Onze domeinnaam lijkt op de naam van een concurrent, wat nu?

no-name-street-naam-handelsnaam.pngEen lezer mailde me:

Wij hebben een claim gekregen over onze domeinnaam. Deze zou te veel lijken op de naam van een concurrent. En op zich klopt dat denk ik wel: zij hebben een naam van de vorm “iets4iets.nl” en wij gebruiken “iets-iets.nl” dus zonder dat cijfer. Ik heb gezocht maar ik kon geen merk vinden bij het Benelux Merkenbureau. En in het colofon staat duidelijk dat onze BV een andere naam heeft. Kan die ander nu toch onze domeinnaam opeisen?

Bedrijfsnamen zijn ook zonder merkregistratie beschermd als handelsnaam. Het enkele feit dat je je bedrijf zo noemt, is al genoeg om bescherming voor je naam te hebben. En dat geldt zelfs als de naam beschrijvend is. “Bakker Piet” is dus een geldige handelsnaam.

Een concurrent mag dan niet diezelfde bedrijfsnaam hanteren, maar ook geen bedrijfsnaam die verwarrend veel lijkt op de handelsnaam. Eén cijfer vervangen door een streepje lijkt me niet genoeg om verwarring te voorkomen. Het zal een beetje afhangen van de werkelijke woorden achter de ietsen, maar in het algemeen zou ik zeggen dat dit wel handelsnaaminbreuk zou zijn.

Als je echter die naam niet als handelsnaam gebruikt, dan is er niets aan de hand. Een domeinnaam is niet perse hetzelfde als een handelsnaam: daarvoor moet het echt de bedrijfswebsite zijn. Een domeinnaam voor een productnaam bijvoorbeeld is geen inbreuk op een handelsnaam. Wil de ander daar wat aan doen, dan moet hij echt een merk geregistreerd hebben. Let dus niet alleen op de domeinnaam maar ook op hoe de website wordt gepresenteerd.

Het aparte hier is wel dat voor domeinnaamarbitrage een merk en een handelsnaam hetzelfde worden behandeld. Dat lijkt mij niet helemaal terecht; een merk is sterker maar wordt daarom ook inhoudelijk getoetst op onderscheidend vermogen.

Arnoud

Koop op afstand versus de blisterverpakking

zakmes-blister.pngWie iets via internet koopt, mag dat binnen zeven werkdagen ruilen. Ook als het uitgepakt en geprobeerd is. Maar soms is het heel moeilijk om een product uit te proberen, bijvoorbeeld omdat het in een blisterverpakking zit. Wat dan?

In principe lijkt het mij dat de winkelier dan pech heeft: je hebt het recht om het product uit te proberen, dus ook om het uit de verpakking te halen. Dat die verpakking lastig te openen is, is dan ook voor rekening van de winkelier.

Maar nu wees een meelezende webwinkelier me erop dat dit bij geheugenkaartjes soms tot rare situaties kan leiden:

Regelmatig gebeurt het dat een klant zomaar een geheugenkaart besteld, hem openknipt (het zijn flinke blisterverpakkingen waar een degelijke schaar aan te pas moet komen) en de kaart dan terugstuurt omdat die niet past. Maar vaak kan de klant reeds aan de buitenkant van de verpakking zien dat de kaart een andere vorm heeft. Dus waarom dan nog openknippen? Moet ik ook dan de klant het geld teruggeven?

De consument-koper moet zorgvuldig met het product omgaan zolang de retourtermijn nog bestaat. Doet hij dat niet, dan mag de winkelier een vergoeding vragen voor de schade die aan het product is toegebracht.

Als je al aan de verpakking kunt zien dat de kaart evident niet gaat passen in het product, dan lijkt het mij wel verdedigbaar dat de klant voor de opengeknipte verpakking zal moeten betalen. Maar hoe bewijs je dat dat de reden van retour was?

Arnoud

Nieuw op Ius mentis: Naar een passend beschermingsregime voor forumbeheerders en bloggers

Het wettelijk regime voor internetdienstverleners is aan een update toe. In dit artikel (eerder gepubliceerd in Tijdschrift voor Internetrecht pleit ik voor een genuanceerder beschermingsregime van beheerders van forums en blogs. Als zij afdoende modereren, behoren ze niet aansprakelijk te zijn voor wat er nog doorheen komt.

De Richtlijn 2000/31/EG bevat een voor internetdienstverleners belangrijke uitsluitingsgrond van aansprakelijkheid. Kort gezegd zijn zij niet aansprakelijk voor wat hun gebruikers op de website plaatsen. Pas wanneer ze feitelijk weten dat bepaalde inhoud is geplaatst die juridisch gezien evident niet door de beugel kan en ze weigeren deze weg te halen, verandert dat.

Een recente trend lijkt echter te zijn dat rechters deze uitsluitingsgrond niet van toepassing achten op moderators of forumbeheerders bij bijdragen van gebruikers. Op 12 maart jl. vonniste de rechtbank Amsterdam dat de beheerders (moderators) van de site www.internetoplichting.nl onrechtmatig handelden door de discussie over online modewinkel Trendylaarzen niet te verwijderen. Eerder werden vergelijkbare vonnissen gewezen in de zaken Showbiznewz en Martijn. In het kader van strafrecht werd de forumbeheerder van de extreem-rechtse Nationale Alliantie veroordeeld.

Deze vonnissen laten zien dat het regime uit de Richtlijn maar moeizaam past bij de huidige praktijk van forums en blogs. In een artikel in Tijdschrift voor Informatierecht pleit ik dan ook voor een genuanceerder beschermingsregime voor beheerders van interactieve diensten met betrekking tot inhoud van gebruikers. Hieronder een samenvatting van het artikel.

Lees verder in Naar een passend beschermingsregime voor forumbeheerders en bloggers op Ius mentis.

Arnoud

Indexeringsites en auteursrechten, een spanningsveld? (gastpost)

Vandaag een gastbijdrage van Maarten van Amerongen, student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Deze bijdrage is een ingekorte versie van zijn afstudeerscriptie.

Er zijn honderden websites met een index aan eD2k-links, torrents en NZB’s, er hun aantal lijkt voortdurend toe te nemen. Voor mijn masterscriptie heb ik onderzoek gedaan naar drie P2P netwerken en evenzoveel websites die om verschillende redenen interessant zijn voor de behandeling van de problematiek rond de indexeringsites. Geclaimde massale inbreuken via zulke sites en gestelde miljoenenverliezen voor de rechthebbenden, een actueel probleem wereldwijd met in Nederland een tweestrijd tussen, voornamelijk, auteursrechtenbeschermer Stichting Brein en de beheerders van de indexeringsites. Veel indexeringsites worden door Stichting Brein als eendrachtig en inbreukmakend beschouwd maar de verschillen zijn zoveel interessanter.

In de loop van het afgelopen decennium is de werkwijze van Stichting Brein tegen indexeringsites en hun bezoekers veranderd. Ook de geleerden, rechterlijke macht en overheid lijken niet goed te weten wat men met de indexeringsites aanmoet. Zo haalde rechtenprofessor D.J.G. Visser in een artikel in Computerrecht 2001 de P2P dienst Napster aan. Destijds achtte hij Napster niet aansprakelijk voor auteursrechteninbreuk, wel leverde de dienst een onrechtmatige daad op. In een P2P dienst zónder centrale database zag hij geen probleem, het zijn dan uitsluitend de gebruikers die de auteursrechtelijk relevante handeling verrichten. Nu, enkele jaren later, staat Visser Stichting Brein bij in een procedure tegen de bittorrentindexeringsite Mininova. Een site die slechts torrentbestanden host voor het gedecentraliseerde Bittorrent netwerk en daarbij een streng Notice-and-takedown beleid voert. De inhoud van de procedure Stichting Brein/Mininova veronderstel ik als bekend.

De Stichting Brein voert keer op keer procedures tegen ISP’s of websitehouders om indexeringsites van het internet te krijgen. Hierbij verwijst Stichting Brein maar al te graag naar een paar behaalde matige successen uit het verleden. Relevante uitspraken die de stichting minder behagen worden doodgezwegen. De status van de indexeringsite is hierdoor, mijns inziens onterecht, op een hellend vlak gekomen waarbij de onrechtmatigheid van dergelijke websites dikwijls onterecht en steeds maar sneller wordt aangenomen, veelal door de voorzieningenrechter en zonder degelijk inhoudelijk feitenonderzoek. Een onterechte gang van zaken. Er mag vanuit worden gegaan dat de stichting weliswaar representatief is op het gebied van piraterijbestrijding maar dat hun zelfuitgeroepen expertise en oordeel in redelijkheid niet als waarheid overgenomen mogen worden in rechtelijke procedures. Ze zijn belangenbehartiger met een opinie en géén (onafhankelijk) expert, ook al profileren zij zich wel als zodanig. Een aanwezigheid van medewerkers van Stichting Brein bij doorzoekingen van woningen door de politie naar aanleiding van verdenkingen van intellectuele eigendomsfraude is derhalve volstrekt overbodig en ongewenst voor een deugdelijk onderzoek.

Hoe dan om te gaan met de indexeringsites? Naar mijn opvatting bestaat reeds afdoende wetgeving in de vorm van artikel 6:196c BW om de indexeringsite uit het juridische “grijze gebied” te halen. Een indexeringsite vormt in zekere zin een dienst van de informatiemaatschappij waarbij van de beheerder een vorm terughoudendheid van verlangd mag worden als het gaat om de controle van de inhoud van de door bezoekers geplaatste hashcodes, links of andersoortige data. Controle leidt immers te snel tot een ongewenste vorm van censuur.

In de lijn van de wetsgeschiedenis en jurisprudentie valt op te maken dat een beheerder van een website binnen het kader van de bescherming van artikel 6:196c BW valt indien hij adequaat optreedt bij meldingen van rechthebbenden inzake verwijzingen naar onrechtmatige data. Een dergelijke toepassing van art. 6:196c BW geeft een rechthebbende naar mijn mening in een procedure een sterke positie indien een beheerder weigerachtig blijft om links te controleren en verwijderen.

Het ligt derhalve voor de hand aan te nemen dat een beheerder van een indexeringsite in redelijkheid verplicht is informatie in de vorm van links, torrents, NZB’s etc. te verwijderen zodra hij wordt geïnformeerd door de rechthebbende over de onrechtmatigheid van de bestanden achter de verwijzing. Echter totdat de beheerder is geïnformeerd meen ik te kunnen concluderen dat de -mijns inziens ongefundeerde- klaagbeden van de nationale en internationale rechthebbendenorganisaties over de enorme verliezen die jaarlijks geleden zouden worden als gevolg van het downloaden van auteursrechtelijk beschermd materiaal als gevolg van links die opgenomen zijn bij de P2P indexeringsites, genegeerd kunnen worden. Ik zie in beginsel, en onder voorbehoud van speciale omstandigheden, weinig tot geen juridische problemen in het bestaan van dergelijke sites.

Maarten van Amerongen is student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Zijn scriptie is begeleid door mw. prof. mr. drs. M. de Cock Buning. Na het behalen van zijn masterdiploma ambieert hij een functie in de advocatuur, richting IT/IE.

Privacyschending op website: ook provider aansprakelijk

kleinkindonbereikbaarpuntnl-logo.pngDe website Kleinkind onbereikbaar schendt de privacy van de (klein-)kinderen wiens naam, geboortedatum, woonplaats en dergelijke zonder hun toestemming op deze site waren gezet. Dit levert reputatieschade op voor die kinderen en kleinkinderen. Dat blijkt uit een vonnis van afgelopen donderdag. Opmerkelijk daarbij is de reden om de website-beheerder aansprakelijk te houden: de E-commercerichtlijn zegt dat de bescherming voor providers niet geldt voor privacyzaken.

De site Kleinkind onbereikbaar is bedoeld voor grootouders die hun kleinkind niet meer kunnen zien, vanwege een geschil met de ouders. Wie op die site zijn of haar verhaal kwijt wil, kan dat doen via een speciaal formulier. Na screening door de beheerders wordt het verhaal dan geplaatst. En daarbij werd de volledige naam, geboortedatum, geboorteplaats, woonplaats en nationaliteit, alsmede de naam van de moeder en van de vader van het kleinkind vermeld op een open deel van de website. Dat was ook expliciet de bedoeling:

Door de gegevens van uw kleinkind op internet te publiceren ” dat doet u bij het invullen van de gegevens bij “mijn kleinkind”- komen die gegevens beschikbaar voor zoekmachines, en zo hopelijk bij uw kleinkind of diens omgeving terecht. … Dit werkt het beste als u zoveel mogelijk gegevens ” foto’s, teksten, namen ” invult. Het is hierbij van belang dat u zich realiseert dat dit persoonsgegevens betreft. U bent zelf verantwoordelijk voor wat u invult

Deze manier van werken acht de kortgedingrechter onrechtmatig. Er wordt “op grove wijze inbreuk op de privésfeer van de kleinkinderen en de ouders wordt gemaakt”. Dat bleek ook uit het feit dat de (klein-)kinderen in kwestie in hun dagelijks leven werden aangesproken op wat er op deze site stond. Bovendien:

Ook het gevaar van commerciële belangstelling is niet denkbeeldig. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat de persoonsgegevens interessant zijn voor gerichte reclame, zoals bijvoorbeeld voor mediationdienstverleners, gezien het doel van de website om de verstoorde familierelatie te herstellen.

Maar waarom was de websitebeheerder nu aansprakelijk? Volgens de Wet Bescherming Persoonsgegevens is hij degene die het doel en de middelen voor deze “verwerking van persoonsgegevens” vaststelt. Daarmee is hij de ‘verantwoordelijke’ en daarmee degene die je moet aanspreken als er geen toestemming of noodzaak tot publicatie is. Op zich denk ik wel begrijpelijk: de beheerder screende vooraf en bepaalde wat hij online zou zetten.

Daarmee is denk ik ook wel duidelijk dat deze beheerder geen aanspraak op art. 6:196c BW kan maken; hij biedt niet slechts een platform maar plaatst zelf de berichten.

Update (12:15) de beheerder van de site vroeg me deze reactie van hem toe te voegen:

De uitspraak is inderdaad opmerkelijk. Zeker ook omdat ik NIET de inhoud vooraf, tijdens of achteraf controleer(de). het enige wat ik wel verifieerde is wie ik toegang verleen, met daarbij uitdrukkelijk uitleg over wat wel en niet kan. Dus volgens mij wel bescherming ex. 6:196c.

De rechter vond echter nog een andere reden: de WBP gaat boven de bescherming van internettussenpersonen, omdat artikel 1 lid 5 van Richtlijn 2000/31/EG (waarin deze bescherming is geregeld) expliciet zegt dat deze niet van toepassing is op diensten die onder de privacyrichtlijnen 95/46/EG 97/66/EG vallen. Dat is bij mijn weten de eerste keer dat een rechter deze redenering hanteerde.

In de Martijn-zaak ging ook de privacy boven de bescherming van de beheerder, maar dat was expliciet vanwege het bijzondere karakter van die website. De rechter in die zaak verklaarde dat vereniging Martijn een extra zware verantwoordelijkheid had tegen privacyschendingen: “anders dan wellicht [bij] eigenaren of beheerders van websites die door hun aard niet op dergelijk misbruik en onbedoeld gebruik bedacht behoeven te zijn”.

Maar moeten sitebeheerders zich nu zorgen gaan maken? Ik denk het niet. Het gaat in artikel 1 lid 5 om kwesties in verband met diensten die onder de privacyrichtlijn vallen. Zo’n dienst kan bijvoorbeeld zijn een elektronisch adresboek (telefoongids of e-mailgids). Wie zo’n dienst aanbiedt, kan geen aanspraak maken op de uitsluiting van aansprakelijkheid voor providers. Maar als de dienst zelf niet het verwerken van persoonsgegevens is, dan lijkt dit artikel me niet van toepassing.

Een forumbeheerder die aangesproken wordt op publicatie van iemands naam in een forumbericht bijvoorbeeld kan gewoon de bescherming van art. 6:196c claimen: het bericht moet aangepast maar voor schade is die beheerder niet aansprakelijk. De dienst “online forum” is geen dienst in de zin van de privacyrichtlijn.

Arnoud

“We stellen messenfabrikanten toch ook niet aansprakelijk”

antisteekmes.pngBij discussies over aansprakelijkheid voor makers van software of diensten komt regelmatig de analogie met auto’s of messen langs. “We gaan makers van messen toch ook niet aansprakelijk stellen voor mensen die worden neergestoken”? Ik zit me af te vragen of ik daar niet eens een paar wetten over moet formuleren (“Eerste wet van internetrecht: elke discussie over online auteursrecht bevat een vergelijking met auto’s. Tweede wet van internetrecht: de vergelijking gaat niet op. Derde wet: de helft van de discussie gaat vervolgens

Afijn, een Britse fabrikant was kennelijk zo bang voor claims dat hij een antineerstekmes op de markt bracht. Er zit voorin een soort van inkeping en hobbel waarmee het niet eenvoudig meer is om op iemand in te steken. Groente snijden is geen probleem (kelen ook niet dus, denk ik dan) maar uithalen en steken gaat niet werken: het mes blijft hangen in kleding.

Tsja. Het enge is: als maar genoeg fabrikanten dit soort messen maken, dan wordt de rest vanzelf aansprakelijk vanwege het niet volgen van de algemene trend in de markt.

Via Schneier on Security.

Arnoud

Adwords en beschrijvende merken

cruise-travel-advertentie.pngStel, je wilt adverteren op Google voor een bedrijf dat cruisereizen biedt. Wat doe je dan? Dan koop je Adwords voor het trefwoord “cruise travel”. En wat doet het bedrijf Cruise Travel dan? Dat doet je een proces aan omdat je hun merk en handelsnaam misbruikt. Het overkwam het bedrijf Cruise Factory en internetbedrijf Perplex, en op verzoek van hun advocaat Daniel Corbeek mocht ik ze juridisch bijstaan. En ze hebben gewonnen, jeuj!

Eerst maar eens het merkgebeuren. Ik had nogal een boom opgezet over de vraag onder welk artikel van het BVIE je het kopen van Adwords met daarin een merkwoord moest rekenen, maar dat kan “in het midden blijven” aldus de rechtbank in haar vonnis (PDF). De term “cruise travel” is namelijk gebruikelijk in de branche om cruisereizen mee aan te duiden, en daarom kan een merkhouder hoe dan ook niet verbieden dat een concurrent die woorden gebruikt. De bestemming of kenmerken van een concurrerend product mag je altijd aanduiden.

(Zo voorkomt de rechtbank trouwens dat ze straks ingehaald wordt door het Hof van Justitie dat in andere zaken gevraagd is om hier een definitief oordeel over deze boom te vellen.)

Ook het feit dat Cruise Travel als merk alleen een beeldmerk (een plaatje met een meeuw en gestileerde tekst) had, wordt haar tegengehouden. Wat mij betreft een goede zaak – het gebeurt te vaak dat mensen een beschrijvend woord deponeren als plaatje en dan via de achterdeur alsnog een recht op het woord te hebben.

Bij de klacht over handelsnaamgebruik is de rechtbank kort: gebruik van ‘cruise travel’ bij Adwords is geen handelsnaamgebruik. Dit sluit aan bij de Farm Date/Google-zaak uit 2007. Pas als je bijzondere omstandigheden kunt laten zien, bijvoorbeeld als je jezelf aanduidt in de advertenties of op de achterliggende site als een bedrijf genaamd “cruise travel”, dan zou dat anders kunnen worden.

Een juridisch weinig spannend vonnis maar het is natuurlijk wel leuk om bij je “eerste keer” te winnen. 🙂

Arnoud

Twitteren, mag dat?

Een lezer vroeg zich af of hij zijn gebruik van de microblogdienst Twitter wel als “twitteren” mocht omschrijven. Want: Twitter is een merknaam, en merknamen gebruiken als werkwoord kan ertoe leiden dat dat merk een generiek woord wordt. Je moet dus bij werkwoordgebruik van een merk uitkijken dat je het gebruikt in referentie tot de dienst van de merkhouder. Je Twittert dus bij Twitter maar niet bij Jaiku, net zoals je googelt bij Google en niet bij Ilse.

Hola, daar ging ik al. Zag u het? Ik schreef “googelt” in plaats van “Googelt” en daarmee zet ik alweer een stapje dichter richting het algemeen gebruik van “googelen” voor “zoeken op internet” (aldus Van Dale). Ik hoop dus maar dat meelezende Googleadvocaten hier niet boos om worden.

De vraag of een merk een generiek woord is geworden, is altijd lastig te beantwoorden. Je moet dan kijken naar het normale spraakgebruik – bedoelen mensen nog steeds de specifieke producten van het bedrijf Luxaflex of gewoon elke verticale lamel als ze “luxaflex” zeggen? Daarbij mag je naar woordenboeken kijken (of zelfs naar Wikipedia), maar dat is niet zaligmakend. Het MSN-voorbeeld van een tijd geleden leidde ertoe dat Van Dale haar woordenboek aanpaste en aangaf dat “msn’en” toch specifiek sloeg op chatten via Microsoft’s chatdienst. En wat te doen trouwens met hyven? Veelgebruikt maar het staat niet in het woordenboek.

Overigens, welke merkadvocaat heeft de term “genericide” eigenlijk bedacht om dit proces van gewonenaamworden van een merk mee te omschrijven? Een merk kwijtraken lijkt me toch wat anders dan een hele bevolkingsgroep uitroeien. Maar tsja, overdrijving is altijd een sterk punt van IE-juristen.

Arnoud

Frans Hof verklaart “trois strikes et vous etes out!” ongrondwettig

Half mei kwamen de eigenwijze Fransen met hun three strikes et vous etes out-concept, vlak nadat het Europees Parlement had aangegeven daar niets voor te voelen. En nu al is dit systeem weer ongeldig verklaard: het Grondwettelijk Hof (Conseil Constitutionnel) acht deze regeling in strijd met de Franse Grondwet. (Bedankt, Dolf!)

Het Hof ziet twee grote problemen:

  • De wet bepaalt dat de abonnee geacht wordt de schuldige te zijn, tenzij deze kan bewijzen dat een ander de verbinding gebruikte om auteursrechten te schenden. Dat is in strijd met het rechtsbeginsel dat je onschuldig bent tot de staat je schuld bewijst.
  • De wet wijst het Hadopi aan als bevoegde instantie om de sanctie van een jaar lang afsluiting op te leggen. Dat mag niet; alleen een onafhankelijke rechter mag strafrechtelijke sancties opleggen.

Een goede zaak, wat mij betreft. Afsluiten van internet is een volstrekt onaanvaardbare sanctie, zeker voor iets als auteursrechteninbreuk. Internettoegang is fundamenteel voor de westerse maatschappij, zo bepaalde de Raad van Europa enige tijd geleden.

Gelukkig lijken we in Nederland verstandiger. Hoewel? De laatste zin van Van Heemskerk over dit onderwerp zegt: ” In het bijzonder zal duidelijk moeten worden in welke gevallen men wel en in welke gevallen men geen rechterlijke tussenkomst wil voorschrijven.” In alle respectievelijk geen, zou ik zeggen.

Het heeft me overigens altijd verbaasd dat de Fransen iets wilden invoeren dat zo’n overduidelijk Anglicisme is.

Arnoud

Haal hyperlinks weg met het misbaksel dat ex parte beschikking heet

geenstijl-ex-parte.pngIk begin een steeds grotere hekel aan het misbaksel van de “ex parte beschikking” te krijgen. Het Algemeen Dagblad wist met deze bijzondere maatregelen shockblog GeenStijl te dwingen om een screenshot van enkele cijfers en een hyperlink naar een kopie van de jaarlijkse Misdaadmeter van de krant weg te halen. Deze waren te vroeg al online in te zien – het AD had ze pas vandaag willen publiceren maar deed iets doms waardoor anderen er al bij konden.

Normaal zet GS alles online waarmee men bedreigd of lastiggevallen wordt, maar net deze beschikking blijft offline. Jammer, want zo blijft het voor iedereen speculeren wat nu precies de achtergrond was. Maar gezien de inhoud van die Misdaadmeter moet het wel het databankenrecht zijn, nog zo’n gewéldig geslaagd juridisch instrument. Een beschermde databank geheel of gedeeltelijk overnemen mag niet zomaar. Maar wat heeft GeenStijl nu eigenlijk gedaan? Een screenshot gemaakt en een link naar een bron elders neergezet.

Bij Webwereld citeert men Solv-advocaat Menno Weij over het screenshot met

Dat is een klinkklare inbreuk van het databankenrecht. Of je het nou overtypt of er een foto van maakt, in beide gevallen hang je, want je maakt inbreuk op andermans database.

Ook Menno’s collega Douwe Linders ziet weinig kans voor GeenStijl, zelfs als ze deze beschikking aan zouden vechten. Solv is overigens het kantoor dat destijds hetzelfde middel inzette tegen 925.nl, en het verbaast me hogelijk dat Webwereld dat niet meldt.

Daar denk ik toch echt anders over. Het gaat hier om een zeer beperkt gedeelte van de databank, en dat mag gewoon. Pas wanneer je dit “herhaald en systematisch” doet, en je ook nog eens “ongerechtvaardigde schade toebrengt aan de rechtmatige belangen” van de producent, ligt dat anders. Eénmalige publicatie van een screenshot is herhaald noch systematisch.

Ok, het AD heeft er schade door (want ze is haar primeur kwijt) maar is dat ongerechtvaardigd? Nee. Het AD zat zelf fout door haar systemen niet goed af te stellen. En bovendien kan GeenStijl zich als persmedium beroepen op artikel 10 EVRM (informatievrijheid/vrije meningsuiting) op grond waarvan ze mag citeren uit bronnen in het kader van verslaggeving over actuele zaken. Dat is dan de rechtvaardiging waar de Databankenwet het over heeft.

En dan die link. Linken is geen openbaarmaking in het kader van het auteursrecht, en dus ook geen herpublicatie van de databank in de zin van de databankenwet. Zou het AD werkelijk hebben betoogd van wel? Sjonge, hoe kun je dat opschrijven als advocaat. (Iets waar Weij het bij Webwereld gelukkig met me eens lijkt te zijn.)

Daarnaast lijkt het me zeer sterk dat er überhaupt een databankrecht op deze Misdaadmeter zit. Deze is immers afgeleid uit openbare bronnen. Ik geloof er niets van dat het AD kan aantonen dat ze de vereiste substantiële investering hebben gedaan om het databankrecht te kunnen claimen.

Alles bij elkaar een zeer slechte zaak voor de persvrijheid. Ik hoop dat GS een advocaat inhuurt die een schadevergoeding weet los te peuteren van het AD voor deze evident onrechtmatige beschikking.

Arnoud<br/> (Op de foto de gewraakte ex parte beschikking, ziet u ook eens hoe zo’n ding eruit ziet; bron GeenStijl)