OM niet ontvankelijk na weigering dagvaarding te mailen

library-bibliotheek-openbare-computers.pngWie verdacht is in een strafzaak, krijgt normaal alle stukken op zijn woonadres. Daar kun je van afwijken als je dat tijdig opgeeft; je zou het adres van je advocaat of wellicht een postbus kunnen opgeven. Maar in een recent vonnis bepaalde de rechtbank Maastricht (via) dat je ook een e-mailadres mag opgeven – en dan krijg je dus alle stukken elektronisch.

In deze zaak was een verdachte in september 2009 verhoord. Hij had daarbij gemeld geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben. Wel had hij een e-mailadres dat hij regelmatig controleerde, en hij gaf aan dat alle stukken (inclusief de dagvaarding) daarheen gemaild konden worden. Dat was niet gebeurd, ook niet na herhaalde opdracht van de rechtbank en de man werd bij verstek veroordeeld.

Op zich kun je (artikel 588a Strafvordering) eisen dat “mededelingen over de strafzaak” waar je verdachte in bent, je worden toegezonden op “een adres in Nederland” mits je dat maar bij het eerste verhoor of aan het begin van het onderzoek op de terechtzitting aangeeft (of bij het in beroep gaan). Wordt daar dan geen gehoor aan gegeven, dan kan dat tot niet-ontvankelijkheid voor het OM leiden.

Valt onder “adres” nu ook een e-mailadres? Ja, zegt de rechtbank. De wetgever had bij invoering van dit wetsartikel gemeld dat onder “adres” niet per se alleen een woonadres hoefde te verstaan. In januari 2010 had de Hoge Raad bepaald dat een postbusnummer ook onder “adres” valt. En als je niet in op dat adres hoeft te wonen, dan zou je net zo goed een e-mailadres kunnen gebruiken aldus de rechtbank.

De rechtbank gaat daarbij wel een beetje snel: ik zie wel verschil tussen “stuur het maar naar mijn werk/mijn postbus/mijn ouders” en “ik wil graag alles als PDF”. Bovendien, er staat “een adres in Nederland” en wanneer is een e-mailadres in Nederland? Moet het dan een .nl-extensie hebben? Een mailserver in Nederland zijn? Een mailserver geëxploiteerd door een Nederlands bedrijf? Maar toegegeven, dat is juridische fijnslijperij. Ik ben allang blij dat je nu als verdachte kunt eisen alles digitaal te krijgen.

Arnoud

OM eist IP-adressen van website Crimesite, mag dat?

bevel-crimesite.pngDe Amsterdamse recherche en het Openbaar Ministerie dreigen de hoofdredacteur van Crimesite op te pakken, meldde de site gisteren. Hij wil geen gehoor geven aan een vordering om IP-nummers van bezoekers van de website te verstrekken. Het OM had die geëist in verband met een mishandelingszaak waarover Crimesite had bericht (via GeenStijl). In de reacties verklaarden twee getuigen iets over de gebeurtenissen, en de politie wil die graag eens op het bureau spreken. Kan dat zomaar?

De politie heeft de vordering ingediend op grond van artikel 126n Strafvordering. Daarmee mag men bepaalde gegevens vorderen “over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker”, zoals het IP-adres vanaf waar het communicatieverkeer is gedaan of de NAW-gegevens indien beschikbaar. Deze mag men vorderen van “aanbieders van een communicatiedienst”, en dat zijn dan weer bedrijven die (art. 126la Strafvordering):

aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst;

Het gaat hier dus niet alleen om internetproviders die signalen doorgeven, maar óók om bedrijven die bijvoorbeeld pure hostingdiensten aanbieden. Die slaan immers gegevens op ten behoeve van de communicatiedienst “WWW” (ok ok technisch gesproken de dienst “http”). Je kunt discussiëren of Crimesite onder “bedrijven die communicatiediensten leveren” valt. Crimesite lijkt me wel een bedrijf in de zin van de wet – ze verkopen advertenties. Maar is hun core business de dienst opslag/doorgifte/http? Ik betwijfel het.

Crimesite heeft echter een veel sterker argument: zij doet aan journalistiek en heeft daarmee recht op bronbescherming (zoals bevestigd in de Voskuil– en Autoweek-arresten). Het OM heeft speciale richtlijnen opgesteld over hoe om te gaan met vorderingen richting journalisten. Die zegt in artikel 6a onder meer:

In ieder geval lijkt het toepassen van dwangmiddelen gerechtvaardigd als dat het enige effectieve middel is om een zeer ernstig delict op te helderen. Het moet dan gaan om die misdrijven waarbij het leven, de veiligheid of de gezondheid van personen ernstig is geschaad of in gevaar kan worden gebracht. Daarvan zal in beginsel sprake zijn bij het opsporen van de verdachte van bijvoorbeeld een reeks van ernstige zedenmisdrijven, het traceren van een hoeveelheid explosieven of het inrekenen van een voortvluchtige moordenaar.

Verdedigbaar is dat hier sprake is van een dergelijk misdrijf. Immers het ging om zware mishandeling van een portier. En als zich dan een getuige meldt dat hij gezien heeft wie het werkelijk was, en daarbij zelfs de politie aanspreekt (“Politie: maak even een praatje met het personeel en de DJ van die avond….dan weet je genoeg.”) dan kan ik het wel billijken dat je die meneer even wilt spreken. Er is geen anonimiteit bedongen, en heel hard nodig lijkt die ook niet bij een dergelijke verklaring. Dus ik denk dat uiteindelijk de rechter het OM toch gelijk zal geven, maar het tegendeel is ook goed verdedigbaar.

Essentieel is wél dat een rechter er naar moet kijken, en dat is niet het geval bij dit type vorderingen – iedere officier van justitie mag deze vordering instellen. En daarover zegt het Europese Hof in de Autoweek-zaak:

Although the public prosecutor, like any public official, is bound by requirements of basic integrity, in terms of procedure he or she is a “party” defending interests potentially incompatible with journalistic source protection and can hardly be seen as objective and impartial so as to make the necessary assessment of the various competing interests.

Daardoor was er geen “independent assessment as to whether the interest of the criminal investigation overrode the public interest in the protection of journalistic sources.” Een officier is (een beetje) partijdig en kan daarom niet beslissen of het opsporingsbelang zwaarder weegt dan het belang van de persvrijheid. Alleen een rechter(-commissaris) kan dat.

Arnoud

De waarde van elektronisch bewijs

betere-byte-strijd-gelijk-bewijs.jpgJa, je moet wat tijdens de kerstdagen: ik heb het proefschrift De betere byte in de strijd om het gelijk van Maarten van Stekelenburg gelezen. Hij snijdt een zeer lastige kwestie aan:

De toename in gebruik van elektronische gegevens, leidt ertoe dat deze steeds vaker ingezet worden als bewijsmiddel in rechtzaken. Elektronische gegevens staan aan andere gevaren bloot dan traditionele media, temeer omdat deze gegevens veelal worder verstuurd over het internet. Het is niet altijd duidelijk of degene die de gegevens heeft verzonden ook daadwerkelijk de persoon is die zich als afzender identificeert. Daarnaast is het mogelijk dat derden vertrouwelijke gegevens onderscheppen en eventueel zelfs wijzigingen aanbrengen. Dit roept de vraag op hoe betrouwbaar deze gegevens zijn om rechten en feiten aan te kunnen tonen. dat deze slechts in een enkel geval houvast biedt in het geven van een betrouwbaarheidsoordeel van elektronische bewijsmiddelen.

Van Stekelenburg onderzocht een stapel Nederlandse, Duitse en Amerikaanse jurisprudentie om te bepalen hoe deze landen omgaan met elektronisch bewijs.

Een eerste opvallend aspect is wat Van Stekelenburg de “toelatingsfase” noemt: mag dit materiaal überhaupt de rechtszaal binnen? In Nederland wordt niet op voorhand bewijs uitgesloten omdat het elektronisch is, of om welke reden dan ook. De rechter bekijkt en beoordeeld wat hem wordt voorgelegd, en of het nu op een bierviltje staat of op een CD-ROM zal hem in principe worst wezen. In de VS is dat anders: we kennen allemaal de televisieseries waar dat prachtige stukje bewijs ineens van tafel moet omdat het onjuist verkregen zou zijn.

Ik zie in vaktijdschriften en met name bij dure congressen over bewijzen en bewaren veel aanstelleritis dat je alleen na de zwaarste technische en organisatorische waarborgen rechtsgeldig bewijs zou kunnen verkrijgen. De Nederlandse jurisprudentie die Van Stekelenburg vond, laat mooi zien hoe de praktijk omgaat met elektronisch bewijs.

In een contract met een profvoetballer:

De stelling van Appellant dat de e-mail van 3 augustus 2006 hem niet heeft bereikt is in het licht van de door Nike overgelegde producties niet aannemelijk. … Deze is niet alleen verzonden vanaf hetzelfde e-mailadres als dat waarnaar de e-mail van Nike is verzonden (xxx@post.cz), doch vermeldt dezelfde referentie (“Re:Nike smiouva”) en valt ook qua inhoud moeilijk anders te begrijpen dan als een reactie op de e-mail van Nike.

Natuurlijk kun je een heel verhaal ophangen over mailheadervervalsende hackers of raar routerende mailservers, maar als alles bij elkaar er echt genoeg uitziet en er ook geen reden is waarom het nu net deze keer fout zou gaan, dan kan de rechter gewoon aannemen dat die mail echt is.

Een leuke uit een andere zaak:

Op grond van hetgeen daaromtrent door de getuigen is verklaard, acht het hof het aannemelijk dat de e-mail van 16 maart 2006 is verzonden, en dat [betrokkene 1] de gemaakte afspraken daarmee heeft willen bevestigen. De inhoud van de mail stemt overeen met de verklaring van [betrokkene 1] en draagt om die reden bij aan de geloofwaardigheid daarvan. Het betoog dat de ontvangst van deze e-mail ook vast moet staan (wat niet het geval is), treft geen doel.

Die laatste zin verrast misschien: hoofdregel uit het recht is immers dat een verklaring pas effect heeft als deze de ontvanger daadwerkelijk heeft bereikt. Maar daar geeft het Hof een leuke draai aan: het gaat hier niet om een afspraak per e-mail maar om een bevestiging per e-mail van een afspraak. Bewijs mag je op elke manier leveren, en bewijs hoeft niet ontvangen te zijn door de wederpartij. Zolang de mail dus geloofwaardig overkomt, kan deze als bewijs dienen. (Je dagboek met daarin een verslag van een gesprek kan dus óók bewijs zijn van dat gesprek, als de rechter maar gelooft dat je eerlijk bent in je dagboek.)

In deze zaak speelde niet de vraag of de mails echt waren, maar of ze mochten worden gelezen als concreet aanbod en concrete aanvaarding, of dat er alleen maar werd dooronderhandeld. Omdat de afspraken duidelijk genoeg waren, vond de rechter dat een overeenkomst was gesloten.

In een zaak waarin de rechter “in het duister tastte” over de vraag welke motieven een partij had om zich in zowel Nederland als Duitsland in te schrijven, werd een uitdrukkelijk betwiste mail naar de advocaat van de wederpartij als niet relevant beschouwd.

Lichte hoofdpijn kreeg ik van een zaak waarin de gedaagde getuigen had laten opdraven die verklaarden dat hij toch echt een bepaalde mail had gezonden:

nu de getuigen (zijn vrouw en Francois van Gijzen) wél kunnen verklaren dat [gedaagde] de e-mail heeft verzonden, maar niet kunnen bewijzen dat Lis de e-mail heeft ontvangen, kan aan deze e-mail niet het beoogde effect van opzegging van het proefabonnement worden toegekend.

Hoe groot is nou werkelijk de kans dat die mail nooit is aangekomen?

En dan ter afsluiting nog twee zaken waarin korte metten wordt gemaakt met het m.i. belachelijke vereiste dat je een stuk papier aangetekend moet versturen en dat een daadwerkelijk ontvangen e-mail niet geldig kan zijn.

De eerste:

De strekking van de e-mail van 3 december 2007 laat aan duidelijkheid niet te wensen over. [eisers] hebben niet gesteld dat zij niet hebben begrepen dat [gedaagden] zich wilden beroepen op de ontbindende voorwaarde omdat zij de financiering niet rond konden krijgen. Vast staat dat het bericht de verkopers heeft bereikt en dat de inhoud hen duidelijk was. Daarom wordt geoordeeld dat [eisers] in redelijkheid geen beroep kunnen doen op het voornoemde formele vereiste.

De rechter haalt hier artikel 6:248 BW van stal, waarin staat dat je redelijk & billijk tegenover elkaar moet zijn. En eisen dat iemand een bericht nogmaals verstuurt (maar dan aangetekend) nadat je het daadwerkelijk al hebt gehad, is niet redelijk.

De tweede:

Dat [gedaagden] een beroep op de ontbindende voorwaarde hebben gedaan door middel van een e-mailbericht en niet op de in artikel 6.1 van de koopovereenkomst voorgeschreven wijze (namelijk schriftelijk, gericht aan de verkoper en diens makelaar, per aangetekende brief met bericht van ontvangst of per deurwaardersexploot), maakt niet dat het beroep op de ontbindende voorwaarde rechtsgevolg mist. Het gaat er om dat [ eiser] binnen de overeengekomen termijn op de hoogte is gebracht van het inroepen van de ontbindende voorwaarde. Dat is gebeurd met de e-mail van 9 april 2008, waarvan de ontvangst niet is betwist.

En wederom een rechter met clue: u bent op tijd ingelicht, dus dan kunt u zich niet achter een formaliteit verschuilen.

Afgezien van die ene hoofdpijnzaak een mooi setje jurisprudentie. Het gaat er niet om welke Received: header er in de mail staat of dat een systeembeheerder onderweg je mailbox zou kunnen manipuleren, maar om wat er daadwerkelijk is gebeurd en hoe de mail past binnen de rest van het plaatje van het geschil. En zo hoort het ook: niet focussen op één technisch aspect maar beoordeel wie er gelijk heeft op basis van al het bewijs, bekeken binnen de context.

Arnoud

Spammen in strijd met huisregels: boete

Stel je zit op een forum en iemand stuurt je een berichtje: “Hey gozer! Voeg me anders toe op msn: surfer-nick@example.com (veel makkelijker!)” En als je dat doet, dan krijg je te horen “AutoMessage: Laptop doet raar dus bel me maar op 0906xxxx code 51!” Wat denk je dan? Inderdaad: spam. Een vervelend verschijnsel op zowat elk medium. Een goed filter kan veel tegenhouden, maar slimme jongens houd je altijd. Maar stap je ervoor naar de rechter? Gay.nl (hoi Bram) deed dat wel, en kreeg een schadevergoeding van 5000 euro van de spammer (dank).

De site gay.nl bevat onder meer een forum en een chatdienst, waarmee gebruikers van de website met elkaar in contact kunnen komen. Daarvoor moet je wel geregistreerd zijn, en bij registratie moet je de huisregels aanvaarden. Eén van die huisregels verbiedt

het (ongevraagd) initiëren van iedere vorm van commerciële communicatie door middel van e-mail, fax, SMS, MMS, post, de Gay.nl messenger, het Gay.nl forum, het profiel van de Gebruiker of anderszins met gebruikers, althans het direct of indirect promoten van goederen, diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon, zulks ongeacht of deze producten of diensten (indirect) betrekking hebben op het karakter van de dienst of mogelijke interesse van een gebruiker

Het beheer ontving diverse klachten over een gebruiker die de hierboven genoemde berichtjes (198 stuks op een middag) had gestuurd. De gebruiker gaf echter aan dat er géén sprake was van spam maar alleen een uitnodiging om via MSN te kletsen, wat hem handiger leek dan de chat van Gay.nl. Later ontkende hij de berichten te hebben gestuurd en verwijst naar freelance medewerkers waar hij geen volledige controle over heeft (het “overijverige stagiare”-excuus). Maar de rechter accepteert dat niet:

V M heeft niet verklaard waarom een ander bedrijf, dat ook van het betreffende IP-adres gebruik heeft gemaakt, er belang bij zou kunnen hebben om gebruikers van Gay.nl te attenderen op het 0906-nummer van V M. Anderzijds suggereert V M dat de verzending van de berichten het werk kan zijn geweest van een van zijn medewerkers. Redelijkerwijs kan alleen dit laatste verklaren dat de gebruikers van Gay.nl op 9 juli 2009 werd gevraagd via MSN contact te zoeken en daarop een automatisch bericht volgde met het verzoek te bellen met het 0906-telefoonnummer van het bedrijf van V M.

Het gedrag van medewerkers (ook als ze freelance zijn) moet volgens de wet (art. 3:70 BW) voor rekening van VM komen. Ook het verweer dat het gewoon om contact zoeken ging, wordt verworpen. Het in korte tijd versturen van 198 berichtjes met dezelfde inhoud, die verwijzen naar een commerciële 0906-lijn, bewijst dat sprake is van een commercieel doel met de communicatie.

Het vonnis doet denken aan de zaak Netwise/NTS, waarin ook een spammer werd gehouden aan huisregels en een verbod opgelegd kreeg. Verschil is dat Gay Group een boetebeding had ingebouwd en dat de rechter dit van toepassing acht. Volgens dit beding mag Gay Group voor elk spambericht 500 euro incasseren, zij het dat dit vanwege de bevoegdheid van de kantonrechter is beperkt tot 5000 euro totaal.

Omdat de huisregels op de juiste manier worden aangeboden, vindt de kantonrechter dat VM ook gebonden is aan het boetebeding. Ook het aantal klachten of de hoogte van de boete speelt geen rol:

Anders dan V M meent, is het aantal door Gay Group van gebruikers van haar website ontvangen klachten niet relevant. Een gebeurtenis die tot het verbeuren van de overeengekomen boete leidt, bestaat in de verzending van een verboden bericht. Voor zover V M matiging van de boete mocht hebben verlangd, valt niet in te zien dat de billijkheid matiging klaarblijkelijk zou eisen.

VM moet de 5000 euro boete betalen (plus ” 692,89 proceskosten) en op straffe van een dwangsom alle via de spamberichten verkregen e-mailadressen verwijderen. Hij krijgt alleen geen verbod voor de toekomst, omdat Gay Group zijn account kan sluiten zodat hij niet meer kán spammen. Een beetje apart, want een nieuw account is zo gemaakt. Maar alles bij elkaar toch een forse opsteker: het wordt tijd dat meer forums zo’n beding gaan opnemen dus!

Update (8 november 2012) en weer eentje, waarbij de boete wel van € 15.000 naar € 5.000 werd gematigd met als reden de beperkte financiële positie van de berichtenverstuurder.

Arnoud

Op welk land richt een website zich?

Wanneer richt een website zich op een bepaald land? Een ontzettend lastige vraag, maar het Europese Hof van Justitie ontkwam er niet aan deze te beantwoorden. In twee arresten (C-585/08 en C-144/09) komt ze met een mooi genuanceerd antwoord: een website alleen is niet genoeg, maar geografisch getargete advertenties of taalkeuzes kunnen dat wel zijn.

In beide zaken ging het om een consument die een overeenkomst sloot met een bedrijf dat in een ander Europees land gevestigd was. (In de eerste zaak was het een pakketreis (vervoer en verblijf), in de tweede een geboekte hotelkamer.) Beide consumenten hadden ruzie met het bedrijf over de uitvoering van de overeenkomst, en in beide gevallen betwistte het bedrijf dat de rechtbank bevoegd was omdat zij in een ander land gevestigd was. Omdat het hier ging om bestellingen via internet, iets waar nog geen jurisprudentie over is, besloten de rechtbanken de vraag voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.

Europese regels, met name Verordening 593/2008 (toepasselijk recht) en Verordening 44/2001 (bevoegde rechtbank) zijn niet heel duidelijk, zoals ik in mei al besprak. Het criterium is grofweg of je je als bedrijf “richt op het land” waar de consument woont. In dat geval is de rechtbank van dat land bevoegd, ongeacht waar het bedrijf gevestigd is.

Het Hof worstelt met dat criterium, maar vindt dan aan aanknopingspunt bij de reclame-uitingen van de ondernemer. Bij traditionele reclame is dit immers doorslaggevend: wie in een Duitse krant adverteert, wil kennelijk in Duitsland zaken doen en valt dan onder Duits recht. Logisch.

Maar bij internetreclame is dat een heel stuk lastiger. Websites en banners verschijnen door de hele Europese Unie, maar om daar nu uit te concluderen dat je je dus op elk land in de EU wil richten, gaat het Hof te ver. In dat geval had de wetgever dat maar expliciet moeten opschrijven. Sterker nog, bij de totstandkoming van verordening 44/2001 is een tekst met die strekking geschrapt voordat deze van kracht werd.

Een website is dus niet genoeg, of in de woorden van het Hof:

De wetgever van de Unie wenst weliswaar de consument beter te beschermen, maar is niet zo ver gegaan te bepalen dat het loutere gebruik van een internetsite, dat een gebruikelijk middel is geworden om handel te drijven, ongeacht het geviseerde grondgebied, een activiteit is die “gericht is op” andere lidstaten en de toepassing meebrengt van de beschermende bevoegdheidsregel van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001.

Je moet dus op zoek naar méér: waaruit kun je halen dat de ondernemer van plan was om handel te drijven met consumenten uit bepaalde andere landen? Wat het Hof noemt “elke duidelijke uitdrukking van de wil om de consumenten in deze lidstaat als klanten te winnen”.

Een negatieve aanwijzing is een e-mailadres, postadres of telefoonnummer – in ieder geval zonder internationaal kengetal. Die gegevens moet iedere onderneming verplicht op zijn site hebben, dus daar kun je niet uit afleiden dat men internationaal bezig wil zijn.

Positieve aanwijzingen zijn daarentegen:

  • Met naam één of meerdere landen noemen waar je bereid bent zaken te doen. Ik denk dat die standaard dropdown met alle landen ter wereld niet genoeg is, maar een zelfgemaakte landenlijst bij je bestelformulier zou dus genoeg moeten zijn. (Waarom gebruiken mensen die giga-dropdown eigenlijk? Hoe veel klanten komen er uit Samoa of Antigua?)

  • Adverteren bij een zoekmachine en die advertentie geografisch targeten op dat land. Dat is dus in feite het traditionele criterium van reclame in een land. Hoe je dit bewijst, is me niet duidelijk.

  • Een combinatie van secundaire factoren als een telefoonnummer met internationaal kengetal, een niet-landgebonden topleveldomeinnaam, routebeschrijvingen die in dat andere land beginnen of testimonials van internationale klanten. Elk van die dingen is op zich misschien niet genoeg, maar bij elkaar waarschijnlijk wel.

  • Taal of munteenheid, mits die niet ook in je eigen land gebruikelijk zijn (Nederlandse ondernemers richten zich dus niet automatisch op België, maar met Noorse tekst en prijzen in kroner richt je je als Nederlander wel op Noorwegen)

Ook leuk kan het worden als je met tussenpersonen werkt: als die jou vertegenwoordigen, dan wordt de beoordeling van hun websites aan jou toegerekend. Denk je dus alleen aan Nederlanders te leveren maar gaan je agenten in het Duits reclame maken, dan vallen boekingen van Duitsers onder Duits recht.

Wat zouden nog meer handige criteria kunnen zijn? Wat zijn op internet “duidelijke uitdrukkingen van de wil” om klanten uit een bepaald land binnen te halen?

Update (19 april) het Hof bepaalt in een ander arrest (C-523/10) dat advertenties bij een landgebonden domein (google.de) onder het recht van dat land vallen.

Arnoud

Wikileaks mirroren, mag dat?

wicki-leaks-pak-flauw-lek.pngKlokkenluiderssite WikiLeaks is inmiddels op honderden alternatieve locaties te bereiken, meldde Tweakers gisteren. De site riep het publiek op om mirrors aan te maken, om te voorkomen dat de onder vuur liggende website het zwijgen wordt opgelegd. Maandagnacht zouden er al 355 mirrors wereldwijd zijn. Ook in Nederland zijn er diverse mirrors, en als ik mijn inbox zo bekijk dan zouden dat er nog best wat meer kunnen zijn. Want ik krijg van nogal wat mensen de vraag: mag ik een Wikileaks-mirror opzetten in Nederland?

Het juridisch risico zit hem in het feit dat de informatie van Wikileaks gelekte Amerikaanse staatsgeheimen lijkt te bevatten. Het is strafbaar om staatsgeheimen van Nederland of haar bondgenoten (dus ook de VS) te verspreiden, zo staat in artikel 98 Strafrecht:

Hij die een inlichting waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden, een voorwerp waaraan een zodanige inlichting kan worden ontleend, of zodanige gegevens opzettelijk verstrekt aan of ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanige inlichting, een zodanig voorwerp of zodanige gegevens betreft, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Ik weet dat de Wikileaks-documenten niet de allerhoogste categorie staatsgeheimen zijn, maar dat maakt voor dit wetsartikel niet uit. Ook ‘lagere’ gerubriceerde informatie valt hieronder.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat de informatie al openbaar is en dus niet langer geheim. Maar ik begrijp uit de literatuur dat het feit dat informatie al elders gelekt is, niet automatisch betekent dat de status ‘staatsgeheim’ kwijt is. Hoewel dat meer lijkt te gaan over een eerder kleinschalig lek. In deze rechtszaak mocht de NOS een item uitzenden waarin staatsgeheime informatie aan bod kwam, omdat

Verder kan de vermelding dat [E.O.] in het verleden van een van deze eenheden deel heeft uitgemaakt moeilijk nog als staatsgeheim worden aangemerkt, nu, daargelaten of deze vermelding juist is, dit reeds eerder bekend is geworden.

Ik weet niet hoe bekend dat feit uiteindelijk was, maar de Wikileaks-publicatie zijn zó wijd en zijd verspreid en overgenomen dat ik hier toch wel zou willen concluderen dat deze informatie onmogelijk nog als ‘geheim’ aangemerkt kan zijn.

Verder hebben we in Europa natuurlijk de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM), en dat is een zwaarwegend grondrecht. Dat geldt óók bij publicatie van informatie die staatsgeheim kan zijn. Om deze informatie te stoppen, zal de overheid moeten bewijzen dat het absoluut noodzakelijk is in het kader van de nationale veiligheid. En ook dat kan ik me moeilijk voorstellen: de informatie staat al op zo veel plaatsen, wat voor nut heeft het dan nog om hem bij één plek te verwijderen?

Het Hof Amsterdam formuleerde het eind 2009 als volgt in de AIVD/Telegraafzaak (zie ook de noot van Media Report):

Aangezien een journalist, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aanspraak kan maken op de in artikel 10, eerste lid, EVRM gewaarborgde vrijheid van informatieverstrekking, ook indien hij weet, of redelijkerwijs moet vermoeden, dat zijn publicatie gegevens bevat die onder een wettelijke geheimhoudingsplicht vallen, kan uit diens publiceren van gegevens die (in enige gradatie) als ‘staatsgeheim” zijn bestempeld niet zonder meer het ernstige vermoeden worden afgeleid dat hij een gevaar vormt voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.

Alles bij elkaar durf ik wel te zeggen dat een herpublicatie van Wikileaks-documenten niet snel tot juridische problemen kan leiden. Update: lees ook de juridische analyse in de comments en het artikel van ICT-advocaat Alberdingk Thijm die het juridisch wat somberder inziet. En nog een update: bij Webwereld hebben ze het OM gebeld en die zegt: “We kijken er wel naar, maar er zijn geen illegale activiteiten vastgesteld dus is er geen reden om de sites offline te halen”.

Wel tot praktische: je provider kan je (uit onwetendheid, angst of desinteresse) afsluiten zoals Amazon bij Wikileaks deed. Meestal bieden hun algemene voorwaarden daar wel een gaatje voor, en bovendien: heb je zin in een proces tegen je hostingbedrijf dat je site weer online moet?

En natuurlijk is er altijd het risico van een Hellfire-raket door je zolderraam.

Arnoud

Videosite 123video aansprakelijk voor uploads door gebruikers

Kim Holland heeft aan het langste eind getrokken in een rechtszaak tegen de videowebsite 123video, meldde DePers.nl gisteren. Op de videowebsite waren filmpjes van de pornoster geupload, en de rechtbank Amsterdam oordeelt nu dat de site-exploitanten daarmee het auteursrecht van Holland geschonden hebben. Dat het gebruikers waren die de filmpjes uploadden, acht de rechtbank irrelevant: omdat 123video de filmpjes bekeek en zo nodig verplaatste naar de juiste categorie, kan ze niet meer claimen slechts een dienstverlener te zijn.

Op 123video kunnen gebruikers zelf filmpjes uploaden in diverse categorieën, waaronder “XXX – Erotiek & Sex”. Eind 2007 en begin 2008 werden er filmpjes geüpload van Kim Holland, die daarvoor de site aansprakelijk stelde. De site had de uploader in vrijwaring opgeroepen, maar dat bleek uiteindelijk geen praktisch haalbare kaart. 123video verweerde zich vervolgens zelf, met als hoofdargument dat zij niet aansprakelijk is voor auteursrechteninbreuk. 123video ziet zich als een tussenpersoon, een dienstverlener die mensen filmpjes laat uploaden maar zelf geen bemoeienis heeft met de inhoud. En volgens art. 6:196c BW is zo’n tussenpersoon niet aansprakelijk voor eventuele inbreuken door uploaders.

De rechtbank denkt daar anders over:

123 Video komt met volledige kennis van de gevolgen van haar gedrag tussen om aan bezoekers van haar site toegang tot beschermde werken te verlenen. Zij heeft op haar website een aparte categorie voor pornovideo’s aangemaakt, waardoor de op haar site geplaatste pornovideo’s voor gebruikers eenvoudig toegankelijk zijn. Video’s die in de categorie XXX niet thuishoren, maar daar desalniettemin zijn geplaatst, verplaatst 123 Video (al dan niet na een melding) naar een andere categorie.

Daarbij neemt de rechtbank voor onweersproken en dus waar aan dat:

Bijna alle andere grote online pornosites hebben hetzelfde gedaan: eerst veel materiaal naar de site laten uploaden. Dat genereert het nodige verkeer naar de site. … Zodra er voldoende verkeer naar de site is, wordt de content gelegaliseerd. … De rechtbank houdt het er daarom voor dat de aanwezigheid van illegale content binnen de categorie XXX eerder regel dan uitzondering was.

123video faciliteert dus niet slechts het uploaden van filmpjes maar publiceert ze zelf opnieuw. En daarbij mag ze géén beroep doen op de uitsluiting voor aansprakelijkheid voor tussenpersonen: 123 laat zich “wel degelijk in met de van gebruikers afkomstige informatie, alsmede dat zij controle heeft over die informatie en de gebruikers van de website van 123 Video”.

Hier schemeren de vonnissen uit de Mininova– en Stokke/Marktplaats-zaken doorheen: van een dienstverlener mag worden verwacht dat hij maatregelen neemt tegen illegale content, en als dat onvoldoende blijkt dan kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade. Maar de rechtbank neemt hier wel erg makkelijk aan dat 123video te weinig heeft gedaan. Wat 123video doet is niet meer dan wat elke communitysite doet: modereren en verplaatsen van dingen zodat het overzichtelijk en netjes blijft (nou ja, voor zover een pornosite netjes is).

Ik vind dat bijzonder zorgelijk: het kan echt niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om alléén de puur passieve dienstverlener te beschermen, en partijen die ook maar de geringste controle uitvoeren meteen ten volle aansprakelijk te houden. Het wordt tijd voor een aparte exceptie voor dienstverleners als 123video: wie zijn best doet een site netjes te houden, mag daar niet voor worden gestraft.

Omdat niet duidelijk is of Holland de auteursrechten heeft op de gewraakte filmpjes (er is nogal wat geschoven met BV’s), houdt de rechtbank de zaak aan tot Holland met bewijs daarmee komt. Maar ik begrijp van 123video dat ze toch nu al in hoger beroep gaat tegen de conclusie dat zij aansprakelijk is voor wat gebruikers uploaden.

Update (10 maart 2011): er is geschikt dus het hoger beroep zal wel van de baan zijn.

Arnoud

PompenGids niet aansprakelijk voor onjuiste bedrijfsinformatie

pompengids.pngEen bedrijvengids mag zich baseren op informatie van gebruikers, en hoeft niet per definitie in te grijpen als een dealer klaagt dat er onjuiste informatie staat over wie gerechtigd is een product te leveren. Dat blijkt uit een recent vonnis over de PompenGids. De rechtbank stelt de gids op één lijn met hostingpartijen en oordeelt dat deze pas aansprakelijk is als ze weet dat informatie onjuist is én dan onvoldoende doet om het probleem op te lossen.

Op de site PompenGids.net wordt informatie aangeboden over welke pompleverancier de juiste pomp voor de juiste klus heeft, en wie welk merk vertegenwoordigt in Nederland. Pompenleverancier VW&B ontdekte dat op PompenGids andere bedrijven vermeld stonden als leveranciers van de pompen waar zij het exclusieve verdeelrecht op had.

VW&B sprak de site daarop aan, waarna die snel een disclaimer toevoegde:

U mag binnen PompenGids onder uw eigen verantwoordelijkheid UITSLUITEND de door u gevoerde merken toevoegen waarvan u meent dat u daartoe gerechtigd bent. Door u niet gevoerde merken mogen niet toegevoegd worden.

Ook stuurde men een mail naar alle leveranciers die hadden gemeld de merken te leveren waarvan VW&B had gezegd de exclusieve dealer te zijn. Dat leverde voor VW&B te weinig op en zij stapte naar de rechter.

Die concludeert in het vonnis dat een partij als PompenGids niet automatisch aansprakelijk is voor foute informatie geplaatst door gebruikers:

Van onrechtmatig handelen door [PompenGids] is pas sprake als hij daadwerkelijk weet of redelijkerwijs moet weten dat de informatie in het register onwettig is en hij dan niet prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

Dit is natuurlijk precies de formulering uit de wet voor hostingpartijen (art. 6:196c BW) en het verheugt me dat de rechter deze van toepassing acht op deze bedrijvengids.

De vraag is dan: als een dealer klaagt dat hij de exclusieve dealer is, moet de bedrijvengids dan ingrijpen? Moet hij dan weten dat de informatie van andere verkopers onjuist is? Nee, aldus de rechter: het is goed denkbaar dat een ander tóch ook die merkproducten mag verkopen. Hij kan ze legaal via parallelimport hebben verkregen of als subdealer optreden.

Dit betekent dat de enkele kennisgeving over de aanwezigheid van onrechtmatige informatie niet voldoende is voor de conclusie dat [gedaagde] wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de informatie een onrechtmatig karakter heeft.

Wel moet de PompenGids een onderzoek starten als ze een onderbouwde klacht als die van VW&B binnenkrijgt. Alleen maar een disclaimer toevoegen is niet genoeg: gezien het kleine aantal bedrijven waarover werd geklaagd (23 stuks) had hij ze meteen moeten navragen hoe het zit. De formulering in het vonnis (overweging 5.6) loopt wat raar, maar het komt er op neer dat hoewel de gids wat traag was, de rechter daar geen onzuivere motieven achter ziet en de handelwijze van de gids dus toch als correct bestempelt.

Komt er geen reactie van de bedrijven, dan zal de PompenGids toch zelf iets moeten doen. De korte tijd tussen dagvaarding, mails en zitting was te kort om daar nu iets over te zeggen. Een beetje jammer, want nu hebben we geen antwoord op de vraag of je uit stilzwijgen mag concluderen dat de klacht terecht is?

Alles bij elkaar een mooi vonnis, dat keurig weergeeft hoe de praktijk rond notice en takedown moet verlopen. Treed op bij serieus uitziende klachten en benader de klant: klopt dit, wat vindt u hiervan en graag binnen redelijke termijn uw reactie. Komt er geen reactie, dan zul je zelf moeten optreden. Ik dénk dat dat dan betekent dat je het bericht toch maar moet verwijderen, maar wel niet-destructief zodat het terug kan als er een verlate reactie binnenkomt.

Arnoud

Verwijzen naar betaalde normen in wetten toegestaan

#include <NEN7510.pdf> in een wet is legaal, ook als de PDF alleen tegen betaling verkrijgbaar is. Oftewel: een wet mag naar extern vastgestelde normen en standaards verwijzen, zonder dat daarbij verplicht is dat die norm zelf ook als wet wordt gepubliceerd. Dat bepaalde het Gerechtshof Den Haag onlangs. Hiermee wordt het vonnis uit begin 2009 dat zo'n norm (standaard) publiekelijk bekendgemaakt te zijn, (en vrijelijk gekopieerd mag worden) ongedaan gemaakt.

Deze zaak loopt al sinds 2006. Bouwadviesbureau Knooble was naar de rechter gestapt over de toegankelijkheid van technische normen voor gebouwen. Wie wil bouwen, moet zich van Woningwet en Bouwbesluit houden aan technische eisen die alleen te vinden zijn in NEN-normen, opgesteld door het NNI. Om daar een kopie van te krijgen, moet betaald worden (gemiddeld zo'n 60 euro per norm). Knooble vond dat als de wet voorschrijft dat je je aan een norm moet houden, die norm voor iedere burger vrij en gratis beschikbaar moet zijn.

In eerste instantie kreeg Knooble gelijk: door een referentie ernaar in de wet wordt een technische specificatie "algemeen verbindend", want door het wetsartikel ben je verplicht te doen wat in de norm staat. En hoewel nergens (meer) in de wet staat dat iedereen geacht wordt die te kennen, is het toch wel de bedoeling dat wetten en regels openbaar in te zien zijn door iedereen.

Het Hof komt daar nu op terug, in wat wat Knooble een "teleurstellende en onbegrijpelijke uitspraak" noemt: de beroepsgroep weet waar die normen te vinden zijn, de kosten zijn ook niet onoverkomelijk en een maatschappelijk probleem is er al helemaal niet. Er is dus geen reden om de normen te behandelen als wetten en te eisen dat ze in het Staatsblad komen en daarna publiek domein worden. Als dit toch wenselijk zou zijn, dan moet de wetgever daar wat over regelen.

Belangrijke overweging daarbij lijkt te zijn geweest dat de betreffende normen alleen "reken-, meet of regelmethoden standaardiseren" en niet zelf eisen stellen. Zeg maar: het woordenboek stelt vast wat woorden betekenen, maar omdat er woorden in wetten staan hoeft het woordenboek ook niet gratis te zijn. Dat houdt dus nog de deur voor een kiertje open: als er daadwerkelijk een eis in zo'n norm zou staan die de burger iets verbiedt of verplicht, dan is er misschien nog een betoog mogelijk dat er dán wel een vrije publicatie van de norm beschikbaar moet zijn.

Update (11 mei 2011) ik lees bij Boek 9 dat recent is bepaald bij Regeling van de Minister-President (nr. 3102255):

Op normalisatienormen rust auteursrecht zodat zij alleen tegen betaling bij het normalisatie-instituut kunnen worden verkregen. Om die reden is het dwingend opleggen van dergelijke normen in regelgeving minder wenselijk. ... In het algemeen heeft het toepasselijk maken van de norm op facultatieve basis dan ook de voorkeur.

Dit leidt tot een 'Aanwijzing' dat "Verwijzing in een regeling naar toe te passen normalisatienormen geschiedt in beginsel op een niet-dwingende wijze."

Update (30 maart 2012) er is cassatie aanhangig, de advocaat-generaal concludeert na zéér uitvoerige aanloop dat Knooble's claims moeten worden afgewezen. Heel kort samengevat: Verwijzen naar een norm in een wet maakt die norm nog geen wet, ook niet als die norm dwingend voorgeschreven is. Bovendien kun je altijd gratis naar het NNI en daar ter plaatse de normen lezen zonder iets te hoeven betalen.

Update (22 juni 2012) in cassatie verliest Knooble. Het NNI maakt geen wetten, dus hoeven normen niet in het Staatsblad. En verwijzen naar een norm maakt die norm geen wet, ook niet als het verplicht is om de norm te volgen omdat je anders de wet schendt. Eerder oordeelde de Raad van State in vergelijkbare zin.

Arnoud

Provider moet verkeersgegevens afgeven bij notaris

Opmerkelijk: een ex-werknemer moet zijn internetprovider verzoeken zijn verkeersgegevens betreffende zijn privé-internetgebruik ter bewaring te geven aan notaris. Dit omdat zijn werkgever hem beschuldigt van computervredebreuk en die verkeersgegevens nodig heeft als bewijs. Dat vonniste de rechtbank Alkmaar vorige week.

De ex-werknemer was op staande voet ontslagen wegens computervredebreuk. Het lijkt te zijn gegaan om “inloggen op een plek waar je niet mocht komen”, maar het is wat lastig tussen de regels door lezen hoe dit zit. Wel valt me op dat de kantonrechter toch zo zijn twijfels had bij de klacht: de ontslagprocedure resulteerde in een ontslagvergoeding van 28.000 euro voor de ex-werknemer in eerste instantie.

Vervolgens deed de werkgever aangifte van computervredebreuk. Daarbij kreeg hij te horen:

dat onderzoek zal worden gedaan naar de mogelijkheid om tot vervolging van Gedaagde over te gaan, maar dat dit onderzoek in verband met capaciteitsgebrek niet op korte termijn zal plaats vinden.

Daarbij speelde wel één probleem: om te bewijzen dat de ex-werknemer inderdaad illegaal zou zijn binnengedrongen bij het bedrijfsnetwerk (of de privé-Hotmail van de directeur), zijn eigenlijk alleen de verkeersgegevens van de provider betrouwbaar. De werkgever had natuurlijk ook logfiles, maar de ex-werknemer stelde expliciet dat deze gemanipuleerd zouden zijn.

Die kan de officier van justitie opvragen (art. 13.2a Telecommunicatiewet) als het gaat opsporing bij ernstige misdrijven, en computervredebreuk kan daar onder vallen. Alleen, die gegevens worden na een jaar gewist, en het feit zou in mei 2010 zijn gepleegd. Als de politie dus niet in beweging komt vóór mei 2011, dan zou de provider het bewijs waarschijnlijk vernietigen. Vandaar de eis: deponeer die gegevens bij de notaris.

De werkgever was kennelijk al met de provider gaan praten, want zo lees ik:

Eiser heeft met de internetprovider van Gedaagde – die de gegevens onder zich heeft – reeds een afspraak gemaakt over het afgeven van de bedoelde verkeersgegevens. Het betreft hier echter de gegevens die zien op het internetgebruik van Gedaagde en met het oog op de privacywetgeving waaraan de internetprovider gebonden is, is het nodig dat Gedaagde instemt met de afgifte, nu het hier geen afgifte in het kader van een strafrechtelijk onderzoek betreft.

Het is niet heel duidelijk waar deze constructie op gebaseerd is. Het lijkt qua taalgebruik aan te sluiten bij de Wet Bescherming Persoonsgegevens (deze verkeersgegevens zijn immers persoonsgegevens) en afgifte vereist dan toestemming van de betrokken persoon. Maar dit lijkt wel te botsen met artikel 13.5 van de Telecomwet, dat volgens mij geen ruimte biedt voor afgifte aan wie dan ook behalve de bevoegde instanties.

Aan de andere kant, ik snap het wel: je wilt ook niet dat bewijs verloren gaat, en doordat het bij een notaris ligt, is de kans op misbruik denk ik verwaarloosbaar.

Arnoud