Ik wil niet op uw nieuwsbrief!

Een lezer vroeg me:

Regelmatig heb ik wel eens mail-contact met bedrijven (vaak MKB-bedrijven). Nu merk ik dat het de laatste tijd steeds vaker voorkomt dat ik meteen nadat ik mailcontact heb gehad, op hun nieuwsbrief geabonneerd bent. Mag dat eigenlijk wel?

Hoofdregel bij commerciële mail is dat je toestemming nodig hebt van de ontvanger voordat je deze mag sturen. De Telecommunicatiewet is streng en biedt maar weinig uitzonderingen op deze regel. Er zijn er grofweg twee:

  1. Contactgegevens die een bedrijf zelf publiceert voor dat doel.
  2. Contactgegevens die zijn verkregen in het kader van de verkoop van een product of dienst.

Bij de eerste uitzondering (die niet geldt voor contactgegevens van consumenten) moet je denken aan e-mailadressen als acquisitie@bedrijfsnaam.example, persberichten@nieuwssite.example of opensollicitaties@bedrijfsnaam.example. Bij zulke adressen is het duidelijk wat daarheen mag, en daar is dus geen nadere opt-in voor nodig.

De nieuwsbrief van de vraagsteller valt daar niet onder, al was het maar omdat een mailtje sturen naar een bedrijf niet is voor het doel “op iemands nieuwsbrief komen”. Bovendien overkomt dit ook vaak particulieren, en die uitzondering geldt daar dus niet voor.

De tweede uitzondering zegt kortweg dat je je klanten mag spammen met reclame, mits je ze maar bij elke mail een opt-out biedt. Dat begrip ‘klant’ wordt hier dus opgerekt tot “iemand die ons mailde”. Dat gaat me nogal ver. De wet spreekt duidelijk van “in het kader van de verkoop”. Ik kan me nog vinden in een interpretatie dat toeleveranciers (die aan het bedrijf verkopen) zomaar gespamd mogen worden, maar zomaar iemand die een vraag mailde? Nee.

Je zou natuurlijk nog kunnen zeggen dat nieuwsbrieven geen “commerciële” mail zijn maar informatieve. In theorie kan dat, maar de nieuwsbrieven van de meeste bedrijven zijn niet meer dan verkapte reclamefolders.

Arnoud

Moet een contract altijd worden ondertekend? (2)

In mijn blogpost van gisteren sloot ik af met:

Heb je een afspraak dat een contract getekend moet worden, of loopt je wederpartij weg voordat je alle punten hebt geregeld, dan is er dus geen rechtsgeldige overeenkomst.

Een contract sluiten is vormvrij, zoals dat juridisch heet. Je kunt dus prima afspreken dat het contract pas geldig is als beide partijen hun handtekening hebben gezet. Weigert een partij dat, dan is hij niet gebonden aan het contract. Dat kan een flinke strop zijn: je hebt maanden onderhandeld, flink geïnvesteerd misschien al, alles lijkt in kannen en kruiken en dan krijg je ineens geen handtekening.

Dit probleem staat juridisch bekend als het probleem van de afgebroken onderhandelingen of ook wel van de precontractuele verhoudingen. Mag je onderhandelingen afbreken, en zo ja welke consequenties staan daarop?

In haar CBB/JPO arrest van 19952005 oordeelde de Hoge Raad dat je in principe zomaar onderhandelingen mag afbreken,

tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd verlangen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.

Belangrijk daarbij is of je het vertrouwen hebt gewekt dat je door zou gaan. Een veel gezien gebruik bij grote bedrijven is dat bij elke onderhandelingsslag “Subject to management approval” bovenaan elk document gezet wordt. Je moet dan weten als wederpartij dat het management zomaar “nee” kan zeggen. Heel veel vertrouwen mag je dan niet hebben.

Omgekeerd, als je een intentieverklaring opstelt waarin je zegt “Wij gaan een overeenkomst sluiten” (of woorden van gelijke strekking), dan zit je vast aan de verplichting een contract te sluiten.

Dit arrest wijkt trouwens af van de oudere regel uit het Plas/Valburg-arrest, dat nog expliciet drie fases (fasen?) onderscheidde:

  1. Afbreken mag, zonder recht op schadevergoeding voor de wederpartij.
  2. Afbreken mag, maar de wederpartij heeft wel recht op schadevergoeding
  3. Afbreken mag niet meer, je moet terug naar de onderhandelingstafel en tot een contract komen (plus schadevergoeding)

Het lijkt erop dat de tweede regels niet meer bestaat, maar helemaal duidelijk is dat niet.

In ieder geval lijkt het mij van wezenlijk belang dat je vooraf duidelijk maakt hoe je de onderhandelingen ziet, onder welke voorwaarden je weg wilt kunnen lopen en wanneer jij je gebonden acht aan de overeenkomst.

Arnoud

Moet een contract altijd worden ondertekend? (1)

Een lezer vroeg me:

Per e-mail heb ik met een ander bedrijf uitgebreide correspondentie gevoerd over een koopcontract. Uiteindelijk waren we eruit (dacht ik), dus ik vroeg hem het contract uit te printen en te ondertekenen zodat het juridisch bindend zou worden. Toen hoorde ik ineens niets meer. Pas na veel nabellen kwam het hoge woord eruit: hij vond het toch maar niets en had dus besloten dat hij niet ging tekenen. Is hij nu werkelijk niet gebonden aan het contract?

Het is een misverstand dat je een contract moet ondertekenen om een rechtsgeldige overeenkomst te hebben. Zodra je overeenstemming hebt over de inhoud, heb je een contract. Of dat nu op papier staat, is niet belangrijk. Tenzij je natuurlijk in het onderhandeltraject afspreekt dat het contract op papier zal moeten en ondertekend moet worden voordat je jezelf eraan gebonden acht. Als je onderling zulke extra regeltjes wilt stellen, dan mag dat.

In een recente zaak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba ging het over precies dit punt. Er was per e-mail gesproken over de koop (van een huisje) en er was een bod gedaan dat zonder enig voorbehoud was aangenomen. Het argument dat er eerst een koopcontract had moeten worden getekend, wordt van tafel geveegd:

Nu uit niets blijkt dat partijen hebben afgesproken dat de koopovereenkomst pas perfect zou zijn na ondertekening daarvan, is het feit dat er kennelijk geen voorlopige koopakte is opgestuurd en/of niet ondertekend geretourneerd, van geen belang…. De volledige emailwisseling tussen [koper] en [verkoper] bevat verder voldoende duidelijkheid over alle essentialia van een koopovereenkomst.

Dit lijkt me ook naar Nederlands recht volkomen juist. Zodra vaststaat wat je allebei wilt afspreken, zit je eraan vast. Of het nu getekend is of niet. Wil je pas na het tekenmoment gebonden zijn, dan moet je afspreken dat je het zo gaat doen.

Heb je zo’n afspraak, of loopt je wederpartij weg voordat je alle punten hebt geregeld, dan is er dus geen rechtsgeldige overeenkomst. Of dat weglopen of weigeren te tekenen mag, is een vraag die ik mijn blogpost van morgen beantwoord.

Arnoud

“Mag ik even een bevestiging van onze overeenkomst”

Weer een bedrijvenregister dat het deksel op de neus krijgt bij de rechter. VKM, exploitant van www.bedrijven2day.nl, had telefonisch contact gezocht met ene meneer Q en gemeld “Ik wil nog even een geluidsopname maken van uw opdracht tot vermelding van uw bedrijfgegevens op onze website”. De kantonrechter Groningen noemt deze vorm van acquisitie een “overval” en wijst de vorderingen af omdat VKM uitdrukkelijk de verplichtingen had moeten melden en de gebelde persoon een uitdrukkelijk akkoord had moeten vragen.

In april fileerde de kantonrechter Assen ook al de praktijken van een bedrijf dat mensen benaderde met de mededeling “opname van uw opdracht”, terwijl de gebelde persoon nog helemaal geen opdracht had gegeven. En dat gaat ook hier op:

Op geen enkele wijze, althans niet uit het overgelegde transcript, blijkt echter dat Q. tevoren al een opdracht heeft verstrekt. Nu daarvan niet gebleken is die mededeling dan ook onjuist.

Dat lijkt me een terechte conclusie. Wie meldt dat er al een contract zou zijn gesloten, moet daar enige hint of bewijs van geven. En bovendien is het dan nergens voor nodig om nog na te bellen. Het contract is gesloten of niet, en zo’n belletje verandert daar dan niets aan lijkt me. Als je bedoelt “we hebben een mondelinge overeenkomst met u die we graag nog even telefonisch bevestigen” dan had je dat maar wat duidelijker moeten zeggen. Beter gezegd heel wat duidelijker:

Met een dergelijke opzet van het gesprek wordt een mogelijke klant overvallen zonder dat voldoende duidelijk is met welke commerciële bedoelingen hij wordt benaderd. Tevens wordt gesuggereerd dat een opdracht is verstrekt terwijl het hier hooguit gaat om een aanbod een overeenkomst aan te gaan. Waar het gaat om de inhoud van het aanbod wordt slechts een bijna terloopse mededeling gedaan over de periode en betalingsverplichting van die klant. VKM had dit dan nadrukkelijk als aanbod aan Q. dienen voor te leggen met een uitdrukkelijke vermelding van de verplichtingen en hem een uitdrukkelijk akkoord daarop moeten vragen.

Nu VKM dat allemaal niet gedaan heeft, en ook niet heeft gekozen voor een brief ter bevestiging achteraf, moet zij het risico dragen dat mensen zich misleid voelen. Er is dus geen overeenkomst en VKM mag de proceskosten van Q vergoeden. Vijftig euro, want hij had er geen hele dag vrij voor hoeven nemen (eh, wat?).

Update (1 augustus) in ander vonnis ook geen overeenkomst met VKM want “gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van een eerdere opdracht” waar het telefoongesprek op voortbouwt. Ook “het feit dat de stem op de geluidsopname onmiskenbaar een mannenstem is en [gedaagde] een vrouw is” (ahem) weegt mee. Vrijwel hetzelfde in dit vonnis maar dan zonder de mannenstem.

Arnoud

Mijn kind wordt in de klas gefilmd, mag dat?

Een lezer vroeg me:

Op de basisschool van mijn kind wil men voor de jongste groepen permanent enkele camera’s in de klas hangen. Ouders krijgen dan een wachtwoord waarmee ze op elk moment van de dag kunnen inloggen en zien hoe hun kind het doet in de klas. Maar ik wil dit eigenlijk niet, hoe kan ik hier bezwaar tegen maken?

Bij cameratoezicht op het werk geldt de regel dat de ondernemingsraad instemming moet geven. Cameratoezicht valt namelijk onder de Wet Bescherming Persoonsgegevens, en op grond van de Wet op de Ondernemingsraad heeft de OR daar instemmingsrecht voor.

Een sterk vergelijkbare regeling staat er in de Wet medezeggenschap op scholen, artikel 13 sub i:

Het bevoegd gezag van een school … behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot … vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders en leerlingen;

Wil een school dus cameratoezicht in de klas invoeren, dan moet ze dat in zo’n regeling (reglement) opnemen en vervolgens de medezeggenschapsraad / ouderraad daarover laten stemmen. Ik vraag me af of er veel scholen zijn die dit een goed idee vinden. Je kinderen in de gaten houden op school lijkt me zowel voor het kind als voor de docent nogal een belasting. Elk foutje dat je maakt, wordt meteen vastgelegd en kan op de ouderavond aan de orde komen.

Een andere aspect is dat zo’n livestream wel goed beveiligd moet worden. Die beelden gaan over internet en zijn alleen bestemd voor ouders. Gewoon een webpagina met een wachtwoord lijkt me zwaar onvoldoende. Op zijn minst zou de videostream zelf beschermd moeten zijn met encryptie, alleen zit je dan weer met het probleem dat veel ouders de benodigde software niet aan de gang zullen kunnen krijgen.

Trouwens, ik krijg dit soort vragen ook wel over kinderdagverblijven. Deze wet geldt alleen niet voor kdv’s, hoewel ze wel vaak ouderraden hebben. Weet iemand of dat gebaseerd is op een wettelijke regel, of zou dat gewoon vrijwillig ingesteld worden?

Arnoud

Tele2′s bedrijfsbeleid versus de wettelijke informatieplichten

tele2-gold-contract-afstand-informatieplicht.png“Sorry, dat is niet ons beleid”. Krijgt u ook al jeuk bij deze zin? De Eindhovense kantonrechter kennelijk wel, want vanwege dat argument kon een consument van zijn televisiecontract met Tele2 af. Het telecombedrijf had namelijk niet de verplichte informatie over opzeggen van op afstand gesloten contracten meegestuurd. Volgens de wet heb je in dat geval maximaal drie maanden om op te zeggen, maar die grens vond de kantonrechter onredelijk omdat Tele2 structureel niet aan die informatieplichten voldeed.

Tele2 had de rechtszaak aangespannen omdat een consument-klant de rekeningen voor geleverde digitale televisie niet had voldaan. De klant verweerde zich echter met het argument dat hij nooit had gekregen wat hij had besteld. Hij had namelijk bij het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk gevraagd om een tweede decoder, omdat zijn zoon rolstoelgebonden was en graag op zijn kamer digitale televisie wilde kunnen kijken.

Alleen: het bleek technisch niet mogelijk om twee decoders op één abonnement te hangen (meelezende tweakers: welk alternatief is er wel voor vader en zoon?). Tele2 leverde dus gewoon één decoder, en stelde verder dat ze niet wist van een bestelling met twee decoders. Vervolgens eiste ze natuurlijk de abonnementskosten op.

Maar hoe had vader dat moeten weten, overweegt de rechter: er was geen bevestigingsbrief gestuurd waarin stond dat er één decoder geleverd was en dat Tele2 daarmee meende aan de overeenkomst te hebben voldaan. En die bevestigingsbrief is nu juist bedoeld om de consument voor te lichten over wat er afgesproken is – en hoe hij daar weer vanaf kan als hem dat niet bevalt. Dat blijkt uit het Martin Martin-arrest (C-227/08) van het Europese Hof.

Op grond van dit arrest is de rechter streng voor Tele2. Het bedrijfsbeleid om nooit een bevestigingsbrief te sturen doorkruist de bedoeling van de Europese wetgever, en dat kan echt niet door de beugel. Daarom mag de consument-klant toch gewoon (én kosteloos) van de overeenkomst af, zelfs nu er meer dan drie maanden verstreken zijn tussen bestellen en opzeggen. De wet (art. 7:46d lid 2 BW) zegt weliswaar dat als het bedrijf de informatieplicht schendt, de consument geen zeven werkdagen maar drie maanden krijgt om op te zeggen, maar in dit geval is een langere termijn redelijk.

Zo ook trouwens de Zwolse kantonrechter in een andere zaak.

Mooie vonnissen, maar ik slaak toch een cynische zucht: zou Tele2 nu haar beleid gaan aanpassen? Ik betwijfel het. Acceptgiro’s kosten ook nog steeds geld, en de kleine lettertjes van Canal+ vereisen nog steeds een vergrootglas.

Arnoud

Het risico bij retourneren

Een lezer vroeg me:

Is het risico van het retourzenden van een zaak voor rekening van de koper of verkoper? Een vriend van me had een bestelling geretourneerd op grond van de Wet Koop op Afstand, maar het pakketje is waarschijnlijk in de post kwijtgeraakt. De winkel eist nu schadevergoeding. Klopt dat?

Bij een retour is de verzender in principe verantwoordelijk. Als de zending kwijtraakt, dan heeft de verzender dus een probleem. Bij retourzenden kun je dus maar beter aangetekend versturen. (Bij het gewone verzenden zegt de wet – art 7:11 BW – expliciet dat het risico bij de verkoper ligt, maar dat artikel geldt niet voor de retourzending.)

Als bewezen kan worden dat het vervoersbedrijf het pakket heeft kwijtgeraakt, dan is dat wellicht een argument om het risico te verleggen of om van overmacht te spreken. Maar in principe zou ik zeggen dat dat alleen gaat als het aangetekend verstuurd was en toch kwijt.

Als het product nu kwijt is, dan moet de koper inderdaad schadevergoeding aan de verkoper betalen. Ik zou verwachten dat dat normaliter neerkomt op het vergoeden van de prijs. En dan is de oplossing simpel: de verkoper mag het geld houden dat de koper eerder had betaald en daarmee is de kous af. Als er niet vooruit betaald is, dan zal de koper nu alsnog moeten betalen.

Arnoud

Mag de ledenlijst van onze vereniging online?

Een lezer vroeg me:

Onze vereniging publiceert elk jaar voor de leden een handig boekje met zaken als de statuten, het huishoudelijk reglement, besluiten uit het afgelopen jaar en handige tips voor de leden. Ook zetten we hier altijd een lijst met contactgegevens van alle leden in. Dit doen we al jaren, maar het aantal leden groeit gestaag dus nu is voorgesteld om dit boekje voortaan via de website te verspreiden. Maar hebben we dan geen privacyprobleem?

Ja, dan heb je een privacyprobleem. Het publiceren via internet van namen, adressen en dergelijke contactgegevens van je leden kan echt alleen met een expliciete toestemming van de leden. En die moet vooraf worden gevraagd.

Je zou voor nieuwe leden die toestemming in het inschrijvingsformulier kunnen vragen, maar je bestaande leden zul je toch apart om deze toestemming moeten vragen.

Verder vraag ik me af of het echt wel nodig is om deze informatie zo online te zetten. De kans op misbruik van zulke gegevens is aanwezig, en ik zie weinig redenen waarom de hele wereld moet weten wat het telefoonnummer van verenigingslid X is. Je zou volgens mij kunnen volstaan met de gegevens op een wachtwoordbeveiligd deel van de site te zetten, waarbij alleen leden het wachtwoord weten.

Of je dan kunt volstaan met één wachtwoord of dat elk lid zijn eigen wachtwoord moet hebben, is een andere vraag. Bij een kleine vereniging is één wachtwoord nog wel beheersbaar (“volgend jaar is ons wachtwoord ‘zebrapad’ “) maar met enkele honderden leden lijkt me een wachtwoord per lid wel echt verplicht.

Arnoud

Wanneer wordt wanprestatie oplichting?

Een lezer vroeg me:

Een tijd geleden kocht ik via Marktplaats een telefoon. Ik had vanaf het begin al twijfels, gezien de advertentie en de status van de verkoper, maar ik wilde de gok toch wagen want de prijs was wel erg mooi. Maar je raadt het al: na betaling hoorde ik niets meer. Eerst nog wat smoezen over ziekte en familieproblemen, maar zelfs dat krijg ik nu niet meer. Ik ben naar de politie geweest, en die zeggen dat dit een civiele zaak is (wanprestatie). Maar hoe lang moet ik nu wachten voordat ik wél aangifte van oplichitng kan doen?

Van oplichting (art. 326 Strafrecht) is sprake als je met slinkse trucs iemand anders geld, producten of iets dergelijks probeert af te troggelen. Het gaat dus niet zozeer om de tijd waarin je aan het lijntje wordt gehouden, maar om de intentie van de verkoper. Die moet de bedoeling hebben gehad om jou je geld afhandig te maken en daarvoor geen product te willen sturen.

Nu is dit lastig te bewijzen. Een lange tijdsduur en verbroken contact kan een aanwijzing zijn, want normale verkopers doen dat zelden en oplichters doen dat vaak. Maar doorslaggevend is het niet, het is denkbaar dat ook een welwillende verkoper ineens van de aardbodem verdwijnt. Dat maakt hem nog geen oplichter, in juridische zin. Update (8 mei 2012) de Hoge Raad bepaalde eerder:

dat het enkele aangaan van een overeenkomst en het vervolgens in gebreke blijven op zichzelf – ook indien degene die de overeenkomst is aangegaan al voorzag niet aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen – niet het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Niet leveren is dus geen oplichting, óók niet als je bij het sluiten van de koop wist dat je nooit zult kunnen gaan leveren. Je moet iets listigs of valsigs doen, bijvoorbeeld vals bewijs dat het product verzonden is aanleveren zodat de klant niet meer weet waar het te zoeken.

Wel heeft hij ondertussen al het geld ontvangen, dat hij nu onder zich houdt en niet wil teruggeven. Je zou kunnen zeggen dat hij dat verduisterd heeft (art. 321 Strafrecht), immers hij verkreeg het legaal maar behoudt het nu wederrechtelijk. Maar ik twijfel of dat opgaat. Als hij namelijk nog steeds meent te kunnen leveren, dan is hij gerechtigd het geld te houden. Pas als de koper hem in gebreke stelt en de koop ontbindt, moet het geld terug. En dan nog: niet terugbetalen van geld na zo’n ontbinding is wederom een contractueel probleem en niet automatisch een strafbaar feit.

De enige echte manier om oplichting aan te tonen, is te laten zien dat er sprake is van een patroon. Eén gedupeerde is waarschijnlijk nog een civiele zaak, tien of honderd gedupeerden geven een vermoeden dat iemand dat met opzet doet. Of dat hij failliet aan het gaan is natuurlijk.

Update (22 januari 2013) zie ook dit arrest met goede samenvatting van de jurisprudentie en een flink aantal voorbeelden van wel en niet bewezen oplichting.

Arnoud

De doorslaggevende algemene voorwaarden

motorfiets-harley-davidson-flh-1340-ebay-verkopen.jpgAls je een motorfiets via internet bij opbod te koop aanbiedt, zit je dan automatisch aan de laatste bieder vast, vroeg NJBlog zich af. Het ging hier om een zaak waarbij een Harley-Davidsonmotorfiets te koop stond op eBay, met een hoogste bod van 3.250 euro. De verkoper bleek echter nadien de motorfiets buiten eBay om verkocht te hebben. Hij meende het bod te mogen negeren omdat het onder zijn (vergeten) minimumprijs van 7.000 euro was en bovendien onrealistisch laag voor een motor van dit type.

In zijn vonnis bepaalt de kantonrechter Zwolle echter dat er toch een rechtsgeldige koop tot stand is gekomen. De verkoper had dan misschien een lagerehogere prijs bedoeld, maar de kopende partij wordt beschermd vanwege het gerechtvaardigd vertrouwen dat gewekt is. En daarbij spelen de specifieke omstandigheden van de veilingsite een rol:

[gedaagde partij] heeft de motor op een veilingsite aangeboden en het (ook [gedaagde partij] bekende) uitgangspunt van een veiling is nu eenmaal dat de hoogste bieder tevens de koper is. [eisende partij] was de 21ste bieder en on-weersproken is gebleven dat [eisende partij] het bod heeft uitgebracht tegen het einde van de 10-dagenperiode gedurende welke de veiling liep. Eerdere biedingen lager uiteraard nog lager en desondanks heeft [gedaagde partij] het recht en de mogelijkheid de veiling voortijdig te beëindigen, niet benut.

Nog belangrijker, de algemene voorwaarden van de veilingsite spelen een belangrijke rol. Daar staat onder andere in dat je het recht hebt je aanbod in te trekken indien sprake is van een vergissing, waar de verkoper geen gebruik van heeft gemaakt. Bovendien staat elders in die voorwaarden dat je ook als verkoper niet zomaar onder een hoogste bod uitkomt. En hoewel die voorwaarden in principe uitsluitend gelden tussen verkoper en ebay zelf, past de rechter ze ook toe op de relatie tussen koper en verkoper direct.

In de comments bij NJBlog wordt nog verwezen naar het OTTO-arrest uit 2008, waarbij een LCD-televisie niet voor 99 euro verkocht was omdat die prijs onrealistisch laag was. Maar dat gaat hier niet op: de prijs van een geveild product kan gemakkelijk veel lager zijn dan een redelijke winkelprijs voor een nieuw product.

Arnoud<br/> (foto: Motoprofi.com)