Blogdialoog: Het kan, dus het moet (niet) (Toekomst van auteursrecht)

dinosaurus-innovatie-auteursrecht-skelet.jpgAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

Deze week reageert FoC op mijn blog over conservatisme in het auteursrecht:

De contentindustrie bestaat uit machtsmisbruikende dinosaurussen, die met lede ogen toezien hoe het innoverende volk succesvol aan hun grip ontkomt. Het vermaledijde auteursrecht geeft ze een wettelijk middel om de markt voor content te verstoren en de massa naar hun pijpen te laten dansen. Die macht moet worden ingeperkt, zo vat ik Arnoud’s laatste reactie in onze gezamenlijke en goed op gang komende blogdialoog kort samen. Niet geheel tot veler verrassing deelt Future of Copyright die visie niet.

Lees verder bij Future of Copyright en reageer daarna daar of hier!

Arnoud

Geldt de wet koop op afstand ook bij bestellingen “op de zaak”?

serviesgoed.pngEen lezer vroeg me:

Ik heb een serviesset besteld via internet. Na ontvangst viel deze toch tegen (rare kleur geel in plaats van het gebroken wit dat ik verwachtte), dus ik maakte aanspraak op annulering volgens de Wet Koop op Afstand. Maar de winkel weigert dat nu, omdat ik een zakelijke bestelling zou zijn geweest. Dat klopt niet, ik wilde het servies privé gebruiken. De bestelling was ook op mijn privénaam. Ik had alleen bij facturatie mijn eenmanszaak doorgegeven zodat ik de BTW in mijn bedrijf kon aftrekken. Maar is het daarom al een zakelijke bestelling?

De Wet Koop op Afstand geldt alleen bij consumentenkoop, oftewel een koop tussen een zakelijke verkoper (winkelier) en een consument. Een consument is iemand die per definitie niet handelt vanuit beroep of bedrijf. Iemand die een bestelling plaatst uit naam van een bedrijf, kan zich dus niet beroepen op het consumentenrecht.

In dit geval lopen zakelijk en privé een beetje door elkaar heen. Daarmee maakt de koper het zichzelf erg lastig. Een bestelling plaatsen vanuit je bedrijf suggereert immers dat het een zakelijke bestelling is, zeker nu het gaat om een zaak (serviesgoed) dat ook prima zakelijk te gebruiken is. Hoe moet de winkelier dan weten dat er alsnog sprake is van een privébestelling?

In het Gruber-arrest (C-464/01, zie ook het artikel van prof. Marco Loos) oordeelde het Europese Hof van Justitie de regel dat

met omstandigheden of elementen waarvan de wederpartij bij de sluiting van de overeenkomst kennis had kunnen hebben moet daarentegen enkel rekening worden gehouden indien de persoon die zich op de hoedanigheid van consument beroept zich aldus heeft gedragen dat bij de wederpartij bij de overeenkomst te goeder trouw de indruk is kunnen ontstaan dat hij voor beroepsdoeleinden handelde.

Als je als koper dus ervoor zorgt dat de wederpartij mocht denken dat de bestelling zakelijk was, dan kun je geen aanspraak meer maken op de consumentenbescherming. Ook niet als achteraf vast komt te staan dat je wel degelijk puur privé bestelde.

Het Hof meldt daarbij dat zo’n “indruk te goeder trouw” kan ontstaan wanneer je “zonder verdere precisering zaken bestelt die daadwerkelijk voor de uitoefening van zijn beroep kunnen dienen”. Ook als je bij de bestelling zakelijk briefpapier (of een zakelijk e-mailadres, lijkt mij) gebruikt, de goederen op je bedrijfsadres laat bezorgen of de mogelijkheid tot teruggaaf van BTW vermeldt, mag de verkoper denken dat je zakelijk bestelt. Volgens mij is daar in deze vraag duidelijk aan voldaan: een factuur op bedrijfsnaam in verband met BTW-teruggaaf maakt de koop dus zakelijk.

Wellicht dat het anders wordt als je expliciet de verkoper meldt dat je privé koopt maar een factuur wilt voor je bedrijf. Dat is immers een “verdere precisering”. Maar ik blijf dat dubieus vinden: het is óf zakelijk en dan mag je de BTW terugvorderen, óf privé en dan moet je gewoon de BTW betalen.

Arnoud

Verwijdering eisen uit de banmanager van een forum

Een lezer vroeg me:

Op een forum waar ik zit, gebruikt men een zogenaamde banmanager. In de banmanager slaat het beheer twijfelachtige posts op van leden die ze vervolgens van het forum zelf verwijderen. Tevens worden waarschuwingen en bans hierin opgeslagen. Tot slot worden ook ip-adressen en andere usernames (‘undercover’s’) hier aan een user verbonden. In hoeverre is het eigenlijk toegestaan om zomaar forumposts van users op te slaan in een database waarin users ze zelf niet meer kunnen zien, editten of verwijderen?

Het lijkt me op zich toegestaan om een database op te bouwen met bewijsmateriaal van uitgedeelde bans. Je hebt als forumbeheerder het recht om bewijs te verzamelen voor je acties. Dat moet je dan ook ergens bewaren, en zo’n database als hier wordt beschreven, lijkt me een prima manier om dat te doen.

Auteursrechtelijk kun je daar niets aan doen, dit valt binnen de licentie die je geeft wanneer je iets plaatst.

De wet bescherming persoonsgegevens zegt dat je het recht hebt om te vragen welke gegevens men van je bewaart (artikel 35 Wbp). Het beheer moet je dus desgevraagd toelichten wanneer je in de bandatabase komt, wat men dan opslaat en wat er met die gegevens gebeurt. Dat zou niet zo’n probleem moeten zijn voor het beheer.

Eisen tot wijzigen of verwijderen kan echter alleen als de gegevens niet meer “ter zake dienend zijn”. In dit geval dient de database als bewijs, en het is niet handig als jij het bewijs over jezelf kunt aanpassen. Die eis gaat dus niet op.

Arnoud

Krantenarchief belangrijker dan privacy betrokkene

universiteitskrant-groningen.pngHet opschonen van archieven vanwege de privacy, ik blijf het een lastige zaak vinden. Mag je eisen dat een online archief berichten over jou verwijdert omdat ze verouderd zijn? Omdat ze onrechtmatig zijn? En als je volledige archieven belangrijk vindt, zou je dan mogen eisen dat er een blokje “Dit bericht is verouderd/onrechtmatig” bij moet komen, of dat men Google buiten de deur moet houden?

Met dank aan 10a van der Linden kwam ik een recente uitspraak van de Raad van State tegen over het archief van de Universiteitskrant Groningen. Hier was een man geïnterviewd in 2003 over een conflict dat hij destijds had met de Informatie Beheer Groep. De publicatie was niet onrechtmatig, het ging echt om het principe: mijn naam staat erin, dat wil ik niet, weg met dat artikel.

Op zich kun je dat eisen op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Die zegt immers dat verwerking van je persoonsgegevens alleen mag als je daar toestemming voor gegeven hebt. En die toestemming mag je intrekken. De enige echte uitzondering is als degene die je gegevens gebruikt, een eigen noodzaak kan aantonen die zwaarder weegt dan jouw privacy.

Deze wet geldt ook voor nieuwsberichten. Alleen bots je dan al heel snel met de vrijheid van meningsuiting, want op grond van dát grondrecht mag je over alles en iedereen schrijven wat je wilt. En noemen van iemands naam ligt nogal voor de hand bij een artikel over die iemand.

Dat recht geldt ook voor archieven, zo blijkt uit een recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens:

[the press] has a valuable secondary role in maintaining and making available to the public archives containing news which has previously been re- ported. … [however] the duty of the press to act in accordance with the principles of res- ponsible journalism by ensuring the accuracy of historical, rather than perishable, information published is likely to be more stringent in the absence of any urgency in pu- blishing the material.

Eerder hadden lagere Nederlandse rechters (en de juridisch minder relevante Raad voor de Journalistiek) al geen beenheil gezien in het opschonen van archieven omdat een daarin genoemd iemand dat niet leuk vond. En dat bevestigt nu de Raad van State. Het beheren van een archief met oud nieuws is in principe een “noodzaak” in de zin van de privacywet die de privacy van de betrokken persoon opzij zet.

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat zijn recht op bescherming van zijn persoonsgegevens en zijn privéleven als gewaarborgd in artikel 8 vanhet EVRM, artikel 9 van de Privacyrichtlijn en artikel 8, onder f, van de Wbp, wordt geschonden, overweegt de Afdeling dat gezien de beperkte aard van de mededelingen die over [appellant] met zijn instemming in het betreffende artikel in de Universiteitskrant zijn gedaan, zijn belang niet zodanig zwaar weegt dat het zou moeten prevaleren boven de belangen van de vrijheid van meningsuiting en de betrouwbaarheid en representativiteit van het archief.

Er is dus geen reden om het archief op te schonen of af te schermen.

Een opmerkelijk aspect werd nog gesignaleerd bij ITenRecht.nl. We zitten namelijk bij de Raad van State omdat de universiteit werd gedagvaard in het kader van een bestuursrechtelijke procedure. Dat is gek, omdat er een aparte Stichting Universiteitsblad is die de krant en het archief beheert. De universiteit zelf levert de faciliteiten (hosting, domeinnaam) maar bemoeit zich niet met de inhoud. Ze benoemen een bestuur en een redactie maar die gaan vervolgens zelf en onafhankelijk nieuws maken en brengen.

Toch vindt de Raad dat de universiteit nu verantwoordelijk is voor de “verwerking van persoonsgegevens”. Dit op de formele grond dat de Wbp de ‘verantwoordelijke’ definieert als de persoon die “het doel en de middelen” bepaalt van de verwerking. En omdat de universiteit vond dat er een krant moest komen en ze daar ook nog een bestuur, redactie, domeinnaam en servertje voor beschikbaar stelt, is zij verantwoordelijk. Terecht zegt IT en Recht (haha, dat rijmt):

Betekent deze uitspraak nou ook dat bijvoorbeeld aandeelhouders van een besloten vennootschap die het bestuur kunnen aanstellen en ontslaan, verantwoordelijke zijn van de door de vennootschap verwerkte persoonsgegevens? Dat zou de privacy-wereld op zijn kop zetten!

Ik moet zeggen dat ik deze interpretatie ook hoogst merkwaardig vind. De onafhankelijkheid van de stichting en de redactie had ertoe moeten leiden dat de stichting de verantwoordelijke was.

Arnoud

Een Legoblokje kan geen merk zijn

Het Legoblokje kan geen merk zijn. Dat blijkt uit de uitspraak in zaak C 48/09 P van het Europese Hof van Justitie. Het blokje is “functioneel bepaald”, oftewel dat blokje moet nu eenmaal die vorm hebben om ermee te kunnen bouwen. En functioneel bepaalde dingen kunnen niet als merk worden beschermd. Eerder had onze Hoge Raad al geoordeeld dat het maken van eigen op Lego passende blokjes niet onrechtmatig was, omdat de octrooien op Legoblokjes allang verlopen waren.

Lego doet al decennia haar best om te zorgen dat anderen geen blokjes maken die uitwisselbaar zijn met haar eigen steentjes. Dat kan op zich prima met een octrooi (tentamenvraag: definieer “Legosteentje” in functionele termen), maar octrooien verlopen twintig jaar na de dag van aanvraag. Daarna is namaak in principe toegestaan. Dat is de ruil die deze vorm van ‘intellectueel eigendom’ rechtvaardigt: je mag twintig jaar profiteren van je uitvinding, daarna mag de maatschappij dat.

Om dit te blokkeren, had Lego geprobeerd haar blokjes als merk te beschermen. Op zich kan de vorm van een product prima een merk zijn. Coca-Cola herkennen we allemaal al zodra het silhouet van dat flesje in beeld komt bijvoorbeeld. En ook Legoblokjes zijn zeer herkenbaar door hun vorm met noppen en staafjes.

Toch wijst het Europese Hof de merkaanvraag van Lego af. Die herkenbaarheid is het gevolg van het marktsucces van het product, maar betekent nog niet dat het product dus maar beschermd mag worden als merk. Want

een teken bestaande uit de vorm van een waar die, zonder toevoeging van belangrijke niet-functionele elementen, enkel een technische functie te kennen geeft, niet als merk kan worden ingeschreven, aangezien een dergelijke inschrijving in te sterke mate een beperking zou vormen voor de mogelijkheden waarover de concurrenten beschikken om vormen van de waar die dezelfde technische oplossing gebruiken, op de markt te brengen.

Concurrentie op de vrije markt is een groot goed, en een merk behoort technische innovatie dus niet in de weg te zitten. Het Hof geeft nog wel de hint dat je het via de slaafse nabootsing zou kunnen proberen als mensen al te makkelijk je eigen producten namaken. En dat is dus waar de Hoge Raad bij ons over heeft gezegd dat de “behoefte aan standaardisatie” als rechtvaardiging kan gelden. Als je je blokjes zo moet maken om ze te laten passen, dan mag dat ook.

Er is trouwens nog wel een geldig Beneluxmerk maar het lijkt me niet dat dat lang stand zal houden na deze uitspraak.

Wanneer de tekst “de noppenconfiguratie [etc] … zijn handelsmerken van de LEGO Groep.” zal worden aangepast op de site van LEGO is nog niet bekend.

Arnoud

Mogen bedrijven gebruik van sociale media ‘beteugelen’?

‘Werknemers kunnen hun werkgever ernstige schade berokkenen door het gebruik van sociale media. LinkedIn, Facebook of Twitter leggen bedrijfsgevoelige informatie bloot, zoals cv’s, zakelijk netwerk of klantenbestand’, zo opende een column in het Financieele Dagblad vorige week (via GeenStijl). De strekking: verbied al die sociale shizzle of ga er in ieder geval keihard bovenop zitten met je arbeidsreglement, want anders kan je bedrijf er wel eens aan onderdoor gaan.

Bij Recruitment Matters wordt alvast hard gelachen om deze naïeve advocaat, maar laten we hier eens inhoudelijk kijken. Welke grenzen gelden er bij sociale media en het werk?

Er is nog geen rechtszaak over gevoerd, maar het actief benaderen van oude klanten kan op deze manier zomaar onrechtmatig zijn. Vallen socialemediavrienden ook onder de beperkingen van een relatiebeding, waarin staat dat je geen zakenrelaties mag benaderen na einde dienstverband?

In theorie kan dat ja. Het is toegestaan om werknemers te verbieden om na afloop van het dienstverband actief onder je eigen klanten (relaties) te gaan werven voor zijn nieuwe werk. Of hij dat nu via Linkedin, e-mail, brieven, telefoongeheugen of de KVK-netwerkborrel doet, maakt niet uit. Wel moet het relatiebeding schriftelijk afgesproken zijn (art. 7:653 BW).

Het is dus niet toegestaan om ineens iedereen via een IT-reglement te melden dat je niet met klanten mag krabbelen of relaties aan je Linkedin mag koppelen. Maar als het schriftelijk in je arbeidscontract staat, dan zit je daar aan vast.

Een doeltreffend socialemediabeleid moet ook het bedrijfskapitaal beschermen. Enkele suggesties. Blokkeer sites als Twitter, LinkedIn of Facebook. Dat zal de arbeidsproductiviteit zeker ten goede komen.

Op zich is het natuurlijk toegestaan om sites te blokkeren – sterker nog, het is niet verplicht voor werkgevers om mensen toegang te geven tot internet of e-mail. Maar of het doeltreffend is? Dat lijkt me niet; mensen zijn zó gewend aan die middelen dat je alleen maar frustratie veroorzaakt en dat is bepaald niet goed voor de arbeidsproductiviteit.

Een alternatief voor blokkeren is monitoren, zodat je ‘goed’ gebruik kunt toestaan maar kunt ingrijpen als er ‘slechte’ dingen gebeuren. Alleen, je mag als werkgever internetgebruik niet zomaar monitoren, zeker niet wanneer dat persoonsgericht gebeurt. Volgens de privacywet is daarvoor een gerede verdenking richting die persoon nodig.

Voor Twitter en Hyves geldt dit privacypunt minder. Wat je voor iedereen zichtbaar op dergelijke media plaatst, is ook voor je werkgever leesbaar. En staat daar iets dat hem duidelijk schaadt, dan heb je toch echt een probleem.

Als een werknemer toch zijn profiel op zo’n site wil achterlaten, laat hem dan slechts in algemene zin naar buiten treden over zijn of haar werkzaamheden: zijn of haar exacte functie en werkzaamheden zijn vertrouwelijk. Ook mag de werknemer op het profiel niet aangeven welke opleidingen hij op kosten van de werkgever gevolgd heeft. Dat maakt hem alleen maar aantrekkelijk voor headhunters, en schept verplichtingen naar andere personeelsleden.

Natuurlijk mag je geen bedrijfsgeheimen publiceren op een profielensite, maar functie-informatie als bedrijfsgeheim? Oeps, dan zou ik maar gauw “company confidential” op je visitekaartjes laten zetten.

Het stukje over opleidingen heeft ergens een kern van waarheid, maar het lijkt me dat het aan de werknemer is of hij een gesponsorde opleiding wil noemen naar zijn collega’s. En als je sommige werknemers wel en andere niet zo’n opleiding wilt toestaan, dan zul je toch echt beleid moeten maken met de criteria. Die ‘verplichtingen’ kun je daarmee pareren.

En over headhunters: ik mag hopen dat mijn werknemers aantrekkelijk zijn voor headhunters. Je hebt echt een probleem als geen enkele headhunter je personeel zou willen hebben, toch?

Verbied de werknemer om actief klanten te benaderen via sociale media. Als het dienstverband beëindigd wordt, moet de werkgever kunnen controleren met welke klanten de werknemer via sociale media een relatie is aangegaan. De werknemer mag tot twee jaar na het dienstverband geen zakelijke contacten onderhouden met deze klanten.

Hier komen we dus terug op het punt rond relatiebedingen dat ik hierboven ook al noemde. Op zich mag dit inderdaad.

Wel roept dit soort bedingen snel lastige vragen op: is een Linkedincontact een ‘actieve’ relatie? En als ik mijn status update en die relatie leest dat in zijn wekelijkse Linkedinspamupdatemail, ben ik dan actief met hem aan het praten?

Die periode van twee jaar is wel meteen het maximum dat je kunt eisen volgens de jurisprudentie.

Tot slot kan worden afgesproken dat uitlatingen die niet in het belang zijn van de werkgever zo veel mogelijk moeten worden afgeschermd. Sociale media bieden genoeg mogelijkheden om informatie alleen te openbaren aan een selecte groep. De meer vergaande beperkingen of voorwaarden aan het gebruik van sociale media kunnen het best direct met de werknemer worden overeengekomen.

Dit gaat me echt te ver. “Niet in het belang” van de werkgever is nog geen reden om zomaar alles te kunnen verbieden. Je bent als werknemer verplicht je als “goed werknemer” (art. 7:611 BW) te gedragen. Ook al staat iets dus niet expliciet in de wet, als een goed werknemer dat niet zo doen dan behoor jij dat ook niet te doen. Op zich zijn er dus dingen die je moet laten om dat je daarmee de belangen van je werkgever schendt.

Daar staat tegenover dat óók de werkgever zo’n plicht heeft: inderdaad, die moet goed werkgever zijn (zelfde artikel). Zó hard bovenop alle sociale media zitten, lijkt me niet in het belang van de werknemer – en daarmee indirect ook niet in het belang van de werkgever zelf.

Meelezende werkgevers vinden bij Frankwatching een veel betere analyse van de problemen en mogelijke oplossingen.

Arnoud

Blogdialoog: Het conservatisme in het auteursrecht (Toekomst van auteursrecht)

sony-betamax-vcr-video.pngAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

De entertainmentindustrie voldoet niet aan de behoeftes van haar klanten, maar daarom hoeft nog niet meteen alles als all-you-can-eat en tegen verplichte licenties via filesharing online. Zo vat ik de bijdrage van Future of Copyright van vorige week maar even samen. Ook in de comments alhier werd gesignaleerd dat het vooral in de uitwerking zou zitten en niet in de principes van het auteursrecht. FOC noemt dat de “krampachtige houding van de grote rechthebbenden”: die komen maar niet met nieuwe distributiemodellen, en zo wil de legale markt maar niet van de grond komen.

Tot op zekere hoogte hebben ze daarin gelijk. Als “Big Content” (zeg maar Hollywood plus de grote vier muziekmaatschappijen) zélf flexibele en innoverende diensten hadden gelanceerd aan het begin van dit decennium, dan hadden we deze discussie waarschijnlijk niet eens nodig gehad. Ongetwijfeld zouden er ook dan mensen zijn geweest die zonder te betalen werken zouden uitwisselen, maar dat was dan een marginaal verschijnsel gebleven, ongeveer net zoals er nu mensen gratis betaaltelevisie kijken of autorijden zonder wegenbelasting te betalen.

Maar of het spreekwoordelijke kopje koffie met de industrie genoeg zal zijn om ze over te halen nu dan alsnog met downloaddiensten en distributiemodellen te komen, betwijfel ik. Er is namelijk een heel fundamenteel probleem met auteursrecht. Dit probleem maakt het onwaarschijnlijk dat de industrie ooit uit zichzelf met innoverende internetdiensten zal komen.

Napster, KazaA, Bittorrent en al hun vrienden zijn wat economen verstorende technologieën noemen. Ze zetten de bestaande bedrijfsmodellen op hun kop. Geen innovatie in de vorm van een betere geluidskwaliteit of een sterkere compressietechniek, maar een innovatie die een andere vorm van afnemen, een andere vorm van zakendoen oplevert. Dat roept meteen weerstand op bij de gevestigde orde, want het tast meteen hún bottom line aan. Er is geïnvesteerd in productiemiddelen en afzetkanalen, er zijn winstprojecties gebaseerd op omzetverwachtingen, en die kunnen nu allemaal de prullenbak in.

Dit is natuurlijk niet uniek voor auteursrechten. Neem bijvoorbeeld de digitale camera. Deze technologie verstoorde de markt voor fotorolletjes en analoge camera’s. Omdat consumenten deze nieuwe technologie verkiezen boven de oude wint zij snel marktaandeel. Daar kan de gevestigde orde weinig aan doen. Er zit weinig anders op dan de nieuwe technologie omarmen en het verlies van de omzet aan fotorolletjes voor lief nemen. Het alternatief is de onvermijdelijke ondergang – verstorende technologieën kunnen bestaande markten compleet wegvagen.

Wél uniek voor auteursrechten is dat er niet echt één markt is die verstoord wordt. Er zijn twee produktgroepen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: afspeelapparatuur en inhoud. Verstorende technologiën vinden altijd plaats aan de zijde van de apparatuur. Denk aan videorecorders, computers, CD-branders, internetverbindingen, peer-to-peer uitwisseling, Bittorrent-distributie en ga zo maar door. De bedrijfsvoering die daardoor verstoord wordt bevindt zich echter grotendeels aan de andere zijde. De opkomst van televisie verstoorde bijvoorbeeld vooral de markt voor bioscopen en filmzalen. Een televisiekijker betaalde niet om een film te kijken, dus kon van een televisiezender niet hetzelfde bedrag voor vertoning van een film gevraagd worden als van een bioscoop. Daar gaat je winstprojectie.

En nu komt het: waar een camerafabrikant de verstoring in zijn markt met lede ogen aan moet zien, heeft een filmproducent een wettelijk middel om de verstoring tot staan te brengen. Hij deelt gewoon geen licentie uit. Dat is immers geen plicht onder het auteursrecht. Of hij gaat nog een stapje verder en begint een rechtszaak tegen die technologie omdat deze immers alleen maar bedoeld is zijn auteursrechten te schenden.

De makers van die technologie hebben dat maar te slikken, of moeten dan diep door het stof om alsnog toegang tot die inhoud te krijgen die de consument graag wil afnemen via die nieuwe technologie. Dit verklaart waarom nieuwe technologieën vaak van rare beperkingen voorzien zijn – van heffingen op lege dragers tot kopieerbeveiligingen op stekkertjes (HDCP), waarom nieuwe diensten jarenlang op zich laten wachten – zoals streamingvideodiensten zoals Hulu. Of waarom ze onderuit gaan nog voor ze een succes zijn – Napster of Kazaa. De markt krijgt geen kans, zoals bij digitale camera’s wel het geval was, om te beslissen wat zij beter vindt, maar blijft afhankelijk van de welwillendheid van de rechthebbenden.

Dit is een rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van het principe van “de auteur beslist” in de huidige auteurswetten. De mogelijkheid om “nee” te zeggen tegen verstorende technologie is een machtig wapen – en daarmee een gigantische rem op innovatie. Dat downloadverbod dat FoC steeds bepleit, versterkt alleen maar hun positie, zonder dat er enige prikkel is om zelf wél met een innovatief bedrijfsmodel te komen voor internet.

Ik geloof dus niet dat we de keuzes aan de rechthebbenden kunnen overlaten. Zij hebben er immers een te groot belang bij dat de situatie blijft zoals zij is. Om auteursrechtenprof William Patry te citeren:

I cannot think of a single significant innovation in either the creation or distribution of works of authorship that owes its origins to the copyright industries.

Innovatie is onvermijdelijk, en internetdistributie dus ook. Het enige dat de industrie bereikt met haar conservatisme, is dat anderen vóór haar gaan innoveren. De apparatuur is er, de distributiemechanismen ook, en die gaan echt niet meer weg. Wachten op de industrie is geen optie. Dus hoe krijgen we haar in beweging?

Arnoud (met dank aan Daniël Mantione)

Twee aankondigingen: (1) ITenRecht.nl (2) Mijn boek

boek-bezorgd-doos-de-wet-op-internet-editie-2010.jpgVandaag speciale aandacht voor de nieuwe juridische weblog IT en Recht, het zusje van Boek 9 dat zich richt op IT- en internetrecht in het algemeen. Een buitengewoon mooi initiatief. De berichten die er nu al staan, geven een mooi inzicht in de rechtspraak op dit gebied, en tot mijn vreugde wordt er ook echt commentaar geleverd door de plaatsende juristen. Zo mag ik het zien!

Iedereen die geïnteresseerd is in rechtspraak op dit gebied: toevoegen die RSS-feed.

En u zag ‘m misschien al staan hier rechts, maar mijn boek is sinds kort in de vrije verkoop. Reacties, recensies en suggesties voor leuke promo-deals mag u hieronder kwijt 🙂

Ondertussen schrijf ik door aan de volgende aflevering van de blogdialoog die morgen weer verder gaat.

Arnoud

“Uw ADSL-apparatuur voldoet niet aan de eisen, factuur volgt”

aansluitpunt-muur-telefoon-adsl.pngStel, je bestelt ADSL bij Tele2, maar om technische redenen wil de aansluiting niet lukken. Kan gebeuren. Maar vervolgens krijg je gewoon facturen voor elke maand van de contractsperiode. Ja, dat kan ook gebeuren. Maar dat hoort dus niet: de rechtbank Rotterdam verklaarde dat onredelijk bezwarend.

Tele2 stelde dat er gewoon een contract was en zij aan haar verplichtingen had voldaan: de ADSL-verbinding werkte tot aan het IS/RA-aansluitpunt, en de rest was volgens haar algemene voorwaarden het probleem van de eindgebruiker. Daar stond namelijk iets opmerkelijks in:

Indien de door Tele2 noodzakelijk geachte medewerking niet wordt verleend en/of de randapparatuur van de Klant voldoet niet aan de eisen dan wordt de Installatie voltooid geacht te zijn en kunnen de kosten voor de Installatie op de Klant verhaald worden. Tevens kunnen bij een (eventuele) nieuwe Installatie aanvullende kosten in rekening worden gebracht. De Installatie wordt in ieder geval als voltooid beschouwd indien de Klant gebruik maakt van (een deel van) de Dienst.

Ik moest hem ook twee keer lezen, maar het staat er echt: als u geen juiste randapparatuur heeft, dan is er per definitie succesvol geleverd. Pardon?!

De rechtbank maakt korte metten met deze toch wat eigenaardige constructie. Je kunt niet zomaar dit probleem bij de consument leggen:

Van gedaagde kan ” in het licht van de bescherming die het consumentenrecht biedt ” niet verwacht worden dat zij op de hoogte is van de werking van een ISRA-aansluitingspunt, de Tele2 apparatuur en alle daarbij behorende technische aspecten. Van gedaagde kan dan ook niet worden verwacht dat zij zelf vaststelt of haar woning over een werkend ISRA-aansluitpunt beschikt.

Dit artikel uit de algemene voorwaarden wordt dan ook vernietigd. Als gevolg heeft Tele2 niet aan haar verplichting tot oplevering en installatie voldaan, zodat ze geen facturen mag sturen voor de geleverde dienst. En vanwege het niet voldoen aan die verplichting, mocht de consument de overeenkomst annuleren. Volkomen terecht natuurlijk.

Arnoud

Wie is nou eigenlijk eigenaar van onze website?

Een lezer vroeg me:

Een paar jaar terug hebben we een website laten bouwen door een professioneel bureau. Recent heb ik een ander bureau ingeschakeld om wat wijzigingen te maken en een forum toe te voegen. Maar na oplevering zegt het oude bureau dat de nieuwe site inbreuk maakt op hun auteursrechten (copyrights)! Zij zouden alle rechten hebben en ik had hen het onderhoud en de uitbreidingen moeten laten doen.

Klopt dat? We hebben toch betaald voor de site en het ontwerp, dan is het toch onze site en mogen wij toch zeker wel zelf bepalen wie het onderhoud gaat doen?

Het bureau heeft waarschijnlijk gelijk, maar dat hangt allemaal vrijwel volledig af van wat er precies in het contract (en de bijgehorende algemene voorwaarden) staat.

Hoofdregel van het auteursrecht/copyright is namelijk dat wie het maakt, de rechten heeft. De website is hier door het bureau gemaakt, en dus hebben zij daarop de rechten. Daar is eigenlijk maar één uitzondering op: als in het contract staat dat de auteursrechten naar de opdrachtgever gaan (soms staat er “eigenaar wordt”, dat vind ik twijfelachtig).

Wie betaalt, is auteursrechtelijk compleet irrelevant.

De opdrachtgever krijgt alleen een gebruiksrecht voor de site zoals door hen opgeleverd. Wat dat gebruiksrecht precies omvat, hangt af van het doel van de site en wat er zoal tijdens het offertetraject is gezegd. Is er bijvoorbeeld gesproken over “makkelijk zelf aanpassen” van layout of teksten via een handige WYSIWYG-editor, dan heeft de opdrachtgever het recht die layout of teksten aan te passen. Maar is er niets gezegd, dan zou ik zeggen dat je niet zelf zomaar van alles mag wijzigen. Goed, typefouten waarschijnlijk wel, maar een hele nieuwe layout niet.

Dit betekent ook dat je niet zomaar als opdrachtgever een ander bedrijf mag inschakelen om de site te laten verbouwen. Je zult daarvoor toestemming moeten krijgen van de oude ontwerper, en het is nog maar de vraag of je die zult krijgen.

Ik zou dus altijd adviseren om in zo’n opdracht op te laten nemen dat het eigendom van de site overgaat naar de opdrachtgever, of op zijn minst dat onderhoud door de opdrachtgever zelf mag worden gedaan, dan wel door een door hem gekozen hulppersoon.

Arnoud