door de consument op buitensporige wijze te stimuleren en aan te moedigen om hieraan deel te nemen met als hoofddoel gelden in te zamelen, en dat om die reden de financiering van sociale activiteiten uit een deel van de opbrengsten van de toegestane kansspelen niet een bijkomend gunstig voordeel vormt, maar de daadwerkelijke rechtvaardiging voor het door deze lidstaat gehanteerde restrictieve beleid

Dit Duitse arrest bevestigt dit nog eens. Het woord is nu aan de Hoge Raad, want die moeten nu op basis van bovengenoemde arresten een nationaal oordeel vellen. Ik ben benieuwd waar ze mee komt. Het zal in ieder geval bijzonder lastig worden om te betogen dat het Nederlands kansspelbeleid keurig binnen de regels blijft.

Arnoud

“Oracle misbruikt merkenrecht tegen vrije handel”

Ja, dat vond ik ook een beetje rare kop van Webwereld bij een artikel over een Engelse rechtszaak. Waar men de term ‘misbruik’ op baseert, is me niet helemaal duidelijk. In de lead heet het namelijk ineens heel neutraal ‘gebruikt’, hoewel de geladen term ‘frustreren’ wel is blijven staan:

Oracle gaat prijsconcurrentie tegen door de import van ict-goederen naar Europa tegen te werken. Het bedrijf gebruikt het merkenrecht om het vrije verkeer van goederen te frustreren.

In ieder geval, het gaat om een Engels arrest in een zaak tussen Oracle en M-Tech, een importeur van ICT-artikelen. De laatste had merkproducten van Oracle (nou ja, Sun) geïmporteerd uit China, Chili en de Verenigde Staten. Oracle vond dat niet leuk, dus startte ze een rechtszaak (ik zei het laatst al, merkhouders hebben geen gevoel voor humor).

Oracle won in eerste instantie. Op zich niet verrassend. De merkenwetgeving is duidelijk: grijze import van buiten de EU is niet toegestaan. Oracle is volgens dit arrest alleen wel érg agressief in het tegenhouden van zulke grijze import, en timmert ook nog eens de tweedehandsmarkt stevig dicht met allerlei contractuele bepalingen richting afnemers. (Ook tweedehands Oracle-spul moet bij Oracle-dealers worden gekocht.) Dat kwam haar op een klacht wegens misbruik van haar machtspositie te staan, maar dat staat verder los van het argument waar Webwereld tendentieus van werd: hoe is het merkmisbruik om grijze import tegen te houden?

Centraal hier staat het vrij verkeer van goederen binnen de EU. Iets dat hier legaal op de markt is, mag onbeperkt worden doorverkocht. De merkhouder kan dat niet tegenhouden. Maar dit geldt alleen voor merkproducten die binnen de EU legaal op de markt zijn. M-Tech had echter een creatief argument: door de harde aanpak van Oracle, plus de onmogelijkheid om aan een product te zien of het in of buiten Europa op de markt gebracht was, werd in feite het vrij verkeer toch geblokkeerd. Niemand zou dan meer Oracle-producten durven te herverkopen, want wie weet zit er wel een oorspronkelijk-buiten-Europa-verkocht product tussen en dan krijg je die humorloze club met dure advocaten op je nek. En daarmee wordt Oracle de facto de enige die nog haar producten (origineel of gebruikt) kan verhandelen. Dat is niet de bedoeling van het Europese recht.

Een creatief argument, en voor dit gerechtshof creatief genoeg – M-Tech mag het komen aanvoeren en onderbouwen. Want dit was slechts een tussenarrest over de vraag of het hoger beroep überhaupt zin heeft of meteen afgewezen (“summary judgment”) had moeten worden. Er is dus geen inhoudelijk oordeel, tenzij je “dit overleeft de giecheltoets” als inhoudelijk ziet.

Tussen de regels door zie ik dat de raadsheren overwegen vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen over de grenzen van merkenrecht en uitputting. Dat zou wel een goed idee zijn.

Arnoud

Mogelijk tijdslot voor internetuitzendingen publieke omroep

kijkwijzer-iconen-reet.pngMogelijk komt er wetgeving die het publieke omroepen verbiedt programma’s met een bepaalde leeftijdsclassificatie voor een bepaalde tijd op internet uit te zenden, meldde Nu.nl gisteren. Dat klopt niet helemaal: de wetgeving is er al, de vraag is alleen of deze ook geldt voor internetcontentaanbieders. Bij Tweakers wordt het iets beter uitgelegd:

Streams, ook on-demand, die een Kijkwijzer-classificatie van twaalf jaar en ouder hebben, zouden dan vanaf acht uur ’s avonds mogen worden bekeken; inhoud die alleen geschikt is voor zestien jaar en ouder pas vanaf tien uur ’s avonds.

Dit heeft te maken met de Mediawet, die regels stelt voor het aanbieden van audiovisuele content die “schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar”. Zo mag een omroep die alleen uitzenden op televisie als ze zich houden aan de regels van de Kijkwijzer, een vorm van bindende zelfregulering opgezet door het NICAM. Onderdeel van die regels zijn de hierboven gegeven tijdslimieten voor uitzending (artikel 3.1 Deelreglement Televisie van de NICAM reglementen).

Nu spreekt de wet van “televisieprogramma-aanbod”. Valt Uitzendinggemist daar onder? Als ik de sliert aan definities napluis die daarvoor nodig zijn, dan kom ik echt alleen uit bij “media-aanbod op basis van een chronologisch schema” en juist niet bij de “mediadienst op aanvraag” die Uitzendinggemist is. Maar in artikel 4.6 van de Mediawet staat dat deze regels (en dus ook de Kijkwijzer) ook gelden voor het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten. Daarmee moet de publieke omroep zich dus óók bij Uitzendinggemist.nl houden aan de regels van Kijkwijzer.

Wie dus heel formeel leest, kan tot de hierboven geciteerde conclusie komen. Maar ik heb grote moeite met die aanpak. Ten eerste omdat de regels van “na acht uur / na tien uur” niet voor niets in het Deelreglement Televisie staan: ze zijn specifiek voor televisie. Akkoord, je houden aan Kijkwijzer geldt ook voor andere diensten, maar moet je dat zó ver doortrekken? Ik zou verwachten dat die regel alleen geldt voor de algemene bepalingen uit Kijkwijzer, niet de televisiespecifieke.

En ten tweede omdat het volgens mij de bedoeling was dat “niet-lineaire diensten” (zoals dat zo mooi heet) een lichter wettelijk regime zouden krijgen dan “lineaire” of chronologische diensten. Met deze interpretatie trek je de twee precies gelijk, en het kan niet de bedoeling zijn dat alle televisieregels ook gaan gelden voor internetcontent.

Update (25 april 2012) ze gaan het echt doen, meldt Tweakers.

Arnoud<br/> Afbeelding: Kijkwijzersymbolen gecompileerd door reet, en dit zijn “door de Merkplaats geregistreerde merken” (lolwut?)

“Welkom bij merknaam”-sites

grohe-topkranen-merk-domeinnaam.pngHet blijft oppassen met domeinnamen met merknamen erin. Het kan in principe, maar merkhouders vinden het niet leuk en slepen je zonder pardon voor de rechter als je ook maar 1 millimeter over de grens gaat. (Ook wel als je evident niet over de grens gaat, maar dat is een ergernis voor een andere keer.) En mijn ervaring is dat merkhouders zelden iets leuk vinden.

Het wordt bijzonder spannend bij domeinnamen met een merk erin. Maar al te vaak zie ik mensen die een website opzetten gericht op een merk, een lekker scorende domeinnaam met de merknaam er in registreren en die domeinnaam ook nog eens als websitenaam opvoeren. Ik noem ze “Welkom bij merknaam”-sites, want vrijwel altijd hebben ze “Welkom bij ” plus de domeinnaam-met-merknaam in de titel staan.

In een recente rechtszaak over grohekranenshop.nl bleek hoe de rechter daarmee omging. Op die site werden douches en kranen van (alleen) Grohe verkocht. Nu mag dat op zich. Je mag een single-brand store exploiteren, en daarbij ook de merknaam gebruiken. Je moet immers kunnen melden dat je bepaalde producten verkoopt. Je mag daarbij alleen geen enkele kans op verwarring scheppen over jouw relatie tot de merkhouder. “Henk de Boer, uw BMW-specialist” is een prima titel voor je website, maar “Welkom bij BMW De Boer” is dat niet.

Voor merknamen in webadressen (URLs) geldt hetzelfde. En hoe prominenter de merknaam daarin komt te staan, hoe groter de kans op verwarring. Bij de merknaam in de domeinnaam zelf (zoals hier: grohekranenshop.nl) is er al héél snel kans op verwarring. Enigszins kort door de bocht houdt de rechter het hier bij:

Daartoe is bepaald niet nodig dat in de domeinnaam het dominerende element “grohe” wordt opgenomen

Het lijkt mij op zich best te verdedigen dat je een merknaam als onderdeel van je domeinnaam maakt. Maar je zult wel heel hard je best moeten doen om dan iedere kans op verwarring weg te nemen. Een bekend voorbeeld van hoe het wél moet, was de Yonex-zaak uit 2008. Daarin werd de domeinnaam www.yonexbadminton.nl legaal geacht voor een webwinkel met Yonex-badmintonproducten. Volgens de rechter in deze zaak ligt het hier wezenlijk anders:

yonexbadminton.nl leidde naar de website van de onderneming, Belgro (www.belgro.nl) , die niet ” zoals in het geval van grohekranenshop.nl ” yonexbadminton.nl werd genoemd, maar Belgro als handelsnaam had.

En dat is dus precies wat al die “welkom bij merknaam”-sites doen. Er is geen bedrijfsnaam prominent in beeld, en dan zal de gemiddelde consument concluderen dat dit dus een site van de merkhouder zelf is. En nee, een disclaimer onderaan verandert daar niets aan. Dus: de eigen bedrijfsnaam prominent bovenaan, en de merknaam alleen noemen in beschrijvende teksten die aangeven wat je verkoopt. En weg met “Welkom bij merknaam” in de <title> en headings.

Arnoud

Welke verwachtingen gelden er voor een showmodel?

apple-imac-g5-showmodel.jpgEen lezer vroeg me:

Recent heb ik een Apple iMac G5 gekocht. Dit was een showmodel, dus de prijs was een stuk lager. Maar helaas ging hij na 3 maanden stuk. Toen ik hem wilde laten repareren, werd me gemeld dat de kosten voor mijn rekening zouden komen omdat showmodellen buiten de garantie vallen. Klopt dat?

Garanties zijn vrijwillige toezeggingen van een winkel of fabrikant, en het is goed mogelijk dat ze die niet willen doen voor showmodellen. Die zijn immers al een tijdje in de winkel in gebruik geweest, en het is onmogelijk om te zeggen wat daarmee is gebeurd.

Dat wil niet zeggen dat je dus geen rechten hebt. Een product dat je koopt, moet aan de redelijke verwachtingen voldoen. Dat wil niet zeggen dat elk product perfect moet werken, want het is niet altijd redelijk om te verwachten dat een product perfect werkt. Zo zal een auto die je bij de sloop haalt voor 50 euro, vast niet rijden. Een splinternieuw model bij de dealer moet echt probleemloos rijden.

De vraag is dus: wat mag je verwachten bij een showmodel? Je moet weten dat deze al gebruikt is, en dus krasjes of andere slijtageverschijnselen kan hebben. Zo zou het laatje van de CD-speler wel eens wat losser kunnen zitten omdat iedereen dat gaat testen in de winkel. (Het equivalent van tegen de banden schoppen bij een auto.)

Dat een showmodel na drie maanden stuk gaat, lijkt me echter niet de bedoeling. Een computer moet 2 tot 3 jaar meegaan, dus dat zou betekenen dat deze computer al dik twee jaar geshowd zou worden. Dat vind ik moeilijk om te geloven.

Of zouden die showmodellen zo zwaar mishandeld worden dat ze het maar zes maanden uithouden? Wat doen mensen dan met zo’n computer in de winkel?

Update (4 februari 2012) zie ook deze zaak over conformiteit bij een oldtimer.

[De garage] stelt dat hij wel heeft mede gedeeld dat de “auto normaal liep voor een auto van meer dan 50 jaar oud”. Zoals reeds onder 4.6 overwogen is vast gesteld dat de oldtimer echter niet in een normale staat is en het niet mogelijk is hiermee ‘normaal’te rijden, ook al is de auto ruim 50 jaar oud.

De garage moet ” 3.000 betalen als voorschot op de reparatie door een derde.

Arnoud

Blogdialoog: Laat de maatschappij beslissen (Toekomst van auteursrecht)

anno-1912-steen-huis.jpgAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

“De maker beslist”. Dat is volgens Future of Copyright het uitgangspunt van het auteursrecht. En het klinkt zo logisch: wie bloed, zweet, tranen of venture capital investeert in de totstandkoming van een werk, mag toch zeker wel beslissen wat hij daarmee doet? Dat werkt voor alle eigendommen zo, van huizen tot de zaterdagse boodschappen. Dus waarom niet voor auteursrecht?

Simpel: auteursrecht is geen eigendomsrecht. Hoewel het vaak “intellectueel eigendom” genoemd wordt, is die term nogal misleidend. Eigendomsrecht is ingevoerd om het mijn en dijn te kunnen reguleren. Auteursrecht is om een heel andere reden ingevoerd, namelijk om te stimuleren dat er creatieve werken worden gemaakt en op de markt worden gebracht. Die stimulans werd gezocht in de wortel van het exclusieve recht: als jij nou je verhaal als boek uitgeeft, dan mag je iedereen aanklagen die zonder jouw toestemming dat boek kopieert. Zo kun je als auteur geld vragen voor dat kopiëren, en daarmee inkomsten verwerven.

Het elegante van dit systeem is dat het geen kwaliteitstoets nodig heeft, in tegenstelling tot systemen waarbij de overheid subsidie geeft aan bepaalde kunstenaars (wie kies je? welke werken koop je aan?) of waarbij je als maker een mecenas moet zoeken die je werk hopelijk leuk genoeg geeft. Met het auteursrecht in deze vorm beslist de markt. Als veel mensen je werk kopen, dan verdien je veel geld. Maak je werk waar niemand op zit te wachten, dan krijg je geen inkomsten en dan moet je maar wat anders gaan doen. Zo ontstaat er een markt voor werken waar iedere auteur/maker zich op kan begeven en via zijn auteursrecht kan proberen zijn of haar boterham te verdienen.

Het nadeel van dit systeem is echter dat er niet geregeld is hoe die werken op de markt komen. Dat lijkt een trivialiteit: natuurlijk komt een verhaal in boekvorm of als feuilleton in een tijdschrift, dat hoef je niet op te schrijven. En als er een nieuw nuttig medium komt, dan zal die auteur natuurlijk zijn werk daarvoor uitbrengen. Hij wil toch geld verdienen?

Maar nee, de industrie gaat “niet altijd even enthousiast met nieuwe technologieën” om, zoals FOC het noemt. Dat is bepaald een understatement. Elke nieuwe innovatie op distributiegebied, van de pianola tot de grammofoonplaat, de bioscoop, de audio- en videocassette tot bittorrent, werd verketterd als mechanisme voor piraterij. Van de grammofoonplaat zouden we onze stembanden verliezen, de videorecorder was een sluipmoordenaar op het auteursrecht, betaaltelevisie een monster. Pas na héél veel geduw en getrek wilde daar nog wel eens verandering in komen. Maar eigenlijk altijd was daar wel een wetswijziging voor nodig, die bv. verplichte licenties instelde of een toeslag op lege opslagmedia invoerde. Op Buma/Stemra/Sena valt veel aan te merken, maar ze hebben wel een markt op gang geholpen die voordien flink vast zat.

Bij de digitale omgeving ziet het er echter niet naar uit dat die wetswijzigingen er gaan komen. Dankzij steeds sterkere auteurswetgeving kunnen nieuwe businessmodellen en innovaties de nek om worden gedraaid voordat ze zich in de praktijk hebben kunnen bewijzen. Zo is het onmogelijk de politiek te laten zien dat die modellen waardevol zijn voor de maatschappij en dus óók bescherming verdienen.

Elektronische distributie van en toegang tot content is een groot goed, dat snel van de grond moet komen. Nieuwe modellen en technieken op dat gebied verdienen stimulans, geen ex parte verbod. Natuurlijk zitten er ook malafide groepjes tussen (de Pirate Bay-jongens zijn niet serieus te nemen), maar Kazaa en eerder Napster hebben het geprobeerd te regelen en kwamen nergens. Het feit dat we anno 2010 als enige legale voorbeelden iTunes en Spotify kunnen noemen, is eigenlijk een schande.

De samenleving heeft wensen, behoeften en rechten die voldaan en beschermd moeten worden, zoals Maarten Goudsmit het formuleerde. In het bijzonder is er nu een maatschappelijke wens om content in digitale vorm on-demand af te nemen. Niet “het product tv-avond” – gewoon, de film of serie die je wilt, wanneer je wilt. Er zijn nu genoeg kanalen die voorzien in die behoefte, maar die heten dan piraten en moeten keihard besteden worden. Een werkend alternatief lijkt nog ver weg.

Nieuwe businessmodellen en daarmee een wérkende markt zijn inderdaad essentieel. Maar waarom daar een signaal in de vorm van een downloadverbod voor moet worden afgegeven, begrijp ik niet. Als ik kijk naar wie er daadwerkelijk content naar de mensen brengt, en wie er dwars ligt, dan lijkt me een licentieplicht voor de contenteigenaren meer voor de hand te liggen. Napster, Mininova en Kazaa weten hoe je het publiek bereikt. Geef hen, en andere slimme jongens met nieuwe modellen, de ruimte om dat te doen, en geef de rechthebbenden geen kans om dat tegen te houden.

Dat betekent niet dat alles dus maar gratis en vrij moet worden. Het gaat me nu even om het verbodsrecht, dat centraal staat in de Auteurswet. Dat moet anders: minder macht bij de auteur en meer macht bij de distributeur en de maatschappij. Laat de maatschappij beslissen hoe zij content wil afnemen, en zorg dat de auteurs daarvoor een billijke vergoeding krijgen.

Arnoud<br/> (Met dank aan Daniël Mantione, MathFox en mijn andere commenters voor hun waardevolle reacties en discussie bij deel 1).

Kan ik ontkennen een abonnement te hebben gesloten?

Een lezer vroeg me:

Ik had een proefabonnement op een site genomen. Dat blijkt nu volgens hen ineens omgezet te zijn in een jaarabonnement, en ik krijg nu een factuur van een paar honderd euro. Volgens mij stond dat niet in de voorwaarden, maar zij zeggen nu van wel. Kan ik er onderuit als ik zeg dat ze eerst maar moeten bewijzen dat ík het wel was die dat abonnement heeft gesloten? Ik heb immers niks getekend, ze hebben alleen een IP-adres van iemand die mijn adres heeft ingevuld.

Bij proefabonnementen is altijd de vraag of ze “zomaar” omgezet kunnen worden in gewone abonnementen. Volgens mij impliceert de term “proef” dat je het uitprobeert en daarna moet zeggen dat je door wilt. Maar er is geen wettelijke regel die verbiedt dat een proefabonnement automatisch wordt omgezet in een “echt” abonnement, zolang dat maar in de voorwaarden staat die bij het proefabonnement zijn aangeboden.

Ik heb grote moeite met nu ineens gaan roepen dat je het niet was, om zo onder een abonnement uit te komen. Het is immers feitelijk onjuist: je was het wel. Gaan liegen over een contract lijkt me niet kies, en afhankelijk van het bewijs dat het bedrijf heeft, kun je jezelf grote problemen op de hals halen.

Bewijs kan bijvoorbeeld zijn dat je al hebt gemaild dat je het oneens bent met de omzetting omdat het volgens jou niet in de voorwaarden staat. Eerst protesteren tegen de omzetting en dan zeggen dat je helemaal geen contract hebt gesloten, is op zijn zachtst gezegd onlogisch.

Arnoud