Google Streetview is volgens mij toch echt commercieel

Sinds kort heeft Google Streetview een nieuwe feature: als je op een plek komt waarbij gegeotaggede Flickr-foto’s beschikbaar zijn, dan kun je die bekijken. Handig, maar er gaat wel iets fout want er komen ook gewoon Creative Commonsfoto’s in beeld die niet commercieel gebruikt mogen worden (bedankt, Marco).

Bij bijvoorbeeld het Zeeheldenkwartier in Den Haag staan linksboven een viertal kleine thumbnails waaronder één van Akbar Simonse. Nu zijn die thumbnails op zich te verexcuseren onder citaatrecht, maar als je erop klikt dan krijg je echt de foto zelf in groot formaat te zien en dat is geen citaatrecht meer:

den-haag-foto-google-streetview-creativecommons.jpg

Op de Flickr-pagina staat duidelijk dat deze foto Creative Commons is maar wel met de “nietcommercieel” optie. En een Streetviewpagina met advertenties erop lijkt mij commercieel.

Nu dacht ik even dat er in de algemene voorwaarden van Flickr iets zou staan als “oh ja wij mogen je foto’s verkopen aan iedereen” maar dat staat er dus niet in. En een andere manier waarop dit zou mogen, zou ik zo niet weten.

En een incidenteel foutje is het niet: ik vond ook een Eindhovense foto van ene Noud (nee, iemand anders) met ook wederom de commerciële rechten voorbehouden.

Ik vermoed dus dat Google gewoon de hele CreativeCommons-stream van Flickr gebruikt en niet kijkt naar de specifieke labeltjes zoals “geen afgeleide werken” of “niet voor commercieel gebruik”. Jammer, want bij Creative Commons zijn dat soort checks juist heel eenvoudig omdat die informatie ook machineleesbaar aangeleverd wordt.

Arnoud

Mogen wij illegale-Windowsgebruikers wel helpen?

genuine-microsoft.jpgEen lezer vroeg me:

Op ons forum helpen we computergebruikers met het verwijderen van virussen, spyware en dergelijke. Nu zegt een van onze leden dat wij mensen niet toe mogen laten die een illegale versie van Windows gebruiken, omdat we dan medeplichtig zijn aan het schenden van auteursrechten van Microsoft. Is dat zo?

Juridisch zie ik geen redenen om iemand hulp te weigeren omdat diens Windows-versie illegaal zou zijn. Nog afgezien van de vraag of die vaststelling terecht is: het is een bekend probleem dat Windows niet altijd correct zichzelf ‘genuine’ verklaart.

Formeel is opzettelijke inbreuk op het auteursrecht een misdrijf (art. 31 Auteurswet). Echter, niet elke nongevalideerde Windows-installatie is inbreukmakend. Een licentieschending is niet automatisch een inbreuk op het auteursrecht.

Maar zelfs als de inbreuk vast zou staan, bv. omdat de poster meldt dat hij een gekraakte Windows gebruikt, dan zie ik nog niet in hoe een forumparticipant strafbaar zou handelen door deze poster te helpen. De inbreuk is al gepleegd, en je kunt daar niet achteraf nog eens medeplichtig aan zijn. Van medeplichtigheid kan alleen sprake zijn als je betrokken bent bij de inbreuk zelf, het kraken en installeren van de software dus.

Natuurlijk mag je als forumlid beslissen dat jij mensen niet wilt helpen, ongeacht de reden. Maar dat is dan een eigen keuze en niet een wettelijke plicht of zo.

Arnoud

Samenwerken en auteursrecht

Begin deze maand stelde nl-x de vraag:

Wie heeft nu eigenlijk de auteursrechten? De fotograaf, omdat hij een camera meenam en op een knopje drukte? De opdrachtgever die de compositie, kleding en model bepaalde? De persoon die uiteindelijk de foto’s bijknipte? Iedereen afzonderlijk? En zo ja, heeft iedereen dan ook veto-recht?

Hoofdregel is dat wie het werk maakt, de auteursrechten heeft. Niet degene met het idee, niet degene die betaalt, niet degene wiens producten op de foto staan en niet degene die de foto’s zal gaan publiceren. (Een uitzondering is wanneer de maker in dienst is bij een ander; die ander is dan auteursrechthebbende.)

Veel opdrachtgevers denken dat omdat zij betalen of omdat zij aangeven wat er op de foto moet, zij de rechten daarop hebben. Dat is niet zo. Pas als ze zich inhoudelijk gaan bemoeien met de compositie kan dat anders worden. Je moet dus kortweg de regisseur van de scene zijn en aan kunnen tonen welke creatieve aspecten die op de foto te zien zijn, aan jouw brein zijn ontsproten.

In de situatie uit de vraag zouden de fotograaf en de opdrachtgever waarschijnlijk een gezamenlijk auteursrecht hebben, omdat ze allebei creatieve inbreng in de foto’s leverden die niet te scheiden is. In dat geval moeten ze samen afspraken maken over exploitatie, omdat ze los van elkaar tegen inbreuk mogen optreden (art. 26 Auteurswet) en dus niet zonder elkaar toestemming kunnen geven voor bepaald gebruik. (Dit is anders in bv. de VS, waar iedere rechthebbende los van de anderen toestemming kan geven voor elk gebruik van het werk.)

Voor software geldt dezelfde regel; maak je samen een programma dan moet je dus samen afspreken onder welke licentie je dat op de markt wil brengen. Doe je dat niet, dan kan je mede-auteur iedere licentie die jij geeft, ernstig frustreren.

Arnoud

Snuffelen in mailboxen: het mag

Het is één van de meest gestelde vragen die ik krijg: mag mijn baas snuffelen in mijn mailbox? Hoofdregel is dat dat niet zomaar mag, tenzij er een zeer zwaarwegende reden is om het wel te doen. En zo’n reden leek er te zijn in de zaak uit dit arrest van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in (o.a.) ambtenarenzaken. In deze zaak was een ambtenaar ontslagen, en de inhoud van haar mailbox stond daarbij centraal.

Het bestuur van de KVK Midden Nederland had een anonieme brief ontvangen in een interne envelop, waar de nodige zwartmakerij en ander moddergooien in stond. Daar werd een recherchebureau op gezet (waarom is dat altijd Hoffman). Dat had het originele idee om de mailboxen van medewerkers te doorzoeken om na te gaan van welke computer die brief afkomstig was. Inderdaad, mailboxen doorzoeken om de oorsprong van een papieren brief na te gaan.

Niet zo gek als het lijkt, want de brief bevatte een aantal zeer specifieke termen, en die werden ook teruggevonden in een aantal e-mails van de betrokken ambtenaar. De anonieme brief zelf werd niet aangetroffen, maar uit de mails en de rest van het onderzoek bleek dat zij “uiterst denigrerende uitlatingen had gedaan over collega’s, leidinggevenden en de organisatie, alsmede … frequent het internet voor privédoeleinden raadpleegde.” Op grond van deze bevindingen werd zij uiteindelijk ontslagen.

Bij het beroep tegen haar ontslag voerde de ambtenaar aan dat de KVK niet zomaar haar mailboxen mocht doorzoeken. De Raad verwerpt dit beroep:

Het bestuur had voldoende grond om één van zijn mede-werkers te verdenken van het schrijven van de anonieme brief en heeft in redelijkheid kunnen besluiten hiernaar een onderzoek in te stellen. De wijze waarop dit onderzoek heeft plaatsgevonden acht de Raad niet disproportioneel, nu dit werd uitgevoerd door een extern bureau en zich in eerste instantie uitstrekte tot het anoniem doorzoeken van alle e-mailboxen op de aanwezigheid van (twee) zoektermen, ontleend aan de inhoud van de anonieme brief.

Het bestuur had daarmee een gerechtvaardigd belang had om de e-mailbox van de betrokkene in te zien. En op grond van dat belang mocht zij optreden tegen de in die mails gedane uitlatingen. Dat de mails niet direct met de anonieme brief te maken hadden, was daarbij niet relevant:

Dat daarbij ook berichten zijn aangetroffen, die niet onmiddellijk zijn te herleiden tot de aan Hoffmann gegeven onderzoeksopdracht, betekent niet dat het bestuur die berichten niet ook bij zijn oordeelsvorming mocht betrekken.

Echter, het Hof vindt de sanctie van ontslag uiteindelijk te zwaar. De mails waren niet aan de hele afdeling gericht, maar alleen aan een beperkt aantal (oud-)collega’s. Ook op andere wijze had zij niet de sfeer op de afdeling negatief beïnvloed. En daarnaast zat zij al in een ‘verbetertraject’ vanwege haar eerder functioneren. Om daar nu ineens vanaf te wijken en tot ontslag over te gaan, was voor het Hof niet gepast.

Ik vind het wel een beetje merkwaardig hoe men van een brief naar mailboxen naar ontslag vanwege roddelmails naar ex-collega’s gaat, maar eerlijk gezegd zie ik niet waarom dit niet zou moeten kunnen.

Arnoud

“Onze algemene voorwaarden staan op onze website”, mag dat nu toch?

Ter hand stellen van algemene voorwaarden via internet, het blijft een moeilijk verhaal. Ook in de rechtspraak. Afgelopen donderdag oordeelde de rechtbank Maastricht nog dat “vermelden dat de algemene voorwaarden ‘staan vermeld op de website” onvoldoende is”. Maar eerder diezelfde week verscheen een arrest van het Hof Den Bosch waarin de algemene voorwaarden bij een zakelijk contract juist wél rechtsgeldig waren aangeboden dankzij deze tekst:

Storage activities are subject to the Warehouse Conditions Amsterdam-Rotterdam, filed with the Registrars of the District Courts of Amsterdam and of Rotterdam, latest version.(..) A copy of these conditions will be sent to you free of charge immediately upon your request or they can be viewed on [website]”.

Een beetje raar, want dit zijn de vereisten uit artikel 6:234 lid 1 sub b BW, en dat artikel geldt alleen wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om de voorwaarden aan de wederpartij te overhandigen. Hoezo zou dat niet kunnen, denk ik dan, voeg ze gewoon bij de mail?

Het Hof zoekt het echter bij de elektronische overeenkomst, wat ook in artikel 6:234 lid 1 BW genoemd wordt. Bij een elektronische overeenkomst mag je de algemene voorwaarden “langs elektronische weg ter beschikking stellen”, zeg maar als PDF meesturen met je offerte. Dat is hier dus niet gebeurd, verwijzen naar een website is niet “beschikbaar stellen”.

Maar volgens het Hof telt hier “het gegeven dat de voorwaarden via de aangegeven website kenbaar waren, hetgeen ingevolge artikel 6:234 lid 1 sub c BW in dit geval toereikend is.”

Ik vermoed dat het Hof zich hier laat leiden door de bijzin uit sub c dat het genoeg is als je

aan de wederpartij heeft bekend gemaakt waar van de voorwaarden langs elektronische weg kan worden kennisgenomen, alsmede dat zij op verzoek langs elektronische weg of op andere wijze zullen worden toegezonden

maar dat zou fout zijn want deze bijzin geldt alleen als het redelijkerwijs niet mogelijk is om de voorwaarden elektronisch mee te sturen, bijvoorbeeld als je een overeenkomst per sms sluit. Een andere verklaring voor deze interpretatie kan ik echter niet bedenken.

In 2007 oordeelde ook de rechtbank Haarlem in deze lijn. De motivatie was daar dat “op een website zetten en URL meesturen” tegenwoordig een doodnormale manier van aanleveren van documenten is. Ik denk niet dat het Hof Den Bosch deze zaak kende (hij wordt niet geciteerd in het vonnis) maar men lijkt dezelfde aanname te doen.

Hoewel het volgens mij niet klopt volgens de tekst van de wet, is het ergens wel sympathiek om het zo te kunnen doen. Al was het maar omdat het een hoop nodeloze bijlagen (plus mails met “je was de bijlage vergeten”) zou schelente vergen. Dus zullen we met z’n allen maar afspreken dat we dit normaal vinden vanaf nu?

Arnoud

Spywareboete DollarRevenue in stand gehouden (vrijwel dan)

dollarrevenue-floepvensters-balken.pngDe OPTA heeft een bedrijf en een persoon onterecht een boete opgelegd voor betrokkenheid bij de DollarRevenue-spywarezaak, meldde Tweakers gisteren. Een wat merkwaardige insteek: je zou denken dat het grote nieuws is dat de EULA bij de adware/spyware als onvoldoende duidelijk werd aangemerkt en je niet langs deze weg legaal software mag installeren. Dat de OPTA dan ten onrechte één BV en één van de directeuren privé had beboet, lijkt me dan meer iets voor de vierde alinea.

De boete werd opgelegd in 2007 vanwege het ongevraagd installeren van software, wat namelijk in strijd is met de Telecommunicatiewet, of beter gezegd het Besluit Universele Dienstverlening en Eindgebruikersbelangen (Bude). Het bedrijf DollarRevenue bood via allerlei affiliates een downloader aan, dat nadat het was geïnstalleerd op de computer van een eindgebruiker, zonder tussenkomst van die eindgebruiker automatisch contact opnam met de DollarRevenue server om daar nog meer software te downloaden. Daardoor kreeg de eindgebruiker een stroom van reclameboodschappen in floepvensters en een extra zoekbalk in de taakbalk van Windows XP, plus nog de nodige narigheid.

dollarrevenue.pngNou mag dat op zich allemaal wel, mits je maar de gebruiker vooraf vertelt wat hij gaat downloaden. Dat was hier niet gebeurd: de software werd via botnets verspreid maar ook als ActiveX control aangeboden. En vanwege dat laatste maakten de DollarRevenue-jongens bezwaar tegen de boete. Bij ActiveX wordt namelijk een EULA getoond, en daar stond het allemaal heus in. Zeker sinds SP2, waarbij Microsoft de informatievoorziening rond installeren van ActiveX controls had uitgebreid.

Daar trapte de verrassed cluevolle rechtbank niet in:

Bij XP SP2 wordt immers uitsluitend algemene informatie verstrekt over de toepassing van ActiveX en wordt er geen informatie gegeven over de doeleinden en plaatsing van de downloader, de loader.exe en de advertentiebundel. Het duidelijk verschaffen van informatie komt neer op de invulling van ‘Name’ en ‘Publisher” in het standaard ActiveX venster. Met betrekking tot de naam is het vermelden van ‘Click here to agree to this download”, zoals bij DollarRevenue, ontoereikend. Deze ruimte dient immers gebruikt te worden om de naam van de software kenbaar te maken. In bijvoorbeeld het ActiveX venster van Adobe Flash Player staat duidelijk om welke software het gaat, namelijk de Flash Player. Dit is met de naam ‘click here to agree to this download niet het geval.

(Een rechter die Flash installeert? Het moet niet gekker worden.)

De DollarRevenue jongens hadden nog wat achter de hand: in de EULA stond deze toch niets aan duidelijkheid overlatende zin:

Carefully read the following license agreement and the partner software application eulas found at the above online sites, because by downloading or installing, registering for, or using the software and/or partner application software, you are consenting to be bound by and are becoming a party to these agreements applicable to your software.

Maar het noemen van een EULA plus verwijzing naar die van anderen is toch bezwaarlijk uit te leggen als voldoende duidelijke uitleg over wat deze software nu gaat doen. Verwijzen naar EULAs van advertentiebedrijven helpt daarbij niet.

Bij andere verspreidingsvormen, zoals via dat botnet of via de silent install optie (bedoeld om de eindgebruiker “een overdaad aan informatieschermen te besparen”, hoe krijg je het verzonnen) en via exploits, werd zelfs helemaal niets in beeld gebracht. Dus hoe dan ook werd artikel 4.1 Bude overtreden.

Na een kort intermezzo over de bevoegdheid (veel gebruikers van deze software woonden buiten Nederland, maar dat bleek niet relevant) maakt de rechtbank vervolgens korte metten met het argument dat het allemaal de schuld van de affiliates was. DollarRevenue verspreidde de software ook zelf, en had bovendien niets gedaan om te controleren dat de affiliates zich netjes zouden gedragen.

Arnoud

Nee, het is een uitprobeertermijn en geen zichttermijn!

Afgelopen dinsdag sprak ik er al mijn irritatie over uit: webwinkels die zeggen dat een product wel teruggegeven mag worden binnen zeven werkdagen, maar alleen in ongeopende, originele staat. De Wet Koop op Afstand geeft je een uitprobeerrecht: je mag het uitpakken en aanzetten, aandoen of omdoen (maar niet indoen, vanwege hygiëne) zodat je kunt zien wat je hebt gekocht en of dat bevalt. Je moet zorgen dat de verpakking en het product niet nodeloos beschadigd raken, want daarvoor moet je een schadevergoeding betalen.

De vraag is dan natuurlijk, wanneer is iets nu “uitproberen” en wanneer wordt het “gebruiken”?

In een juridisch artikel geeft professor Marco Loos (UvA) nu antwoord op die vraag. Hij baseert zich op het Quelle-arrest en het Messner-arrest, die allebei gingen over het recht van ontbinding: Quelle bij vervanging van een niet-conform product en Messner bij de (verlengde) zevenwerkdagentermijn. In beide gevallen oordeelde het Europese Hof van Justitie dat er inderdaad geen kosten in rekening mochten worden gebracht voor het uitoefenen van dit recht. Dit omdat zulke kosten de consument kunnen afschrikken van het uitoefenen van dit recht.

In het Messner-arrest vermeldt het Hof daarbij:

Het herroepingsrecht wordt dus geacht het nadeel te vergoeden dat de consument lijdt bij een op afstand gesloten overeenkomst, door hem een passende bedenktijd toe te kennen waarin hij het verworven goed kan keuren en uitproberen.

Inderdaad: uitproberen. Iedereen die dus roept dat je alleen maar de doos mag bekijken (“zichttermijn”) heeft het bij deze fout. Maar wat is dan uitproberen? Loos noemt een aantal voorbeelden, waar sommige webwinkeliers van op zullen kijken:

  • Het mogen passen van een kledingstuk.
  • Een proefwasje draaien met een wasmachine.
  • Een kopje koffie zetten met een koffiezetter.

Wel stelt het Hof grenzen aan het gebruik, als dat is “op een wijze die onverenigbaar is met de beginselen van burgerlijk recht”. Wie misbruik maakt van dat recht om een kopje koffie te zetten (bijvoorbeeld door het hele weekend de sportclub van koffie te voorzien) raakt het kwijt, of kan in ieder geval worden verplicht een schadevergoeding te betalen aan de webwinkel. Net zo goed mag je dus niet een dure jurk kopen, deze naar een gala aandoen en maandag de jurk retourneren op grond van de Wet Koop op Afstand. Het zal alleen wel lastig worden voor de winkel om te bewijzen dat dit is gebeurd, maar sporen van een stomerij zouden een stevige aanwijzing kunnen zijn. In ieder geval heeft de winkel de bewijslast dat de consument misbruikt maakt van het recht, aldus Loos.

Maar hoe overtuigen we nu al die webwinkeliers?

Arnoud

Waarom de inhoud van een belbundel een kernbeding is

Lezer Remko S. reageerde op mijn blogpost Hoe onbeperkt is “onbeperkt mobiel bellen en sms”en”? met de stelling dat er nogal makkelijk vanuit wordt gegaan dat wat er in algemene voorwaarden staat bindend is. Hij schreef onderstaande gastpost die ik met plezier hier plaats.

6GMOBILE B.V. biedt onder de naam Tringg 3G onbeperkt bellen, sms’en en data (3G) aan voor “29,95 per maand met een looptijd van 12 maanden. Op de voorpagina wordt opgemerkt dat er op de diensten van Tringg een fair use policy van toepassing is, deze wordt hier niet verder gespecificeerd. Tijdens het bestellen dient de potentiële klant akkoord te gaan met de algemene voorwaarden en te verklaren het abonnement alleen particulier te gaan gebruiken. Redelijk eigen gebruik betekent volgens artikel 5 van de algemene voorwaarden maximaal 1.250 belminuten + sms’jes en 1000MB aan data. Indien deze limieten worden overschreden kunnen er extra kosten in rekening worden gebracht en de dienst worden onderbroken totdat deze betaald zijn.

Het is gebruikelijk dat aanbieders van telecommunicatiediensten in hun algemene voorwaarden een gebruiksprofiel dat niet in redelijkheid van een consument kan worden verwacht uitsluiten, zoals ook 6GMOBILE dat doet. 6GMOBILE noemt als voorbeelden van oneigenlijk gebruik het gebruik van de SIM-kaart in andere apparaten dan een telefoon, voor tethering of als babyfoon. De vervolgens genoemde limieten, bijvoorbeeld gemiddeld 25 minuten bellen en 20 sms’jes versturen per dag, zijn echter geen onredelijk gebruik voor een klant die is binnengehaald met de belofte van onbeperkt gebruik.

Het aantal belminuten, sms”jes en MB’s aan mobiele data zijn bij een mobiele-telefoonabonnement de bedingen die de kern van de prestaties van de aanbieder aangeven, en die kunnen niet middels algemene voorwaarden worden overeengekomen. De wet zegt hierover in artikel 6:231a BW:

algemene voorwaarden: een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd;

De juiste interpretatie van dit artikel is door de Hoge Raad der Nederlanden verduidelijkt in een tweetal arresten. Als eerste arrest Assoud/Stichting de Nationale Sporttotalisator (HR 19-09-1997):

Zoals ook in de ontstaansgeschiedenis van dit artikel naar voren komt, mede in het licht van art. 4 lid 2 van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moet het begrip “bedingen die de kern van de prestaties aangeven” zo beperkt mogelijk worden opgevat, waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat “kernbedingen” veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt. Voor de vaststelling van wat daaronder moet worden verstaan is dan ook niet bepalend of het beding in kwestie een voor de gebruiker of voor beide partijen belangrijk punt regelt, maar of het van zo wezenlijke betekenis is dat de overeenkomst zonder dit beding niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn.

Als tweede arrest Weevers Stous/Stichting Parkwoningen Hoge Weide (HR 21-02-2003):

Zoals uit de parlementaire geschiedenis van die bepaling blijkt, dienen objectieve maatstaven te worden gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een kernbeding. Niet bepalend is of partijen zelf het beding tot kernbeding bestempelen. Evenmin is van belang of het beding een voor de gebruiker belangrijk punt regelt. Dat geldt ook als het gaat om een voor de gebruiker zó belangrijk punt dat hij zonder het beding de overeenkomst niet zou zijn aangegaan. Dat is immers een subjectieve maatstaf.

Wanneer niet bepaald is hoeveel belminuten, sms”jes en MB’s aan mobiele data er in een belbundel zitten is er geen verbintenis tot stand gekomen (artikel 6:227 BW: “De verbintenissen die partijen op zich nemen, moeten bepaalbaar zijn.”) Dit zijn de, als tegenprestatie voor het abonnementsgeld, door 6GMOBILE te verrichten diensten.

Het onderscheid tussen kernbedingen en overige bedingen, die wel in algemene voorwaarden kunnen worden opgenomen, is hier van belang omdat in het ene geval de limieten nooit overeengekomen en in het andere vernietigbaar zijn. Betreft het geen kernbeding dan kunnen ze op basis van onredelijk bezwarendheid (6:233 sub a BW) worden vernietigd. 6GMOBILE heft echter door haar handelswijze de mogelijkheid van vernietiging op: wie door wil gaan met bellen/sms’en/internetten moet per email bevestigen dat hij bereid is daarvoor bij te betalen. Daarmee vervalt ten gevolge van 3:55 lid 1 BW de vernietigingsgrond.

Wanneer het wel een kernbeding is dan is deze nooit aanvaard. Kernbedingen kunnen alleen bewust worden aanvaard, algemene voorwaarden ook ongelezen. Eventueel gedane bijbetalingen zijn dan ook onverschuldigd en kunnen worden teruggevorderd. In beide gevallen levert het onderbreken van de diensten wanprestatie op. Mocht de klant hierdoor schade lijden dan kan deze op 6GMOBILE worden verhaald (6:74 lid 1 BW). Uit art. 3:41BW (partiële nietigheid) en eventueel 3:42 BW (conversie) volgt dat de rest van de algemene voorwaarden, inclusief het verbod op onredelijk gebruik in stand blijft.

6GMOBILE zelf ziet, aldus het eerste punt in het derde artikel in haar algemene voorwaarden, de tekst op haar website echter niet als een aanbod dat via de bestelpagina aanvaard kan worden.

Aanbiedingen van Tringg zijn vrijblijvend en vormen een uitnodiging aan de Klant om zich voor de Diensten aan te melden. De overeenkomst komt tot stand op het moment dat de voor het gebruik van de Diensten benodigde SIM-kaart aan de klant wordt geleverd.

Dat dit niet de normale gang van zaken is is duidelijk verwoord door de Consumentenautoriteit in zaak 106/Tele2 Nederland B.V.:

De Consumentenautoriteit is voorts van oordeel dat het juridisch niet mogelijk is om een in afwijking van het uit artikel 6:217, eerste lid, BW voortvloeiende tijdstip van totstandkoming van de overeenkomst te bepalen in algemene voorwaarden. […] Een afwijkend tijdstip van totstandkoming van de overeenkomst is derhalve slechts mogelijk indien […] dit uitdrukkelijk voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de consument [was] medegedeeld.

Tenslotte is het voor klanten van 6GMOBILE verstandig, voor het geval dat 6GMOBILE de rechter ervan weet te overtuigen dat het hebben van een SIM-kaart als het enige wezenlijke onderdeel van een mobiele-telefoonabonnement kan worden gezien, kosteloos via het daartoe bestemde contactformulier te verklaren dat hij het “fair use” beding vernietigt omdat dit een wezenlijke beperking oplevert van hetgeen dat hij verwachtte. Deze reden staat vrijwel letterlijk in de zogenaamde “grijze lijst” (6:237 sub b BW), wat betekent dat het aan 6GMOBILE is om aan te tonen dat de limieten geen wezenlijke beperking zijn bij normaal gebruik door een consument.

Mocht 6GMOBILE geen gehoor geven aan bijvoorbeeld het verzoek de diensten te hervatten in het geval van afsluiting, het te veel betaalde terug te storten of dreigen met gerechtelijke stappen, dan kan de klant het geschil voorleggen aan de Geschillencommissie Telecommunicatie, waar de 6GMOBILE (daartoe bij wet verplicht) bij aangesloten is.

Gekaapte domeinnaam: terugkopen of terugvorderen?

Recht hebben en recht halen zijn twee heel verschillende dingen, en daar loop ik vaak tegenaan als mensen bij me komen omdat ze menen recht te hebben op een domeinnaam. Of het nu een concurrent is, een domeinkaper of een domeinslaper, vaak is er wel een juridische claim te verzinnen gebaseerd op het handelsnaamrecht of een eventueel geregistreerd merk.

Alleen: moet je die weg wel bewandelen? Het is namelijk een dure grap. Wil je naar de geschillenregeling van SIDN, dan kost dat 1500 euro alleen al aan administratieve kosten. De kantonrechter is ook een optie, als het gaat om een handelsnaam. Je bent dan 297 euro griffierechten kwijt. Bij een merk zul je naar de rechtbank moeten, en dan hebben we het over minstens een dikke 300 euro. Maar of je nu de arbiters van SIDN, de kantonrechter of de echte rechtbank neemt: zonder advocaat of jurist sta je een stuk zwakker, maar zo’n deskundige inschakelen is duur.

Wie beschuldigd wordt van inbreuk, weet dat ook, en kan daar gebruik van maken: bied als schikking aan de domeinnaam over te dragen maar vraag daar wel een redelijke vergoeding voor. En die valt dan toevalligerwijs net zo uit dat het zakelijk gezien beter is om er op in te gaan dan om die juridische procedure te gaan doorlopen. Dat is dan ook het advies dat ik meestal geef.

Het voelt niet lekker om zo’n domeinkaper geld te geven voor iets dat in wezen jouw eigendom is. Maar ja, principes kosten geld.

Arnoud

De afsluitkosten ongedaan maken, het kan!

Weet u nog, dat verbod op afsluitkosten bij een internetcontract? Dat is sinds enige tijd verboden op grond van de Telecommunicatiewet. Toch blijken er nog genoeg telecombedrijven te zijn die dit doen. Een lezer berichtte me echter over een succes bij InterNLnet, waar hij met enig aandringen erin geslaagd was om zijn in rekening gebrachte afsluitkosten ongedaan te maken. Hieronder zijn relaas:

In november 2009 had ik mijn internetabonnement bij InterNLnet opgezegd. Echter, kort daarna zag ik een bedrag van zo’n 90 euro op mijn bankrekening afgeschreven door het bedrijf. Meteen gebeld: dat waren dus de afsluitkosten die ik contractueel zou hebben afgesproken toen ik het abonnement aanging. Dat ik daarover niets kon terugvinden in hun algemene voorwaarden (die ik trouwens helemaal nooit had gekregen) mocht niet baten: afspraak is afspraak en het bedrag is verschuldigd.

Gelukkig vond ik toen artikel 7.2a Telecommunicatiewet, waarin keihard staat dat afsluitkosten niet toegestaan zijn. Ter informatie:

1: De overeenkomst tussen een aanbieder en een consument met betrekking tot de levering van een elektronische communicatiedienst of programmadienst die is aangegaan voor een onbepaalde duur, kan door de consument te allen tijde kosteloos worden opgezegd.

2: De overeenkomst tussen een aanbieder en een consument met betrekking tot de levering van een elektronische communicatiedienst of programmadienst die is aangegaan voor een bepaalde duur, kan na verloop van die duur stilzwijgend worden verlengd of vernieuwd, mits de consument de overeenkomst hierna te allen tijde kosteloos kan opzeggen.

Ik heb dit aan InterNLnet voorgelegd met de mededeling dat ik dit als geschil bij de Geschillencommissie telecom aanhangig zou maken als zij niet meteen het bedrag zouden terugbetalen.

InterNLnet reageerde daarop met de verrassende mededeling dat dit verbod op afsluitkosten alleen geldt voor “kosten die worden gemaakt omdat u gaat opzeggen” en niet voor “kosten die wij moeten maken om u met name fysiek af te sluiten van het netwerk”. Toeleverancier BBned zou deze namelijk in rekening brengen, zodat men gedwongen was deze door te belasten. Dergelijke “fysieke afsluitkosten” vielen dan ook buiten artikel 7.2a. Weliswaar betreurde men het dat de informatie hierover niet 100% transparant was geweest, maar dat mocht verder niet baten: betalen graag.

Na diverse vruchteloze correspondentie heb ik ze een boze mail gestuurd waarin ik voor 7 januari een antwoord eiste. Dat kwam niet, dus toen ben ik naar de geschillencommissie telecommunicatie gestapt met een bezwaarbrief. Hierbij had ik de volgende bezwaren:

  1. Ten tijde van het afsluiten van het abonnement is mij geen algemene voorwaarden overlegd, noch ben ik op deze voorwaarden gewezen. Ik vernietig de Algemene Voorwaarden omdat ik geen redelijke kans heb gehad deze te kunnen lezen
  2. In de Algemene Voorwaarden zoals ik deze naar aanleiding van bovenstaande lees op de site van InterNLnet worden deze kosten ook niet genoemd.
  3. Volgens de wijziging van de telecommunicatiewet (1 juli 2009) zijn deze kosten verboden.
  4. Op de site van BBned wordt aangegeven dat de kosten die doorberekend worden bij afsluiten geheel afhankelijk zijn van de provider, maar InterNLnet meldt dat de kosten opgelegd zouden zijn door BBned. Daarnaast bevreemdt het mij dat BBned afsluitkosten zou berekenen terwijl ik overstap naar een andere provider die ook via BBned internet levert.

Dat maakte kennelijk indruk, want vrij snel daarna kreeg ik ineens een e-mail van InterNLnet waarin men excuses aanbood en meldde de afsluitkosten te zullen crediteren. Het kan dus wel!

(Ik heb trouwens meteen mijn klacht bij de geschillencommissie ingetrokken omdat je bij een schikking je klachtgeld terugkrijgt.)

Arnoud