Je bent aansprakelijk voor je affiliates

Het inschakelen van affiliates ontslaat je niet van je eigen verantwoordelijkheid voor naleving van de wet. Dat blijkt uit een vonnis van eind februari in een beroepszaak tussen de Consumentenautoriteit en een postorderbedrijf. Aan de site waar proefpakketten konden worden aangevraagd (met inderdaad een stilzwijgend abonnement) mankeerde het een en ander. Het bedrijf stelde echter dat zij niet direct zaken deed met consumenten maar dat haar affiliates dat deden, zodat die ervoor verantwoordelijk zijn dat alles juridisch klopte. De Consumentenautoriteit vond dat onzin, en de rechter geeft haar nu gelijk.

Het bedrijf bood een breed scala aan producten aan, van afslankproducten tot tandverzorging tot erotische producten (geen grappen over vibrerende tandenborstels graag). Allerlei banners daarvoor werden aan de markt gebracht via affiliates zoals Net Direct, Ad Pepper en De Heus. Achter de banner zat een landingpagina met een aanbieding voor een gratis proefverpakking, proefpakket of welkomstpakket dat meteen besteld kon worden. De informatie van het bedrijf daarachter was nogal karig: veel meer dan een handelsnaam en/of een KVK-nummer was er niet te vinden (duidelijk onze factsheet niet gelezen).

De wet eist echter dat je “gemakkelijk, rechtstreeks en permanent” je vestigingsadres en contactgegevens vermeldt bij zo’n webpagina. Het argument van het bedrijf dat je dit bij de Kamer van Koophandel kon opvragen, ging dus niet op. Die gegevens moeten echt op de landingpagina zelf staan, omdat daar het bestelformulier staat.

Ook ontbraken de verplichte contactgegevens. Vaak werd niet eens een e-mailadres genoemd, terwijl dat letterlijk in de wet (art. 3:15d BW) staat als verplichte informatie. Ook een telefoon- of faxnummer ontbrak. Opmerkelijk genoeg oordeelt de rechtbank dat dat niet hoeft als je een postadres neerzet, omdat “ook via de post kan immers een snelle, rechtstreekse en effectieve communicatie tot stand gebracht [kan] worden.” Dit lijkt me onjuist: het Europese Hof oordeelde in 2008 dat de bedoeling van dat lid over “snelle, rechtstreekse en effectieve communicatie” niet per se een telefoonnummer vereist maar wel iets dat min of meer hetzelfde bereikt als e-mail of telefoon. Ik zie werkelijk niet hoe een postadres daaraan voldoet.

Daarnaast waren de voorwaarden niet duidelijk gemeld: de tekst “Als u nu reageert kunt u als beloning uw eerste verpakking Pet’s Energy t.w.v. ” 45,–, GRATIS* krijgen” maakt niet duidelijk dat je hiermee een abonnement afsluit. (Het sterretje stond voor “U betaalt slechts ” 4,95 administratie- en verzendkosten”). Ook de elders genoemde zin “Na ontvangst van de eerste zending beslis ik of ikklant blijf. Zo niet, dan laat ik hetweten.” was daarvoor niet genoeg. Door deze onduidelijke en onvolledige informatie is er geen abonnement tot stand gekomen, maar alleen een overeenkomst om gratis (plus 4,95) een proefpakket te krijgen. De rechter oordeelt dan ook dat de vervolgzendingen in het geheel niet besteld zijn en dat de consument ze daarom gratis mag houden (art. 7:7 lid 2 BW).

En voor dit alles is en blijft het bedrijf zelf aansprakelijk. De Wet Handhaving Consumentenbescherming vermeldt in artikel 8.2 dat

Indien commerciële communicatie … deel uitmaakt van een dienst van de informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormt, zorgt degene in wiens opdracht de commerciële communicatie geschiedt, dat artikel 15e, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in acht wordt genomen.

en dat is dus de opdrachtgever en niet de affiliate. Ik zou zeggen: zo hoort het ook. Je kunt contractueel met zo’n affiliate regelen dat zij zich aan de juiste wet- en regelgeving houden, maar uiteindelijk doet de consument zaken met jou en niet met je affiliates.

Arnoud

Discussiemiddag: Is een persbericht eigenlijk spam?

pers-middag.pngGisteren was ik bij een door De Perslijst georganiseerde discussie tussen de OPTA, journalistiek en advocatuur over het zakelijke spamverbod en wat dat betekent voor de pers. Met vertegenwoordigers van de OPTA, Logeion (de beroepsvereniging voor communicatie), de hoofdredacteur van journalistenvakblad Villamedia en telecomadvocaat Gerrit-Jan Zwenne beloofde dat wat.

Vorig jaar oktober is het spamverbod uitgebreid: ook ongevraagde commerciële, charitatieve of ideële mail naar zakelijke ontvangers was verboden. Dat gaf aardig wat paniek in de tent, maar nog steeds is er veel onduidelijkheid. Mag je bijvoorbeeld persberichten rondsturen naar iedereen die eruit ziet als een journalist? Of is dat ook spam? Hangt het er vanaf of het persbericht echt nieuws is of alleen maar een commercieel verhaal? En is “Mercedes lanceert nieuw model S300” dan echt nieuws?

Het panel opende met de mooie constatering dat “wat mag er nu” een simpele vraag is met een heel wat moeilijker antwoord. De veelgestelde vragen op de site van de OPTA vermelden bijvoorbeeld “Het is mogelijk dat een persbericht onder het spamverbod valt.” Wat moet je daarmee als ondernemer? Betekent dit “het kan, in theorie” of “dit is 99% zeker”? De OPTA kan dan wel geruststellend zeggen dat men niet handhavend optreedt tenzij er schade en overlast van komt, maar dat is natuurlijk geen juridische zekerheid.

En dat was waar de zaal toch naar op zoek was. De consensus leek te zijn: moeten we nu werkelijk zo moeilijk doen over persberichten in de spamwet, want welke journalist gaat dit als spam zien? Journalisten hebben meningen van belanghebbenden nodig en moeten dus veel mail krijgen met persberichten. Communicatiebureaus zullen echt niet zomaar iedereen hun persbericht sturen, want iemand een persbericht opdringen werkt alleen maar contraproductief. En mocht een journalist toch eens van werkgebied veranderen, dan kan hij via de contactgegevens bij het persbericht zich afmelden. Journalisten klikken liever drie keer iets weg dan de kans te lopen nieuws te missen.

De OPTA ziet het toch anders: wat nu als een politieke partij of Goed Doel besluit elk Nederlands bedrijf een mail te sturen omdat er NU actie voor Haïti nodig is. Daarop werd gereageerd met verwijzing naar een radiospotje van Wakker Dier, dat in het spotje mensen oproept om zich op de nieuwsbrief te abonneren. Een extreme vorm van opt-in. De zaal keurt af dat dit nodig is, maar ik zie werkelijk niet waarom. Het alternatief is dat iedere ontvanger zich maar moet gaan afmelden en dat lijkt mij ook niet werkbaar.

Dan komen we op de Hyveskrabbelzaak, waarin een berichtje op een socialenetwerkpagina ook als spam gezien werd. (Er is bezwaar gemaakt tegen de boete, dus misschien krijgen we nog wel een beroep bij de rechtbank ook.) Zwenne had zich goed ingelezen en vroeg zich af waarom Google-advertenties dan niet onder het spamverbod zouden vallen. De reactie van OPTA was opmerkelijk: inderdaad, behavioral targeting verdient aandacht en daar gaan we volgend jaar samen met Consumentenautoriteit en CBP naar kijken.

Er werden nog diverse pogingen gedaan om het met definities op te lossen. Als we bijvoorbeeld kunnen vastleggen wat ‘journalistiek’ is, dan kunnen we zeggen dat je journalisten mag spammen met persberichten. Of we definiëren “persbericht” en zeggen dat die altijd mogen. Maar het nadeel van die route is dat er dan direct misbruik gemaakt gaat worden van de definitie. Want dan heten morgen alle Viagramails ineens “PERSBERICHT”.

Als uitsmijter nog een doordenkertje: als je een dienstverlener bent die als dienst het aanleveren van nieuws en commerciële berichten heeft, moet je dan per mailing toch opt-out hebben?

Arnoud

Snuffelen in mailboxen: het mag

Het is één van de meest gestelde vragen die ik krijg: mag mijn baas snuffelen in mijn mailbox? Hoofdregel is dat dat niet zomaar mag, tenzij er een zeer zwaarwegende reden is om het wel te doen. En zo’n reden leek er te zijn in de zaak uit dit arrest van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in (o.a.) ambtenarenzaken. In deze zaak was een ambtenaar ontslagen, en de inhoud van haar mailbox stond daarbij centraal.

Het bestuur van de KVK Midden Nederland had een anonieme brief ontvangen in een interne envelop, waar de nodige zwartmakerij en ander moddergooien in stond. Daar werd een recherchebureau op gezet (waarom is dat altijd Hoffman). Dat had het originele idee om de mailboxen van medewerkers te doorzoeken om na te gaan van welke computer die brief afkomstig was. Inderdaad, mailboxen doorzoeken om de oorsprong van een papieren brief na te gaan.

Niet zo gek als het lijkt, want de brief bevatte een aantal zeer specifieke termen, en die werden ook teruggevonden in een aantal e-mails van de betrokken ambtenaar. De anonieme brief zelf werd niet aangetroffen, maar uit de mails en de rest van het onderzoek bleek dat zij “uiterst denigrerende uitlatingen had gedaan over collega’s, leidinggevenden en de organisatie, alsmede … frequent het internet voor privédoeleinden raadpleegde.” Op grond van deze bevindingen werd zij uiteindelijk ontslagen.

Bij het beroep tegen haar ontslag voerde de ambtenaar aan dat de KVK niet zomaar haar mailboxen mocht doorzoeken. De Raad verwerpt dit beroep:

Het bestuur had voldoende grond om één van zijn mede-werkers te verdenken van het schrijven van de anonieme brief en heeft in redelijkheid kunnen besluiten hiernaar een onderzoek in te stellen. De wijze waarop dit onderzoek heeft plaatsgevonden acht de Raad niet disproportioneel, nu dit werd uitgevoerd door een extern bureau en zich in eerste instantie uitstrekte tot het anoniem doorzoeken van alle e-mailboxen op de aanwezigheid van (twee) zoektermen, ontleend aan de inhoud van de anonieme brief.

Het bestuur had daarmee een gerechtvaardigd belang had om de e-mailbox van de betrokkene in te zien. En op grond van dat belang mocht zij optreden tegen de in die mails gedane uitlatingen. Dat de mails niet direct met de anonieme brief te maken hadden, was daarbij niet relevant:

Dat daarbij ook berichten zijn aangetroffen, die niet onmiddellijk zijn te herleiden tot de aan Hoffmann gegeven onderzoeksopdracht, betekent niet dat het bestuur die berichten niet ook bij zijn oordeelsvorming mocht betrekken.

Echter, het Hof vindt de sanctie van ontslag uiteindelijk te zwaar. De mails waren niet aan de hele afdeling gericht, maar alleen aan een beperkt aantal (oud-)collega’s. Ook op andere wijze had zij niet de sfeer op de afdeling negatief beïnvloed. En daarnaast zat zij al in een ‘verbetertraject’ vanwege haar eerder functioneren. Om daar nu ineens vanaf te wijken en tot ontslag over te gaan, was voor het Hof niet gepast.

Ik vind het wel een beetje merkwaardig hoe men van een brief naar mailboxen naar ontslag vanwege roddelmails naar ex-collega’s gaat, maar eerlijk gezegd zie ik niet waarom dit niet zou moeten kunnen.

Arnoud

Is een afgesloten Hyve nu wel of niet openbaar?

Kun je op een afgesloten Hyvespagina smaad plegen, oftewel “ruchtbaarheid geven aan een bepaald feit”? Vorig jaar november bepaalde het Hof Leeuwarden van wel, maar een maandje eerder vond het Hof ‘s-Hertogenbosch juist van niet. Dat signaleerden Edward Brüheim en Arno Lodder een tijdje terug.

In beide gevallen ging het om smaad, waarbij het relevante criterium is of je “ruchtbaarheid” geeft aan een bepaald feit. Volgens de Hoge Raad betekent dat “ter kennis van het publiek brengen”, waarbij “publiek” wordt gedefinieerd als “een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden”. De standaardvergelijking is die van de huiskamer: wat je daarin zegt, is in principe geen smaad, omdat de daar aanwezigen geen “publiek” zijn. (Tenzij je natuurlijk willekeurige derden door je woonkamer laat lopen.)

Het Hof Den Bosch oordeelde dat

de verdachte de gewraakte berichten niet ter kennis heeft gebracht aan een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden, maar aan een beperkt aantal selecte personen. Hierdoor is niet voldaan aan het bestanddeel “met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven”.

Het ging in deze zaak namelijk om slechts 10 à 12 personen (voornamelijk familieleden) die toegang hadden tot de krabbels. Op zich is dat te billijken, iets aan een paar familieleden vertellen is niet hetzelfde als willekeurige mensen op straat aanschieten. Echter, in het Leeuwardse arrest kwalificeerde het Hof de 25 Hyvesvrienden die de verdachte had als

een in potentie ruimere kring van personen, die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlatingen mocht beschikken, waarbij daarnaast een verdere verspreiding van de gewraakte tekst door de oorspronkelijk geadresseerden -gezien de aard van de beschuldiging- voor de verdachte niet alleen in theorie voorzienbaar was maar ook op voorhand feitelijk te verwachten viel.

Daarmee was die groep Hyvesvrienden ineens wél een groep “betrekkelijk willekeurige derden”.

Hoe valt dit verschil te verklaren? Het ligt voor de hand om naar die aantallen te kijken, maar dat lijkt me te simplistisch. Arno Lodder vindt “de wijze van beheer van een profiel en de wijze van communiceren” belangrijker. Edward Brüheim lijkt het met hem eens te zijn als hij schrijft:

Zou dit oordeel anders geweest zijn als de vrouw een groot copyright-symbool onder haar schrijfsels had geplaatst, of iedere bijdrage was begonnen met de zin: “Wat ik nu ga vertellen, moet wel tussen ons blijven!”?

Ik betwijfel echter of dat veel zal helpen. Volgens mij was de zwaarte van de uitlating belangrijker. Iemand uitmaken voor kindermisbruiker is een heel stuk heftiger dan iemand een oplichter noemen (“althans (telkens) een of meerdere tekst(en) van gelijke aard en/of strekking”). En bij zo’n zware beschuldiging, gedaan door iemand die het kan weten, is het inderdaad te verwachten dat die mensen het gaan doorvertellen buiten de directe kring van lezers. Het Hof Leeuwarden doelt daar volgens mij op met

waarbij daarnaast een verdere verspreiding van de gewraakte tekst door de oorspronkelijk geadresseerden -gezien de aard van de beschuldiging- voor de verdachte niet alleen in theorie voorzienbaar was maar ook op voorhand feitelijk te verwachten viel.

en dat aspect zie ik niet terug in het arrest uit Den Bosch. Het is alleen wel een heel lastig criterium: je moet bij het doen van de beschuldiging je afvragen of je lezers het door gaan vertellen. Dat lijkt me niet werkbaar in het algemeen, dus ik hoop dat één van deze zaken naar de Hoge Raad gaat voor een definitief oordeel over de “virtuele huiskamer”. Hoewel, een huiskamer vol met krabbels?

Update (27 juli 2011) de Hoge Raad oordeelt in cassatie van de Leeuwardse zaak dat het Hof daar correct gehandeld heeft. Als vaststaat dat

de tekst op de Hyves-pagina van de verdachte zichtbaar was voor personen die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlating konden beschikken,

dan mocht de verdachte verwachten dat de geplaatste tekst verder zou worden verspreid. Daarmee was inderdaad sprake van smaad. De HR doet geen uitspraken over hoe groot die groep moet zijn: het gaat dus om “mocht iedereen met de uiting doen wat hij wilde, of was er een impliciete dan wel expliciete geheimhouding”.

Update (9 juli 2012) in een andere zaak waarbij smaad civielrechtelijk aan de orde was, bepaalde de rechter dat de grens bij hem op “meer dan om en nabij 15 mensen” zou liggen. Bewijsopdracht aan de eiser gegeven of dat gehaald werd. We zullen zien.

Arnoud

Pas op met zwarte lijsten

De Vereniging Vastgoed Participanten (VVP) mocht het bedrijf Investment4U Group B.V. niet zomaar op een zwarte lijst met potentieel malafide (vastgoed)beleggingsfondsen zetten. Dat oordeelde het gerechtshof Amsterdam afgelopen donderdag. De zwarte lijst van de VVP maakte veel los in de vastgoedbranche, kostte de VVP zelfs haar aansprakelijkheidsverzekering, en leverde haar diverse rechtszaken op van bedrijven die hun vermelding betwistten. De VVP werd overigens gerund door Dion Bartels, een omstreden advocaat die eind november mede om deze zwarte lijst geschorst werd als advocaat.

Het Hof erkent dat een site best over vermeende misstanden mag schrijven en mensen mag waarschuwen voor bedrijven die naar haar mening verkeerd bezig zijn. Echter, een bedrijf heeft ook een belang om niet “door publicaties in de pers of op internet [te] worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen”. Wie dus gaat publiceren over misstanden, dient daarbij zorgvuldig te handelen, zeker als de publicatie “de pregnante vorm aanneemt van een zwarte lijst” zoals het Hof dat formuleert. Een zwarte lijst laat immers weinig ruimte meer voor nuance: wie daarop staat is gewoon fout en moet vermeden worden. En dat is sneller onrechtmatig dan een kritisch artikel – helemaal als de lijst door een als gezaghebbend geziene instantie wordt gepubliceerd.

Het Hof oordeelt dat de VVP niet zorgvuldig genoeg is geweest met de samenstelling van haar lijst:

VVP heeft vervolgens, ook in hoger beroep niet aangegeven op welke wijze zij op haar website voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de plaatsing op de zwarte lijst uitsluitend betrekking had een voornoemd gebrek aan transparantie. De ” in hoger beroep nader onderbouwde stelling ” dat de door haar gehanteerde criteria voor plaatsing op de witte dan wel de zwarte lijst op de website/via een link kenbaar waren, acht het hof in dit verband onvoldoende, waarbij mede een rol speelt dat deze criteria niet alle eenduidig betrekking hebben op de transparantie van de betrokken fonsen en hun producten, maar bijvoorbeeld ook op het ’track record” van de onderneming en haar bestuurders.

De VVP kon niet adequaat toelichten waarom Investment4U op de zwarte lijst was geplaatst en verliest daarom wederom de procedure.

Eind 2008 blogde ik al over zwarte lijsten voor webwinkels, waarbij ik de volgende vragenlijst citeerde van het College Bescherming Persoonsgegevens:

  1. Met welke gedragingen komt iemand op de zwarte lijst?
  2. Welk belang heeft het bedrijf bij de zwarte lijst?
  3. Hoe belangrijk is de dienst of het product voor de betrokken personen? Hoe belangrijker, hoe lastiger het is een zwarte lijst te hanteren.
  4. Is het gebruik van een zwarte lijst proportioneel? Met andere woorden, wegen de belangen van de winkelier op tegen de belangen van de betrokken personen?
  5. Is er geen andere mogelijkheid om de schade voor de winkelier te beperken (subsidiariteit)?
  6. Hoe en wanneer wordt iemand gemeld dat hij op de zwarte lijst staat?
  7. Hoe lang blijf je daarop staan, en wanneer ga je er weer af?

Een toelichting op de antwoorden voor elk bedrijf op je zwarte lijst lijkt me dus gepast.

Arnoud

Van wie is die oude harde schijf?

Een lezer vroeg me:

Ik heb een vraag aangaande een interne harde schijf die binnen een maand na aankoop stuk gegaan is. Ik ben teruggegaan en de winkel kwam na onderzoek tot de conclusie dat de harde schijf “stuk” was, maar men kon niet zeggen waarom. De gegevens op de schijf waren niet meer terug te halen, zei men. Ik kreeg gratis een nieuwe harde schijf van hetzelfde type. Prima service, zou je zo zeggen.

Alleen: er stonden onvervangbare bestanden op die schijf en ik wil toch proberen die terug te krijgen via een gespecialiseerd bureau. Ik heb dus gevraagd of ik de oude, kapotte schijf mee mag nemen. De winkel weigert dit, biedt mij de schijf eventueel tegen nieuwprijs te koop aan maar zegt mij dat de vervangen schijf mijn eigendom niet meer is. Klopt dat?

Het bedrijf heeft gelijk. De schijf die je een maand geleden kocht, werd je eigendom toen je deze meenam. Maar nu heb je deze omgeruild voor een nieuw exemplaar, omdat de oude niet conform de eisen was (harde schijven horen ~3 jaar mee te gaan). Daarmee is het nieuwe exemplaar nu je eigendom geworden – in plaats van de oude dus. Ik zie niet hoe je zonder betaling de oude schijf nu ook mee naar huis mag nemen.

Wellicht is te verdedigen dat de winkel de gegevens op de schijf moet terughalen, omdat dit een vorm van schade is die jij hebt geleden door hun ondermaatse harde schijf. Maar als zij aangeven dit te hebben geprobeerd en niets terug kunnen halen, dan houdt het voor hen denk ik op. Ik zie niet hoe je kunt eisen dat je dan de schijf terug moet krijgen zodat je elders een laatste poging kunt wagen.

Arnoud

Over bannen en edits: het forumlid versus het beheer

Vele lezers vroegen me zaken als:

  • Ik ben geband op een forum en nu wil ik mijn berichten verwijderen, hoe dwing ik dat af?
  • Het forumbeheer heeft mijn berichten verwijderd, kan ik eisen dat ze teruggezet worden?
  • Er is geen reglement op ons forum maar toch zegt het beheer dat mijn berichten niet passen, wat nu?

De positie van forumleden en forumbeheer is juridisch bepaald niet duidelijk. Er is wettelijk niets expliciet geregeld, dus je moet dan terugvallen op de hoofdregels uit het recht. Helaas zeggen die niet veel meer dan “je moet redelijk en billijk tegen elkaar doen” (art. 6:2 en 6:248 BW), wat ongeveer net zo praktisch bruikbaar is als “gedraag je” vroeger op de basisschool.

Om veel problemen te vermijden, of in ieder geval te reguleren, is een goed reglement erg belangrijk. Daarin kan het beheer regelen wat wel en niet toegestaan is (bv. wel of geen off-topic discussies, wanneer berichten weggehaald mogen worden, of slowchat toegelaten is, of je mag reageren op spelfouten, noem maar op).

Is er geen reglement, dan is het lastig om te zeggen waar je aan toe bent. In principe bepaalt het beheer wat er wel en niet mag: het is hun server en zij mogen dus bepalen wat de regels zijn. Mag er niet worden gepraat over politiek, dan mag dat niet en kun je geband worden als je het toch doet. Dit volgt uit het XS4All/Ab.Fab arrest, waarin de Hoge Raad bepaalde dat de eigenaar van een server kan bepalen dat hij bepaalde zaken niet wenst te ontvangen (in dit geval ging het om spam maar de regel is algemeen).

Er zitten natuurlijk wel grenzen aan dat recht. Zo kun je regels niet van moment tot moment wijzigen zoals het jou uitkomt als beheer. Je zult wijzigingen moeten aankondigen en mensen de tijd moeten geven om hun gedrag daarop aan te passen.

Een veelgehoorde klacht gaat over berichten verwijderen. Dat kan niet zomaar: niet door het beheer maar ook niet door het forumlid zelf. Het bericht is deel van een discussie, en verwijdering verstoort die discussie. (Als het bericht illegale zaken bevat, dan mag je het natuurlijk wel verwijderen.) Een forumlid kan wel eisen dat zijn naam van berichten wordt gehaald, of dat eventuele tot hem herleidbare informatie (persoonsgegevens) uit de berichten wordt verwijderd.

Berichten aanpassen kan op zich wel toegestaan zijn, mits het dan gaat om kleine wijzigen die de strekking niet aantasten. Bijvoorbeeld hele lappen geciteerde tekst van elders verwijderen of niet ter zake doende alinea’s er tussenuit knippen.

Overigens heeft het forumlid (en niet het beheer) het auteursrecht op die berichten. Het beheer krijgt een licentie om het bericht te publiceren op het forum, maar ook in de RSS feeds en eventuele nieuwsbrieven die aan het forum vastzitten. Die licentie is waarschijnlijk eeuwigdurend, omdat er geen termijn is afgesproken. Dat betekent dat een lid niet zomaar op grond van zijn auteursrecht kan eisen dat berichten eraf gaan, ook niet als hij van het forum verbannen is.

Een forumlid zomaar verbannen kan denk ik ook niet zonder meer. Je zult vooraf aan moeten geven wat de redenen zijn waarop je iemand mag verwijderen, en een waarschuwing vooraf is nooit verkeerd. Je hebt daarna dan immers de reden “luistert niet naar waarschuwingen” en die lijkt me in principe geldig.

Het wordt hoog tijd voor wat specifiekere wettelijke regels of op zijn minst meer jurisprudentie over de relatie beheer-forumlid.

Arnoud

Machtiging rechter-commissaris bij strafbare uitingen echt nodig

wetboek-strafvordering-2009-2010.pngEen webhoster hoeft smadelijke berichten niet te verwijderen als het OM dat eist, tenzij er een machtiging van de rechter-commissaris bij zit. Dat blijkt uit een recent vonnis van de rechtbank in Assen. Die rechtbank oordeelde in 2008 net zo, maar het OM was in hoger beroep gegaan en de zaak werd terugverwezen voor een nieuw vonnis, dat dus identiek is aan het vorige.

In feite is de zaak zo simpel dat ik niet snap waarom deze hele toestand nodig was. Op een website stond een vermeend lasterlijke uiting over een advocaat. Het OM had de webhoster (Budget Webhosting) gesommeerd deze te verwijderen, maar zo’n bevel mag op grond van artikel 54a Wetboek van Strafrecht alleen worden gegeven als de rechter-commissaris daar toestemming voor heeft gegeven. En die was er niet.

in het Dagblad van het Noorden zegt de Officier van Justitie boos:

“In Assen verleent de rechter-commissaris gewoon geen toestemming. Daarmee is dit wetsartikel in feite geschrapt, want dit vonnis is nu de standaard”, aldus officier van justitie Jan Hoekman.

Dat lijkt terug te komen in het vonnis als:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vereiste machtiging wel aan de rechter-commissaris is gevraagd doch dat de rechter-commissaris op formele/principiële gronden tot niet ontvankelijkheid van het OM heeft beslist. Een inhoudelijke toetsing heeft niet plaatsgevonden door de rechter-commissaris.

Er is echter geen manier voor een OvJ om in beroep of bezwaar te gaan tegen zo’n beslissing. Dat verklaart zo te lezen waarom deze officier toch de strafzaak heeft doorgezet. Echter, de rechtbank vindt dat geen argument om dan de provider toch maar te gaan vervolgen: deze moet kunnen afgaan op de wet, en als daarin staat dat er een machtiging van de R-C moet zijn dan moet die er zijn, anders is de provider niet gehouden het bevel op te volgen.

Oftewel: jammer voor die OvJ dat men in Assen kennelijk alleen koppige Drenten als rechters-commissaris (rechter-commissarissen?) heeft zitten maar het alternatief is dat de officier in strijd met de wet bevelen mag geven tot weghalen van teksten.

Update (9 januari 2010): zie ook het TILT-rapport ‘Wat niet weg is, is gezien’ met achtergrond van art. 54a Strafrecht en de (on)mogelijkheiden voor het OM bij weigerachtige R-Cs.

Update (30 augustus 2014) de Hoge Raad beslist dat ook de provider niet in beroep of bezwaar kan als hij gehoor gaf aan het bevel en de officier vervolgens de zaak seponeert tegen de plaatser.

Arnoud

Een linkverzameling kan ook handelsnaaminbreuk zijn

electro-online-screenshot.pngHet blijft toch uitkijken met domeinnamen met andermans merk of handelsnaam erin. Afgelopen vrijdag oordeelde de Haarlemse rechtbank dat de site Electroonline.nl inbreuk opleverde op de handelsnaam Elektroonline. Onder het motto “Handig en overzichtelijk zoeken bij alle online electronica zaken voor zowel particulier als professioneel!” bood de site een pagina met links naar elektra-bedrijven en een iframe van Beslist.nl.

De belangrijkste vraag voor het handelsnaamrecht is altijd of hier wel sprake is van gebruik als handelsnaam. Een domeinnaam is nog geen handelsnaam. Je moet kijken naar hoe de naam gebruikt wordt op de site zelf. Zo zou de handelsnaam van deze site eerder “Internetrecht door Arnoud Engelfriet” of “Iusmentis” zijn dan “blog.iusmentis.com”.

In dit geval wordt de domeinnaam als handelsnaam gebruikt:

De website biedt immers aan zowel particuliere als aan professionele gebruikers de mogelijkheid om te zoeken naar online electronica zaken. Daarnaast kan er op de site worden geadverteerd (“Adverteren op deze site? (klik hier!) en vraag naar de mogelijkheden!”). In de zoekbalk en op de webpagina zelf komt bovendien de naam “electroonline.nl” voor, zodat er voorshands vanuit moet worden gegaan dat de website gebruikt wordt ter aanduiding van bedrijfsactiviteiten van F.T. Promotions onder de naam electroonline.nl.

De volgende vraag is dan of er verwarring kan optreden tussen de beide bedrijven. De domeinnaam verschilt slechts één letter, en men richt zich op ongeveer dezelfde markt: “(deels) gelijksoortige handelswaar in de vorm van elektro(tech)nische artikelen aanbieden.” Daarmee is de verwarring gegeven.

Oftewel, een startpagina met advertenties onder een bepaalde naam is handelsnaamgebruik van die naam. Mijn voorbeeld van het TomTomForum zou hier dus ook tegenaan kunnen lopen. Hoewel daar wel de nodige mogelijkheden zijn om verwarring te vermijden, bijvoorbeeld door geen navigatieproducten aan te bieden of een duidelijke disclaimer te voeren.

Opmerkelijk is nog dat de domeinnaam niet hoeft te worden overgedragen. De gedaagde had deze al sinds 2001, en op grond van het principe “wie het eerst komt, die het eerst maalt” hoeft hij deze niet af te staan.

Daarbij is van belang dat de registratie door F.T. Promotions niet met zich brengt dat [eiser] wordt belemmerd om zich met zijn onderneming op het internet te profileren. Weliswaar kan [eiser] niet over de domeinnaam www.electroonline.nl beschikken, maar hij beschikt wel reeds over de domeinnamen www.elektro-online.nl en www.elektroonline.nl.

Dit doet denken aan het Yonex-arrest van 2008, waarin de eigenaar van yonexbadminton.nl deze niet hoefde af te staan aan het bedrijf Yonex. In tegenstelling tot yonexbadminton.nl moet de eigenaar van electroonline.nl de website wel offline halen, omdat die site immers handelsnaaminbreuk oplevert.

Arnoud

Is een website inclusief domeinnaam?

Een lezer vroeg me:

Stel een partij A heeft een website (inclusief domeinnaam) ontwikkeld en verkoopt deze aan B. Er is geen verkoopcontract, maar ze hebben op MSN gezegd dat B de website mag overnemen. B heeft betaald en de logingegevens gekregen. Nu, een maand later, wil B dat de domeinnaam ook op zijn naam komt te staan, maar A zegt dat dat niet bij de koop zat. Een site is wat anders dan een domeinnaam zegt hij. B zegt dat de website zonder die domeinnaam niks waard is, omdat iedereen de site kent onder die naam.

Een verkoop via MSN is ook rechtsgeldig, want er zijn geen eisen aan hoe je een contract (overeenkomst) sluit. Het probleem is alleen dat je dan niet alle afspraken netjes op een rijtje hebt met handtekeningen als bewijs van akkoord eronder.

Nu komen onduidelijkheden wel vaker voor, en er zijn dan ook regels in het recht om te bepalen wat er nu eigenlijk afgesproken is. Juristen kennen dit als de Haviltex-formule. Uitgangspunt is dat niet alleen de tekst van de overeenkomst zelf bindend is, maar dat je ook moet kijken naar welke betekenis de partijen aan de tekst gaven en wat ze over en weer van elkaar mochten verwachten.

In dit geval komt dat dus neer op de vraag wat A en B voor ogen hadden toen ze het contract sloten. Was het de stilzwijgende bedoeling dat de domeinnaam mee zou gaan? Of had B wel door dat A de domeinnaam wilde houden?

Om die vraag te beantwoorden, kun je bijvoorbeeld kijken in de e-mails, chats en dergelijke wat er gezegd is over de site. Heeft B gezegd dat het zo’n mooie domeinnaam is, dan zou dat een aanwijzing kunnen zijn dat de domeinnaam bij de koop zit. Heeft A gezegd dat hij van de site afwil omdat die niet past bij de domeinnaam, dan lijkt me dat een sterke dat de domeinnaam er niet bij hoort.

Een belangrijke aanwijzing kan zijn wie verzocht om de domeintransfer. Als dat A was, dan blijkt daaruit dat hij destijds meende dat B de domeinnaam zou krijgen. (Hoe kan B het eigenlijk overzetten als A geen autorisatie daarvoor geeft?)

Ook kun je kijken naar wat gebruikelijk is in de branche. Als “iedereen” vindt dat de domeinnaam erbij hoort, dan heeft A pech. Op de veemarkt koop je pas een koe als er handjeklap is gedaan, ook al staat de afspraak op papier en ligt dat bij de notaris.

Afijn, de wijze les is dus alles tot in detail op papier zetten. Of laten zetten door een gespecialiseerd jurist kuch 🙂

Arnoud